30 September 2016

Deze week las de redactie van de Revisor Jan Willem Otten en Peter Terrin, en keek Walter Ruttmann. Deze week alleen maar lof en hoge verwachtingen.

*

Jan van Mersbergen: Willem Jan Otten, Specht en zoon

Mijn derde kind werd deze week geboren en op dezelfde dag kreeg ik de eerste 34 pagina’s van mijn geredigeerde roman terug van mijn uitgever en als die kleine jongen sliep sloeg ik het verse document vol strepen en roodgemarkeerde zinnen open en probeerde ik overzicht te krijgen: hoe zwaar waren deze suggesties? Ik had er nog niet een geaccepteerd, ik wilde eerste zien wat de bedoeling was. Daar kwam ik achter aan de hand van de begeleidende mail, die ik zes keer las, en door Specht en zoon weer eens open te slaan, de fenomenale kleine roman van Willem Jan Otten, die verteld wordt door een schildersdoek.

Scheppen en het dragen van een beeld zijn de thema’s, het afstandelijke vertelperspectief is heel bijzonder, vooral omdat toch het gevoel door de zinnen sijpelt. In mijn nieuwe roman is de verteller een paard en iedere suggestie van mijn uitgever had met dat perspectief te maken – natuurlijk. Hij schreef in zijn mail: ‘Het is wel fijnmechanisch werk van een horlogemaker.’ Dat is de mooiste fase van het schrijven, maar ook een gevaarlijke fase. Nu moet het goed gaan. Een volgende zin in de mail: ‘Als het paard minder reflecterend filosofisch onder de notenboom staat en meer als observerend, van zijn natuur [zijn instincten en reflexen] gedreven en gestuurd wordt, heb je twee belangrijke effecten.’ Die effecten kan ik hier niet noemen, wel kan ik die koppelen aan Specht en zoon.

27 September 2016

Zet maar in de kelder

Boekhandel van de maand

De positie van boekhandelaren is de laatste tien jaar erg veranderd. Boekhandelaren zijn steeds belangrijker in het boekenvak: ze geven quotes achterop boeken, ze verschijnen op feestjes, ze kopen boeken in die getipt zijn door de collega’s van het boekenpanel van DWDD. Boekhandelaren spreken zich uit over boeken, Jan van Mersbergen spreekt zich uit over boekhandels in de nieuwe rubriek Boekhandel van de maand. Iedere laatste dinsdag van de maand.

Vandaag de achtste aflevering: Pantheon in Amsterdam.

26 September 2016

Geen witte wijn

Over Teju Cole

Hij is geestig, intelligent, fel: de gedroomde publieke intellectueel. Ik schudde vrijdagmiddag in Spui25 Teju Cole's hand, en luisterde. Over racisme, over de ondervertegenwoordiging van vrouwen, over smaak en cultuur, over hoe je over de tactics van zwarte activisten van mening kunt verschillen en over white privilige / supremacy. Interessant, maar ook ongemakkelijk. En ongemak leidde, bij mij althans, tot een gevoel van onmacht. Ik heb er al wel over geschreven, maar mijn macht is beperkt tot lezen, kijken, schrijven. Wel leerde ik, die middag en avond, dat verder kijken dan je neus lang is, kan helpen. Bij dezen, opnieuw, maar nu met een beloning. Welke nieuwe (literaire) stemmen moet ik lezen, welke moeten een podium krijgen in Revisor? Onder de inzendingen verloot ik de fles rode wijn die ik voor mijn praatje kreeg.

(Plus: mijn praatje en zeven aantekeningen.)

23 September 2016

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Zadie Smith, R.J. Ellory, Martin Roach & David Nolan en Eva Meijer.

*

Marjolijn van Heemstra: Zadie Smith, White Teeth

Op reis naar Toscane maakte ik de fout die ik elke zomer opnieuw maak. Ik nam boeken mee waar ik eigenlijk geen zin in had, maar die ik van mezelf toch echt eens moest lezen. Al op de eerste dag stond ik voor de boekenkast in de grote zitkamer van het vakantiehuis in de hoop iets beters te vinden dan die saaie stapel in mijn koffer. Tussen de rijen Italiaanse romans stond één Engels exemplaar: White Teeth, van Zadie Smith, wat een mazzel. Twee jaar geleden las ik het prachtige NW en daarna het net zo mooie The Embassy of Cambodia. Maar White Teeth, Smiths debuutroman, is nog beter. 

Grappig, droevig, wijs; onvoorstelbaar (onuitstaanbaar!) dat ze pas vijfentwintig was toen dit uitkwam. Het verhaal is ambitieus, religieuze verschillen, generatieconflicten en klassenstrijd, beschreven vanuit tien personages uit drie compleet verschillende families. Het zijn stuk voor stuk vreselijke, of op z’n minst irritante, mensen en toch ga je van iedereen houden omdat Smith ze in al hun lelijkheid zo liefdevol beschrijft en nooit blijft hangen in karikaturen. Het is maatschappijkritisch maar vaak ook regelrechte poëzie. Niks dan lof dus, en een diepe buiging en nu al spijt dat ik het binnenkort zal uitlezen en wegleggen.

20 September 2016

Voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) schreef Frank Heinen het verhaal 'De plechtigheid', over iemand die uit het niets een held wordt. Op ons verzoek schreef Heinen een satellietverhaal: 'Het ritje'.

Mijn vriendin drukt de wekker altijd twee keer uit voor ze opstaat. Na de eerste keer rinkelen draait ze zich op haar zij en blaast haar ochtendadem in mijn gezicht, na de tweede kruipt ze nog even tegen mij aan, met haar rug tegen mijn borst en haar haren in mijn mond.
Na de derde staat ze op.
Iedere ochtend overweeg ik haar te vertellen dat ik het wel mooi geweest vind en iedere avond moet ik vaststellen dat dat ook weer zowat is.
‘Maak een foto met hem,’ zegt ze aan de ontbijttafel. ‘Voor op Insta.’
Als mensen me vragen wat ik ben, denk ik: ik ben schrijver. Maar zoiets zeg je niet, vind ik. Meestal antwoord ik: ik ben chauffeur.
Overigens vragen ze in de meeste gevallen trouwens heel andere dingen. Hoeveel het kost. Of de rolstoel achterin past. Waarom ik zo laat ben.

16 September 2016

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Karl Ove Knausgård, Denis Johnson, Sandro Veronesi en Stéphane Mallarmé.

*

Thomas Heerma van Voss: Sandro Veronesi, In de ban van mijn vader

In de jaren dat ik heel veel muziekconcerten bezocht, heb ik voor mezelf een regel ontwikkeld, of misschien is het eerder een besef: dat een optreden, hoe goed het op de avond zelf ook overkomt, pas echt geslaagd is als het interesse naar de betreffende artiesten aanwakker, als ik in de dagen nadien zijn of haar werk wil (her)luisteren. Wellicht geldt hetzelfde voor auteurs. Vaak genoeg heb ik terwijl ik iemand voorlas of publiekelijk hoorde spreken gedacht: hier wil ik iets van lezen - en vervolgens zakte dat verlangen binnen een mum van tijd weer weg. Twee weken geleden sprak ik Sandro Veronesi in Spui25, en nu pas merk ik hoe overtuigend hij daar vertelde: ik wil meer en meer van hem lezen, de hiaten in mijn kennis van zijn werk opvullen. Deze week ben ik begonnen met In de ban van mijn vader, Veronesi's doorbraakroman en tevens de eerste die in het Nederlands vertaald werd (door Rob Gerritsen).

Een wervelend, bijna koortsachtig geschreven boek.

14 September 2016

In slechte handen

Voorproeven uit Revisor 12

Voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) schreef Merijn de Boer het verhaal 'In slechte handen', over een dubbelganger. (Meer dubbelgangers in Daan Stoffelsens Redactioneel.) Vandaag kunt u al de eerste pagina's lezen, en u laten overtuigen.

*

Naar een roman van Robbert Welagen

Op het station van Haarlem stapte ik uit. Hoewel ik in de trein was blijven zitten, liep ik tegelijkertijd over het perron. Ik droeg mijn oude versleten blauwe jas met bontkraag, waar ik zo gehecht aan was maar die ik twee jaar geleden toch maar had ingeruild voor een veel gewonere en bovendien tamelijk dure parka van Paul Smith. Instinctief tikte ik tegen het raam – zoals je zou doen als je een van je beste vrienden ziet langslopen.
Een van de voordelen van het dragen van een trouwring: je kunt heerlijk luidruchtig tegen glas tikken.
Ik schrok op van de tik. Vervolgens schrok ikzelf ook. Een paar seconden bleven we elkaar verbijsterd aanstaren. Toen klonk het fluitje van de conducteur. Ik zag mezelf snel naar links rennen.
Waar ik voor vreesde, gebeurde: helemaal aan het einde van het gangpad verscheen ik door de openzwaaiende glazen deur. Gelukkig is het maar een kort ritje van Haarlem naar Overveen. Snel stond ik op. Ik wandelde drie treintoestellen door. Toen ik niet meer verder kon, stopte de trein in Overveen.

12 September 2016

Voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) schreef Emily Kocken het verhaal 'Stewart. Over de smaak van plastic en Proustiaans luchtverkeer', over een benauwende confrontatie met vliegtuigvoedsel en een vaderlijke buurman. Op ons verzoek schreef Kocken notities voor het verhaal, een satellietverhaal, 'This Is Your Automatic Pilot Singing'.

*

De motoren draaiden al een tijdje. Het vliegtuig kon ieder moment opstijgen.
Vanuit de cockpit klonk de stem van de gezagvoerder, een boodschap die Elena kon dromen. Optimistisch en langdradig. Ze was een frequent flyer, jong, maar ervaren.

11 September 2016

De auteur en de journalist

Satellietfragment uit Dertig dagen bij Annelies Verbekes verhaal in Revisor 12

Revisor feliciteert Annelies Verbeke met de Opzij Literatuurprijs voor Dertig dagen! Verbeke schreef het verhaal 'Vojtech, Miloslava en Jano' voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) , over een schrijfster die in Praag haar personages ontmoet en door de stad wervelt. Bij wijze van satellietverhaal brengen wij een fragment uit Dertig dagen waarin haar personage 'de auteur' centraal staat - en een riekende ontmoeting met een journalist heeft.

*

19

De gang tussen de studio's moet ook worden geschilderd. Alphones is er alleen met het huiselijke gehoest van de vertaler. Het gefluister van de papieren tape waarmee hij een plint beschermt, lokt de auteur naar buiten. Ze groeten elkaar.
'Ik ben aan het wachten op een journalist die om half tien zou komen, en het is intussen tien uur. Stuur je hem mijn kan op als je hem ziet?'
'Doe ik. Is het voor een krant?'
'Ik weet het niet meer. Vervelend. Ik weet ook niet meer hoe hij heet. En ik ben zijn e-mails kwijt. In mijn agenda staat alleen "9u30: interview".'
Een kwartier later hoort Alphonse een fanfare van luide zuchten en slepende voetstappen de trap bestijgen. De woede die de tengere dertiger uitstraalt kan niet het gevolg zijn van een nachtje slecht slapen of het missen van een trein; dit is een levenswerk. Hij kijkt over Alphonse heen als die hem groet. De auteur verschijnt in haar deurgat en nodigt hem uit binnen te komen. 'Hebt u het gemakkelijk kunnen vinden?'

09 September 2016

Now, it’s all right now
even to fall asleep
just as on all those nights

Elizabeth Bishop

Het is de tweede keer dat ik in een ambulance meerijd, een van de eerste dagen van april in 2016.
De eerste keer is in Heerlen, de geboorteplaats van mijn moeder. Ze woont daar dan al lang niet meer. Nee, ze heeft zich met mijn vader in Nijmegen gevestigd, waar mijn vader rechten is gaan studeren. De jaren vijftig zijn begonnen. Mijn ouders zijn eindelijk in de nieuwe tijd beland. Ze deelden hun leven in in voor de oorlog en na de oorlog en nu is het hún leven geworden, niet meer van de oorlog. We zijn in Heerlen, bij haar ouders, mijn grootouders, om Sinterklaas te vieren, maar dan word ik ineens erg ziek. Van die ambulance herinner ik me het geluid van de sirene die dichterbij komt, zo dichtbij dat het lijkt alsof er alleen nog dat geluid is. En de vlammende pijn in mijn hoofd – die herinner ik me ook, maar die hoort bij het geluid van de sirene. Het is 1955, ik ben bijna drie. En ook herinner ik me de hand van mijn moeder. Die houdt de mijne vast. Later vertelt mijn moeder vaak dat ze dacht dat ik doodging.
‘Je had wel dood kunnen zijn.’ Dat zei ze. Ook later toen ik dieper over die woorden nadacht dan toen ze die uitsprak in mijn prille kindertijd. Soms vroeg ik me af wie en wat je wordt als je net zo goed dood had kunnen zijn.

09 September 2016

Het is vermoedelijk de vraag die me de afgelopen jaren het meest gesteld is. Of ik nu op een podium zat tegenover een handvol huisvrouwen, of voor een klas stond waar dertig glazige puberogen me aanstaarden: Thomas, wie vind je de beste schrijver?
Geen idee. Dat is, zoals zo vaak, het eerste wat bij me opkomt. Geen idee wie, geen idee waarom. Mijn antwoord hangt af van wat ik op dat moment lees. Afgelopen januari had ik de neiging om voortdurend te beginnen over de kracht van de essays van de de Amerikaanse Ta-Nehisi Coates; in maart herlas ik twee romans van Elsschot en was ik ervan overtuigd dat niemand ooit zo helder had geschreven als hij; in mei wilde ik het liefst iedereen de originele debuutroman van Roos van Rijswijk aanraden. En toch, wanneer me daadwerkelijk gevraagd werd naar mijn favoriete schrijver, begon ik altijd over W.F. Hermans. Alsof ik de eentonigheid van de vraag wilde afstraffen met een eentonig antwoord. Vervolgens zei ik iets over Nooit meer slapen, over existentiële leegte, over strakheid van de stijl, een heel enkele keer iets over De Grote Drie. Ik kon het riedeltje gedachteloos afdraaien, er werd gereageerd met begripvol geknik, het onderwerp was afgehandeld, klaar, op naar de volgende vraag.

09 September 2016

I

De stad is een gekkin.
Ze graaft naar haar eigen hartenklop, krabt zich
een schoot, maar vergeet naderhand alles te lezen.
Nonchalant scheurt ze de gangbare tijd,
laat verveeld wat stukken om te puzzelen.
Plassen bewaren haar bij afwezigheid. Ze komt sowieso terug
uit de bouwputten waarin je je steeds weer het verkeerde verbeeldt.
Haar plan is zich te ontwrichten.
Zij kan zich deze vergissing permitteren
voor de verdere toekomst is het haar enige zekerheid,
terwijl ze zichzelf eindeloos achterna holt.

09 September 2016

In slechte handen

Naar een roman van Robbert Welagen

Op het station van Haarlem stapte ik uit. Hoewel ik in de trein was blijven zitten, liep ik tegelijkertijd over het perron. Ik droeg mijn oude versleten blauwe jas met bontkraag, waar ik zo gehecht aan was maar die ik twee jaar geleden toch maar had ingeruild voor een veel gewonere en bovendien tamelijk dure parka van Paul Smith. Instinctief tikte ik tegen het raam – zoals je zou doen als je een van je beste vrienden ziet langslopen.
Een van de voordelen van het dragen van een trouwring: je kunt heerlijk luidruchtig tegen glas tikken.
Ik schrok op van de tik. Vervolgens schrok ikzelf ook. Een paar seconden bleven we elkaar verbijsterd aanstaren. Toen klonk het fluitje van de conducteur. Ik zag mezelf snel naar links rennen.
Waar ik voor vreesde, gebeurde: helemaal aan het einde van het gangpad verscheen ik door de openzwaaiende glazen deur. Gelukkig is het maar een kort ritje van Haarlem naar Overveen. Snel stond ik op. Ik wandelde drie treintoestellen door. Toen ik niet meer verder kon, stopte de trein in Overveen.
Samen met zo’n twintig anderen wandelde ik het perron af. Het waren mensen met wie ik dagelijks op en neer naar Amsterdam reisde en die me op een bepaalde manier vertrouwder waren geworden dan sommigen van mijn vrienden. Ik keek om me heen en constateerde tot mijn opluchting dat ik niet was uitgestapt.

09 September 2016

I

Ik liep naast je. Je had vlechten. Echte.
Bij het donkere kanaal stond een gemaal
te pompen, het bruisende water spatte
naar alle kanten. Toch klapte je van plezier
in je handen. Ik floot tussen mijn tanden,
in de verte reed een trein over een zwart
viaduct, tot mijn schande zweefde tussen
de sterren mijn gebarende hand. Toen
smolt je schouder in het duister ook je rug
zag ik niet meer. De nacht is een brug
tussen twee dagen. Je ontsnapte me weer.

09 September 2016

De vrouw draagt een blauw topje, met haar blote armen en haar haren los ziet ze eruit alsof ze op vakantie is. Ze staat voor een oud gebouw met dikke stenen muren en een houten poort met klinknagels en beslag. Over de muren is prikkeldraad gespannen en voor het piepkleine raampje naast de poort zitten tralies. ‘Ik heb altijd al een gevangenis willen bezoeken,’ zegt ze.
Dan is ze binnen. Boven de getraliede toegangsdeur naar het cellencomplex hangt een bord: de Greta Pseudo-vleugel. Vreemd, deze vleugel is vernoemd naar mij, denkt ze. En ja, in alle cellen die op de lange gang uitkomen, zit zijzelf, cel na cel ziet ze blauwe topjes, losse haren en blote armen die langs de spijlen hangen.
Of is ze het niet? Greta staat immers op de gang, vrij om zich langs de cellen te bewegen. ‘Waarom zit je in de gevangenis?’ vraagt ze aan haar dubbelgangers. Omdat ik een dief ben zegt de een, en ik ontrouw zegt de ander, en hoe verder ze komt, hoe moeilijker het wordt om nog te weten wie wie is, wie zij zelf is. Helemaal op het eind van de gang roept er een, de ergste: ‘Laat me d’ruit, ik ben getrouwd met een rijke man!’

09 September 2016

Stewart

Over de smaak van plastic en Proustiaans luchtverkeer

Meteen iemand aanspreken, vond moeder, dan dood je de tijd op een gepaste manier. Zit je al in het vliegtuig? Ja, had Elena gezegd, op weg naar jou. Helaas. Dat laatste woordje hield ze net op tijd binnen.
‘En wat ze je te eten en drinken geven, aanvaard je dankbaar.’
O ja? Elena dacht aan de volgevroten lijven in de lucht, wat een noodlanding dat zou geven. Ze stonden nog aan de grond en rondom haar nam het geroezemoes van de andere passagiers af. Ze wilde haar mobiele telefoon op speaker zetten, de stem van haar moeder frank en vrij in de romp van het vliegtuig laten klinken, gratuite wijsheden die generaties lang op vrouwen waren neergedaald als manna uit de hemel. De mens was wat hij at, en voor meisjes gold dit helemaal. Ze durfde niet. Bewoog haar hand met telefoon langzaam omhoog, in de verleiding het ding te droppen, ontlokte een glimlach aan de man die naast haar zat. Ze raakten aan de praat. Zijn naam ging verloren in het lawaai van het opstijgen.

09 September 2016

Sinds het gebeurde smeer ik iedere ochtend, na het douchen, zalf op mijn been. Je ziet er bijna niets meer van, het consequent smeren heeft zin gehad. Wat rest, is een wit, rimpelig stuk huid midden op mijn scheen. Haren groeien er niet meer.
De eerste dagen droeg ik een kompres. Douchen deed ik zittend op een krukje, waarbij ik mijn been buiten het douchegordijn hield tot ik kramp kreeg. Af en toe liet ik mijn vingers over het netje glijden. Als ik drukte, deed het zeer. Dichter bij de wond kon ik niet komen.
Jeukt het? vroeg mijn zoon.
Ik geloof van niet, antwoordde ik.
Een paar dagen terug knipte de dokter het netje kapot.
De tube is bijna leeg nu. Ik heb om een nieuwe gevraagd. Eerst opgebeld en toen dat niets uithaalde, ging ik naar het spreekuur om mijn zin te krijgen.
De dokter vond het wel mooi zo. Volgens hem zitten er hormonen in de zalf, die moet je niet blijven smeren als het nergens goed voor is. Ik moest vooral blij zijn met hoe mooi het nu al was geheeld.
Toen ik een tweede keer kwam, hoefde hij de plek niet eens meer te zien. Hij geloofde het wel. Daarna vroeg hij twee keer hoe het verder met me ging en ten slotte keek hij toch nog even naar de plek, kort. Hij zag geen reden voor een vervolgrecept.
Nu nog raak ik soms even de plek aan, maar ik voel niks meer. Ook niet als ik hard druk.

09 September 2016

De auteur staart naar buiten. Het bureau waaraan ze zit wordt tientallen keren herhaald achter de ramen in de andere vleugel van het hotel, aan de overkant van de binnenkoer. De kamers zijn mensloos, op een na, waar een geknield kamermeisje een stofzuigerslang zo ver mogelijk onder een bed duwt. De auteur lijkt de enige aanwezige gast. De andere bezichtigen Praag, vermoedt ze.
Aangestoken door het uitzicht vol herhaling, maakt haar geestesoog een slordige tocht langs vorige verblijven in dit hotel, in deze stad. Acht maanden geleden was ze hier, en het jaar daarvoor, of was het dat daarvoor? Ze voelt ontelbare kleine golven oprukken. Hoe langer ik leef, hoe korter het duurt. Hoe liever ik leef, hoe sneller het gaat. Die aanzwellende ondertoon van paniek, dat onhoorbare krijsen: ‘Ik wil niet dood!’ – hoe overdreven. Ook die opspattende druppels manische vreugde over het eigen bestaan erdoorheen: overdreven. De auteur besluit het glas halfvol te noemen, zichzelf jong.

09 September 2016

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de RevisorDeze week lazen wij Heinrich Böll, Yvonne Scholten, Maggie Nelson en Gilles van der Loo.

Jan van Mersbergen: Heinrich Böll, Eng is de poort

Bij Nobelprijswinnaars verwacht je grootse zinnen, meeslepende verhalen, ware literatuur. Böll laat zien dat een klein verhaal met kleine karakters en met eenvoudige zinnen voldoende kan zijn. Hij begint hoofdstuk 8 met: ‘De cake was goed gelukt.’ Een prima zin. Handeling en sfeer zijn duidelijk, en iedere lezer weet meteen dat we gaan inzoomen op het leven van deze vertelster, die naast haar man opereert die ook verteller is. De vertaling is van 1968 en het Nederlands past in die tijd. Vandaar ook de Bijbelse vertaaltitel. De oorspronkelijke titel is Und sagte kein einziges Wort. Dat is sterker, beeldender en heeft meer spanning. De man en de vrouw zijn getrouwd maar leven apart van elkaar in het na-oorlogse Duitsland dat veel problemen kent, die allemaal aan de orde komen in een huiselijke sfeer: hoe deze twee wonen, werken, leven. Dat maakt deze roman klein en tegelijk universeel, want het is heel moeilijk je voor te stellen hoe het leven in die tijd en in dat land was, maar als je dit leest blijkt het leven van toen niet zo veel te verschillen van het leven nu, en dat is de kracht die Böll vanuit zijn proza spreken.

08 September 2016

Aan het kanaal

(vertaling Lette Vos)

Het was nacht en ze liepen langs het kanaal. Het licht van de straatlantaarns danste op het water en de smalle boten lagen er fraai bij met hun daken vol potplanten en de vastgebonden roeibootjes langszij. De lucht was warm en zwaar van een zomerse geur van druiven. Haar hand lag om zijn pols. Ze vond het fijn om zijn hartslag te voelen. Zijn arm rustte om haar middel en hij had zijn duim om de rand van haar spijkerbroek gehaakt. Ze voelde hoe haar heupbot tegen zijn handpalm drukte terwijl ze liepen.
‘Zoiets verzin je toch niet?’ zei hij.
‘En dat we daar zo in het vliegtuig zaten. Naast elkaar. Dat is toch best een beetje bijzonder. Ongelofelijk eigenlijk. We zijn echt geluksvogels,’ zei ze.
Hij grijnsde naar haar en nam haar al lopend in zich op. ‘Meen je niet.’ Ze grijnsde terug.
‘Moet je ons nou horen. Lekker vol van onszelf. Niet te geloven,’ zei hij. Hij bleef staan. ‘Je hebt mijn shirt aan.’ Ze had het aangetrokken op hun kamer toen ze onder de douche vandaan kwam. ‘Je bent écht ongelofelijk.’ Met luide stem riep hij: ‘ON-GE-LOFE-LIJK!’ Het weerklonk over het kanaal.
‘Sssst!’ Ze giechelde.
‘Niemand die het hoort, joh. Het is midden in de nacht.’

08 September 2016

Het dubbelgangersthemanummer

Bij wijze van uitgebreid Redactioneel bij het septembernummer 2016

Toen onze redacteur bij de uitgeverij me vroeg of er een thema was, voor ons tijdschrift, dat wars was van goedbedoelde adviezen (waarom zijn jullie Das Mag niet?), dat al zes jaar lang trots themaloos was, toen ze me dat vroeg, mij daarmee overviel, kon ik maar één ding bedenken: dubbelgangers. Eerder, toen er dubbelgangers ons nummer binnenslopen, had Thomas gezegd: 'Ik houd niet zo van dubbelgangersverhalen.' Toen, ten slotte, onze vormgever me 'ca. 280 woorden' gaf, verbond ik met schaar, naald en draad en vooral ductape alle bijdragen aan elkaar tot wat er vandaag in de winkels (bijvoorbeeld bij Athenaeum) en binnenkort op de deurmatten ligt:

Wie is Revisor?

Voor mijn kinderen ben ik net zo goed forens als vader. Bij elke trein die voorbijraast, roepen ze ‘Dag papa’ – zelfs als ze bij mij voor op de fiets zitten. Het zou een dubbelganger van Merijn de Boer kunnen zijn, of een beeld in Miriam Rasch’ essay: een ik in de trein parallel aan mij. Die verdubbeling is kenmerkend voor literatuur, en niet alleen voor autobiografisch proza: de auteur is aanwezig bij Thomas Verbogt, ongetwijfeld ook bij Annelies Verbeke – haar hoofdpersoon heet ‘de auteur’. Maar hoeveel Emily Kocken zit er in ‘Stewart’? Waar is Flor Declerqs ik in ‘Passant’? Heeft Frank Heinen een cameo in ‘De plechtigheid’? Is Chris Honingh de ik in ‘Een zo goed als droge dag’? Hoeveel zien we van het Britse talent KJ Orr in ‘Aan het kanaal’?

07 September 2016

Willem Thies (1973) was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat. In 2006 debuteerde hij met de dichtbundel Toendra, die is bekroond met de C. Buddingh’-prijs. In 2008 volgde zijn tweede bundel, Na de vlakte, genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, en in 2012 Twee vogels één kogel. Vorig jaar verscheen zijn vierde bundel: Meer mensen dan reddingsvesten. Vandaag brengen we nog twee gedichten van Thies.

04 September 2016

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Jonathan Safran Foer, Five Dials, W.G. Sebald, Sandro Veronesi en Kent Haruf.

Daan Stoffelsen: W.G. Sebald, Duizelingen

Het verbaast me, als ik blader en lees in de nieuwe Freeman's en het digital-only tijdschrift Five Dials, onze Bladspiegels zijn erop geïnspireerd, hoe veel ruimte er in de Angelsaksische traditie is voor autobiografische literatuur: essays, memoirs, korte verhalen met een overduidelijke auteurs-ik. Of misschien negeer ik die traditie in de Nederlandse literatuur, laten we mijn eigen ik niet buiten beschouwing laten. In Five Dials #39 staat bijvoorbeeld een lang, intrigerend stuk van fietskoerier Emily Chappell over haar werk en leven. Is dat uitstekende journalistiek of literaire reportage? En Molly Prentiss schrijft erin over avondeten als sociaal bindmiddel, vanuit haar persoonlijke ervaringen in een commune. Erg interessant - al zou ik het in de krant waarschijnlijk overslaan, als een 'stuk' dat 'ergens' over gaat, als lifestyle, magazine, tijdsgebonden lux.

Omhoog