27 Augustus 2014

Baby 1 (VIII)

feuilleton

Baby 12 is terug. We hadden gewerkt in de tuin, en nu we weer in het huis zijn om ons te wassen, zie ik hem zitten op zijn bed. Hij kijkt maar wat voor zich uit. De andere baby’s zien hem ook – ze lopen om, op weg naar de badkamer. Ik wil wel stoppen, maar ik durf niet goed. Ik zie dat hij zijn linkerbeen kwijt is.
In de badkamer fluisterpraat iedereen er over.
‘Zijn been is afgezaagd,’ zegt de een.
‘Hoe moet hij dan nog meedoen bij het hardlopen?’ vraagt de ander.
‘Hij vond zichzelf toch zo bijzonder? Nu is hij echt bijzonder. Net goed.’
Het meisje dat dat zegt, wil ik slaan. Maar ik doe het niet.

25 Augustus 2014

'Ik stel voor om het artikel 'De Lijfbard van Knut de Verschrikkelijke' van Nanne Tepper  op te nemen. Het staat (merkwaardig!) niet in zijn gelijknamige essaybundel,' schreef Kees 't Hart ons op onze vraag naar zijn favoriete bijdrage uit de Revisor-geschiedenis. Het is een essay uit het tweede nummer van 1996 over Mahler en over hoe hem te dirigeren, met fijne sneren naar Mahlercriticus Vestdijk.

We gedachten Tepper na zijn overlijden in 2012, en publiceerden een nagelaten gedicht, 'De Groninger en zijn gronden. Een heiligenleven' in nummer 2013-1 [alleen voor abonnees].

22 Augustus 2014

Ziekte en ijs

Auteur versus schrijver IX

Al weken volg ik de bijzonder sterke artikelen op de site van NRC Boeken van Pieter Steinz over lezen met ALS. Pieter lijdt aan de spierziekte en leest of herleest boeken die hij linkt aan de ziekte. Hij is schrijver, dus schrijft hij er stukken over. Ik weet niet of het komt door de omstandigheden, door zijn medische situatie van dit moment, maar Pieter treedt volgens mij zelden als auteur van die stukken op. Hij gebruikt zijn ziekte niet om een auteur te worden, hij blijft schrijven, en dat is bijzonder.

21 Augustus 2014

Baby 1 (VII)

feuilleton

Baby 31 – dat is dus Baby 3 – zegt dat iemand met me praten moet. Over Baby 12.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Het is iemand die weet hoe het met Baby 12 is. Ik bedoel: Baby 36.’
‘Wie is het dan?’
‘Ik moet het geheim houden. Anders merken de overzieners het. Je wilt het toch graag weten? Jullie waren toch vrienden?’
‘Iedereen is vrienden met iedereen,’ zeg ik.
‘Nou ja. Je begrijpt wat ik bedoel.’
Ik knijp mijn ogen samen. Baby 3 kijkt alsof hij nog nooit iets lelijks in de wereld gezien heeft. ‘En waar moet ik naartoe?’
‘Aan het eind van het pad achter de kippenren. Kom.’

18 Augustus 2014

De o van logica

De koffielezer

Er weerklinkt holle bolle ruisss aan de andere kant van de lijn… niet alle eersten zullen de laatsten zijn… klinkt erdoorheen. Ik bestudeer een koffievlek op de tafel, een melancholische meteoriet die op de aarde afstevent. Veroorzaakt hij de ruis tussen Tunesië en mij? Ik wend mijn blik van de vlek af en de ruis verdwijnt. De lijn is weer zuiver…
‘O ja, zuiver? Wel, vertelt u me dan maar eens waarom Eva in een appel beet en niet in een vijg, monsieur Qu’bah.’
‘U bedoelt?’
‘Ik bedoel niets.’
‘O.’

15 Augustus 2014

Baby 1 (VI)

feuilleton

We hebben Baby 12 al heel lang niet gezien. Hij is verdwenen in de ziekenkamer, en niemand mag er bij. Vaak horen we hem schreeuwen van de pijn, vooral ’s nachts, wanneer alles stil is, zodat je er helemaal gek van wordt. Soms scheldt Baby 2 hem uit. Sommigen baby’s giechelen dan, vooral die uit zijn groepje. De overzieners zeggen dat Baby 12 zijn been heeft gebroken, omdat hij ondeugend is geweest. Dat is wat er gebeurd als je je niet aan de regels houdt. Ze weten niet dat ik ook ondeugend was, al heeft Baby 2 geklikt dat ik tegelijk met Baby 12 naar buiten was gegaan. Maar ik lag al in bed toen ze Baby 12 eindelijk naar binnen droegen.
Toch denk ik dat de overzieners het weten. Ze kijken me aan met ogen die iets zeggen zonder woorden. Ik probeer me onzichtbaar te maken, zodat me niet zien. Maar ze zien me. Ze zien me.

13 Augustus 2014

Legitimaties

Gedicht, toon me uw papieren!

Heb ik ooit mijn weinig typische afkomst als uitgangspunt genomen voor een gesprek over literatuur, vraagt Charl-Pierre Naudé per mail. Zijn vraag frappeert me. Het zou onlogisch zijn om me als allochtoon te presenteren, een beetje aanstellerig ook in mijn geval. En toch raakt hij iets waarvan ik weet dat het er terdege zit en dat ik maar niet benoemd krijg.

12 Augustus 2014

Zin

'ik kan mijn stuurloos// verglijdende tijd aan niet één voorbijtrekkend beeld beloven'

Norbert Hummelt, vertaald uit het Duits door Jan Baeke en Erik de Smedt. Uit: Geen veerman, geen Styx. Azul press, 2014.

08 Augustus 2014

Baby 1 (V)

Feuilleton

Baby 12 is er zeker van dat de overzieners iets te verbergen hebben. Waarom hebben ze anders eigen kamers, waar we nooit mogen komen, terwijl zij altijd bij ons binnen kunnen lopen? We zitten op de geheime plek en kijken naar het glinsterding. De randen zijn scherp – hij heeft zich er aan gesneden. Dat het bloedt maakt hem niks uit. Hij steekt zijn vinger in zijn mond en drinkt het bloed op. Het regent al de hele dag. Daarom hebben we onze hoofden onder de kraag van onze jassen verstopt.
‘Weet je nog van dat schrift dat ik had?’ zegt hij. ‘Dat schrift dat ze hebben ingepikt? En nu dat dit.’ Hij schudt zijn hoofd.
Soms denk ik weleens dat Baby 12 zichzelf bijzonder vindt. Niemand is bijzonder. 
En toch, soms denk ik dat hij gelijk heeft.

06 Augustus 2014

Niet waarover je schrijft, maar hoe, dat is de vraag die ik je stel. Het antwoord kun je alleen laten zien, je kunt het niet beschrijven, dan ben je er al van afgedwaald. Niet wie je bent, hoe oud, waar je wortels liggen, maar hoe. Overtuig me.

Dat standpunt, dat onze leidraad is bij het doornemen van de stapel ongevraagde kopij - we zijn voor dit jaar nu bij nummer 121 - verklaart ook mijn ergernis over de engagementsdiscussie. Die versmalt literatuur tot iets óver iets, iets voor of tegen iets. Terwijl het in het beste geval dat maar heel veel meer is. En terwijl het dus veel interessanter is hoe een schrijver zijn betrokkenheid over laat slaan op zijn lezer. Met de kale gegevens of door ze goed op te schrijven. Werkt een boek door de mokerslagen van de werkelijkheid - orgaandonatie, pedofilie, kanker, overspel, genocide, vlucht, verkrachting, moord, verlies - of door hoe geslagen wordt - eerst zacht, dan harder, of liever zoals het echt was, rauw, ongefilterd, verstikkend hard? En werkt het dan nog beter als het heftig is én goed geschreven?

P.F. Thoméses Schaduwkind is in vele opzichten een groots boek, een kleine memoire en een essay over verlies en taal. Groots, ook in de kleinste stukjes, zoals het korte prozagedicht 'Paniek': 'De geur van schone lakens, het slaapkamerraam open. Een nieuwe dag. / Het zonlicht dat binnenvalt en haar nergens terugvindt.' Maar mijn betrokkenheid zakt weg als Thomése de cruciale scène neerzet, als hij beschrijft wat er gebeurt: een pasgeborene in het ziekenhuis, haar radeloze ouders eromheen. Zijn stijl wordt daar zó overvloedig, de anekdote zakt weg in de beelden. Maar misschien moet ik auteur en personage meer identificeren, misschien stuit ik op een genregrens.

05 Augustus 2014

Tomas Lieske (Den Haag, 1943) schrijft romans, verhalen en poëzie. Zijn laatste roman heet Door de waterspiegel  (2014), zijn meest recente dichtbundel Haar nijlpaard optillen (2012). De romans Nachtkwartier (1995), Franklin (2000) en Gran Café Boulevard (2003) werden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, die Franklin won. Dünya (2007) werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Voor zijn dichtbundel Hoe je geliefde te herkennen (2006) ontving hij de VSB Poëzieprijs. Lieske debuteerde in 1985 in De Revisor. Hij was geruime tijd redacteur van Tirade, waarvoor hij ondermeer een reeks essays over Nederlandstalige poëzie schreef, die zijn gebundeld in Een hoofd in de toendra (1989). Wij publiceren twee nieuwe gedichten: 'De kindertijd van Alice' en 'De kindertijd van David 'Noodles' Aaronson'.

Omhoog