Zin
Echt, benadrukte ik, Hitler heeft er niets mee te maken.
Echt, benadrukte ik, Hitler heeft er niets mee te maken.
Vertedering kent grenzen.
Ze kon haar tenen en haar knieën zien, minuscule luchtbelletjes aan elke afzonderlijke schaamhaar, een vreemde lichtbreking bij haar buik en onderarmen; alsof het onderlichaam van iemand anders was, niet goed paste.
en in die stilte hoorde spreker de houtwormen
in de planken waar zijn lessenaar nog op stond
(uit Tussen de gebeurtenissen. De Bezige Bij, 2000.)
Allebei de schoenen?
een schoen doe je uit
als een vrouw bij je op bezoek komt
en je niet met haar wilt trouwen.
(Uit Eerst dit dan dat (Contact, 2004)
Er is geloof ik geen verschil tussen Ivens die de wind filmt en Ivens die revoluties filmt.
(Jorens Ivens in gesprek met Jan Kat, De Nieuwe Linie, 14 januari 1976)
Doof is de wind en leegte draagt hij mee
(Franco Loi, vertaald door Willem van Toorn en Sabrina Corbellini)
Dat doe je niet, hè, nee dat doe ik niet, ik weet alles nog hoor, we hebben gelachen, hè, ja, we hebben vaak geweldig gelachen, dat ga ik onthouden, nu nog trouwens, ja, als je me maar aan het lachen maakt, weet je nog toen in de Johannes Vijghstraat, ja, ik weet alles nog, toen jij zei dat je gestopt was met roken, weet je nog, en gewoon een sigaret opstak, god ja, je was vergeten dat je ermee was gestopt, ja, en ik wist niet meer dat je gestopt was, wat hebben we gelachen en die avond met die krantenkoppen, godverdomme, we hebben ons kapotgelachen, ik heb nog nooit zo gelachen.
En op het politiebureau, god ja, op het politiebureau, jezus, wat was die agent de kluts kwijt, hij was bezopen, nee nee, hij dacht dat we van het Leger des Heils waren omdat we zongen, ja we zongen, op straat zingen, altijd ’s nachts, weet je nog?
En dat je me in dat café aftrok, niet aan de Oude Gracht, aan de Verwersdijk, gewoon aan de bar, jezus ja, maar ik kwam niet klaar, nee, je gleed bijna van de kruk, volgens mij zag de barkeeper het, hij zei niks, je was zo mooi, zo mooi, je was gewoon geil Vin, ik ben altijd geil op je geweest, weet je dat, je hebt de mooiste kut van de wereld, god jij, jij met je kut, ik hou van je, je moet zulke dingen niet zeggen, je kijkt te veel naar soapseries, toch hou ik van je, je moet me vergeten, ik ga je niet vergeten, doe nou maar je best me te vergeten, daar ga ik niet mijn best voor doen hoor, dat lijkt me niks, niet aan me denken, aan hoe ik er nu uitzie, waarom niet, je ziet er toch gewoon uit, neem nou maar een vriendin, die ene laatst, die van kantoor, hoe heet ze, die kwam bij je staan, ja maar die is gewoon getrouwd met Van Stoor, nou, wat maakt het uit, je hebt een keer verteld dat je op haar geilt, ja, maar niet zoals ik op jou geil, ze heeft mooie borsten, ja jezus, jij ook, ik had mooie borsten, je hebt mooie, ik had ze, zie je, nou lachen we weer, en dan kun je eindelijk naar San Francisco, naar Hitchcock, die is allang dood, ja, dat had je gedacht, ik ga niet naar San Francisco, ga nou maar, misschien leeft ze nog, hoe heette ze, Lee, ja, Lee, ga nou maar slapen, ja hoor, ga maar slapen, ja.
Ze verstopte zich achter haar hoed omdat ze het niet kon aanzien, Steegman, door vreemde ogen vastgepind op een oranje bank, Renée in zijn schoot, als een boek, een prachtig boek in een taal die hij plots niet meer begreep.
Hij werd er geen wijs uit, het straatrumoer had iets schelpachtigs, kalkachtig en leeg, als de buit aan schelpen op het strand als de zee zich teruggetrok ken heeft, een willekeurige verzameling loze resten. Het was moeilijk een coherente boodschap uit het rumoer te destilleren, behalve een eeuwenoud, geritualiseerd klagen scheen het hoegenaamd geen informatie te bevatten.
Wat zei je ook alweer daar bij die rivier? (Jackie Kay, vertaald door Willem de Geus)
...en daar, waar ik was, en het was zomer en de zon schijnt maar ik voel geen warmte, en het land is daar, achter de huizen, en vanaf hier zie je het moeras, en de modder, en de meeuwen krijsen vanaf de kerktoren.
De ochtend kwam in vuil licht.
Kees was er niet bij.
Zo gaan die dingen blijkbaar: ik maak ouder gewoonte een wandeling door het bos, het is laat in de herfst, de grond ligt vol gevallen blad, ik schop erdoorheen, stuit na de zoveelste trap op iets wat niet meegeeft, niet zozeer hard als wel zwaar, een zak zand of zoiets, trap nog eens, geen beweging in te krijgen, begin te graven, blad weg te schuiven althans, er komt een fietser aan op zo’n stoere terreinfiets met brede banden, vraagt of ik wat kwijt ben, nee, ik ben niks kwijt, ik zoek ook niks maar er ligt hier iets wat ik niet kan thuisbrengen, een volle zak of tas die iemand verloren moet hebben of vergeten, hij stapt af om me te helpen of alleen maar toe te kijken, gvd zegt hij, dat is niet iets maar iemand, kijk dan man, en nog eens die vloek, het is een dooie, en ja, zeg ik, je hebt gelijk, ik zie het, het is mijn buurvrouw.
Ik wil het niet over ons huwelijk hebben, niet nu, en ook niet over de recessie.
Arnon Grunberg
Ze liep naar hem toe met een dronken traagheid, al vol van alles wat haar gebaar zou overhoophalen, dat gebaar dat de ordening van de levenden en de tijd zou omverwerpen, de eeuwen der eeuwen zou omverwerpen, de honderdjarige kastanjebomen, de stenen standbeelden, de zware stoelen de gevestigde opvattingen de geleerde lessen zou omverwerpen, ze kwam dichter bij haar gezicht dichter bij het zijne tijdens die eeuwigdurende seconde die stopgezette, tegenover dit wonder ingehouden seconden, die uitsluitend met z’n tweeën mogelijke, twee monden twee verlangens twee tongen twee gezichten tegenover elkaar het ene tegen het andere het ene op het andere de huid voor de eerste keer met de smaak van de huid van de ander de onbekende huid tegen haar nieuwe huid, een unieke eerste keer de eerste kus de enige de redder uniek samenspel eenwording smaak van het bloed en van het speeksel vorm van de tanden kracht van de tong verbazend heftige dikte van de tong smaak van de sigaar en de wijn, nieuwe smaak, de gladde tanden de opgewonden lippen de halfgeopende mond nauwelijks weer gesloten de mateloos volle lippen met volle teugen naar elkaar verlangen elkaar begeren elkaar antwoorden met de tanden met de tongen en talen het houdt nooit op dat de eerste kus altijd de eerste is de smaak van de eerste kus om te huilen onder de kastanjebomen om het niet meer koud te hebben om geen schaamte meer te voelen de eerste kus onverschillig voor de vorm van het lichaam van de ziel de verlatenheid de eerste kus altijd gelaafd altijd de eerste keer eindelijk kuste ze hem zijn blauwe wazig geworden ogen te dichtbij ondersteboven, trillende wimpers gesloten ogen haar blik in zijn mysterie zijn ogen half open een ontsnapt teruggenomen weggegeven gesloten blauw een knipperen van blauw en dan de nog verlegen trillende oogleden de kwetsbare huid van de oogleden de aarzeling de uitnodiging, eindelijk de eerste kus de eerste die je durfde nog altijd verbaasd eindelijk zijn gezicht in haar handen nemen het eindelijk in haar handen houden het eindelijk in haar handen dragen het begroeten het ontvangen het gezicht met het meisjeshaar het slecht geschoren gezicht het gezicht dat prikt het mannengezicht dat prikkelt in haar handen het eindelijk vasthouden elkaar proeven elkaar inademen ademen in de mond van de ander uitademen met het gezicht in haar handen de tong tegen het gehemelte de tanden de lippen de ademhaling van de eerste kus de ongelofelijke schaamteloosheid de wonderlijke indiscretie de onverwachte verkenning opeens dat gezicht in haar handen in haar mond haar neus tegen zijn neus vertrouwen hebben, met de hand langzaam langzaam de wang het hoge gladde jukbeen loslaten de beginnende baard loslaten, de hand in de nek durven, het hoofd van achteren vastpakken de vingers in het haar in de nek het fijne lange lange meisjeshaar, spelen het vastpakken eindeloos de hand plat in de nek de vorm van de schedel eindeloos.
Véronique Olmi, vertaling Truus Boot
Het opduiken van jonge kinderen ergens waar je ze niet verwacht, midden in de taal.
K. Schippers
Ik had heel lang schrijver willen worden maar het vele werk dat ermee gemoeid was had me altijd afgeschrokken.
James Hadley Chase
Natuurschoon zal geen van zijn problemen oplossen; en op dat ogenblik komt de serveerster en zet hun borden met walgelijk eten op tafel.
Kevin Canty
31 januari verzorgde BNG Nieuwe Literatuurprijswinnaar en Revisor-redacteur Jan van Mersbergen de eerste Revisorlunchlezing bij Spui25, over Vasteloavend, leedjes en Naar de overkant van de nacht. Registratie, in drie delen.
Onherroepelijk in de verdediging gedrongen, vastgelopen als een verbogen as in een beschadigde naaf. Ik kan de glibberige draai niet maken.
W.F. Hermans
Alwie een landschap zingend doorkruist zal het als kluizenaar van het heelal bewonen.
Simon Vestdijk
Het glas bier gaat rond, om beurten nemen ze een slok en na elke slok wordt het niveau weer aangevuld met wodka, tot het glas gevuld is met pure wodka.
Herman Sandman
Er wordt vaak geklaagd over de ongeloofwaardigheid van romans en daar kan ik inkomen, maar nu ik met deze roman mijn leven op de voet gevolgd heb, kan ik met de hand op mijn hart verzekeren dat niets zo ongeloofwaardig is als het leven.
Charlotte Mutsaers
Ik heb doorligplekken over mijn hele lichaam en een condoomcatheter om mijn fluit.
Tommy Wieringa
Hij stampt op de trap, dit is zijn houten been.
Adriaan van Dis
Met zijn klauwen vormde hij een hek waarmee hij de deining van zijn buik beschutte; hij gebruikte ze nooit om te klauwen, alleen om zich te krabben.
Hafid Bouazza
Echt, benadrukte ik, Hitler heeft er niets mee te maken.
Vertedering kent grenzen.
Ze kon haar tenen en haar knieën zien, minuscule luchtbelletjes aan elke afzonderlijke schaamhaar, een vreemde lichtbreking bij haar buik en onderarmen; alsof het onderlichaam van iemand anders was, niet goed paste.
en in die stilte hoorde spreker de houtwormen
in de planken waar zijn lessenaar nog op stond
(uit Tussen de gebeurtenissen. De Bezige Bij, 2000.)
Allebei de schoenen?
een schoen doe je uit
als een vrouw bij je op bezoek komt
en je niet met haar wilt trouwen.
(Uit Eerst dit dan dat (Contact, 2004)
Er is geloof ik geen verschil tussen Ivens die de wind filmt en Ivens die revoluties filmt.
(Jorens Ivens in gesprek met Jan Kat, De Nieuwe Linie, 14 januari 1976)
Doof is de wind en leegte draagt hij mee
(Franco Loi, vertaald door Willem van Toorn en Sabrina Corbellini)
Dat doe je niet, hè, nee dat doe ik niet, ik weet alles nog hoor, we hebben gelachen, hè, ja, we hebben vaak geweldig gelachen, dat ga ik onthouden, nu nog trouwens, ja, als je me maar aan het lachen maakt, weet je nog toen in de Johannes Vijghstraat, ja, ik weet alles nog, toen jij zei dat je gestopt was met roken, weet je nog, en gewoon een sigaret opstak, god ja, je was vergeten dat je ermee was gestopt, ja, en ik wist niet meer dat je gestopt was, wat hebben we gelachen en die avond met die krantenkoppen, godverdomme, we hebben ons kapotgelachen, ik heb nog nooit zo gelachen.
En op het politiebureau, god ja, op het politiebureau, jezus, wat was die agent de kluts kwijt, hij was bezopen, nee nee, hij dacht dat we van het Leger des Heils waren omdat we zongen, ja we zongen, op straat zingen, altijd ’s nachts, weet je nog?
En dat je me in dat café aftrok, niet aan de Oude Gracht, aan de Verwersdijk, gewoon aan de bar, jezus ja, maar ik kwam niet klaar, nee, je gleed bijna van de kruk, volgens mij zag de barkeeper het, hij zei niks, je was zo mooi, zo mooi, je was gewoon geil Vin, ik ben altijd geil op je geweest, weet je dat, je hebt de mooiste kut van de wereld, god jij, jij met je kut, ik hou van je, je moet zulke dingen niet zeggen, je kijkt te veel naar soapseries, toch hou ik van je, je moet me vergeten, ik ga je niet vergeten, doe nou maar je best me te vergeten, daar ga ik niet mijn best voor doen hoor, dat lijkt me niks, niet aan me denken, aan hoe ik er nu uitzie, waarom niet, je ziet er toch gewoon uit, neem nou maar een vriendin, die ene laatst, die van kantoor, hoe heet ze, die kwam bij je staan, ja maar die is gewoon getrouwd met Van Stoor, nou, wat maakt het uit, je hebt een keer verteld dat je op haar geilt, ja, maar niet zoals ik op jou geil, ze heeft mooie borsten, ja jezus, jij ook, ik had mooie borsten, je hebt mooie, ik had ze, zie je, nou lachen we weer, en dan kun je eindelijk naar San Francisco, naar Hitchcock, die is allang dood, ja, dat had je gedacht, ik ga niet naar San Francisco, ga nou maar, misschien leeft ze nog, hoe heette ze, Lee, ja, Lee, ga nou maar slapen, ja hoor, ga maar slapen, ja.
Ze verstopte zich achter haar hoed omdat ze het niet kon aanzien, Steegman, door vreemde ogen vastgepind op een oranje bank, Renée in zijn schoot, als een boek, een prachtig boek in een taal die hij plots niet meer begreep.
Hij werd er geen wijs uit, het straatrumoer had iets schelpachtigs, kalkachtig en leeg, als de buit aan schelpen op het strand als de zee zich teruggetrok ken heeft, een willekeurige verzameling loze resten. Het was moeilijk een coherente boodschap uit het rumoer te destilleren, behalve een eeuwenoud, geritualiseerd klagen scheen het hoegenaamd geen informatie te bevatten.
Wat zei je ook alweer daar bij die rivier? (Jackie Kay, vertaald door Willem de Geus)
...en daar, waar ik was, en het was zomer en de zon schijnt maar ik voel geen warmte, en het land is daar, achter de huizen, en vanaf hier zie je het moeras, en de modder, en de meeuwen krijsen vanaf de kerktoren.
De ochtend kwam in vuil licht.
Kees was er niet bij.
Zo gaan die dingen blijkbaar: ik maak ouder gewoonte een wandeling door het bos, het is laat in de herfst, de grond ligt vol gevallen blad, ik schop erdoorheen, stuit na de zoveelste trap op iets wat niet meegeeft, niet zozeer hard als wel zwaar, een zak zand of zoiets, trap nog eens, geen beweging in te krijgen, begin te graven, blad weg te schuiven althans, er komt een fietser aan op zo’n stoere terreinfiets met brede banden, vraagt of ik wat kwijt ben, nee, ik ben niks kwijt, ik zoek ook niks maar er ligt hier iets wat ik niet kan thuisbrengen, een volle zak of tas die iemand verloren moet hebben of vergeten, hij stapt af om me te helpen of alleen maar toe te kijken, gvd zegt hij, dat is niet iets maar iemand, kijk dan man, en nog eens die vloek, het is een dooie, en ja, zeg ik, je hebt gelijk, ik zie het, het is mijn buurvrouw.
Ik wil het niet over ons huwelijk hebben, niet nu, en ook niet over de recessie.
Arnon Grunberg
Ze liep naar hem toe met een dronken traagheid, al vol van alles wat haar gebaar zou overhoophalen, dat gebaar dat de ordening van de levenden en de tijd zou omverwerpen, de eeuwen der eeuwen zou omverwerpen, de honderdjarige kastanjebomen, de stenen standbeelden, de zware stoelen de gevestigde opvattingen de geleerde lessen zou omverwerpen, ze kwam dichter bij haar gezicht dichter bij het zijne tijdens die eeuwigdurende seconde die stopgezette, tegenover dit wonder ingehouden seconden, die uitsluitend met z’n tweeën mogelijke, twee monden twee verlangens twee tongen twee gezichten tegenover elkaar het ene tegen het andere het ene op het andere de huid voor de eerste keer met de smaak van de huid van de ander de onbekende huid tegen haar nieuwe huid, een unieke eerste keer de eerste kus de enige de redder uniek samenspel eenwording smaak van het bloed en van het speeksel vorm van de tanden kracht van de tong verbazend heftige dikte van de tong smaak van de sigaar en de wijn, nieuwe smaak, de gladde tanden de opgewonden lippen de halfgeopende mond nauwelijks weer gesloten de mateloos volle lippen met volle teugen naar elkaar verlangen elkaar begeren elkaar antwoorden met de tanden met de tongen en talen het houdt nooit op dat de eerste kus altijd de eerste is de smaak van de eerste kus om te huilen onder de kastanjebomen om het niet meer koud te hebben om geen schaamte meer te voelen de eerste kus onverschillig voor de vorm van het lichaam van de ziel de verlatenheid de eerste kus altijd gelaafd altijd de eerste keer eindelijk kuste ze hem zijn blauwe wazig geworden ogen te dichtbij ondersteboven, trillende wimpers gesloten ogen haar blik in zijn mysterie zijn ogen half open een ontsnapt teruggenomen weggegeven gesloten blauw een knipperen van blauw en dan de nog verlegen trillende oogleden de kwetsbare huid van de oogleden de aarzeling de uitnodiging, eindelijk de eerste kus de eerste die je durfde nog altijd verbaasd eindelijk zijn gezicht in haar handen nemen het eindelijk in haar handen houden het eindelijk in haar handen dragen het begroeten het ontvangen het gezicht met het meisjeshaar het slecht geschoren gezicht het gezicht dat prikt het mannengezicht dat prikkelt in haar handen het eindelijk vasthouden elkaar proeven elkaar inademen ademen in de mond van de ander uitademen met het gezicht in haar handen de tong tegen het gehemelte de tanden de lippen de ademhaling van de eerste kus de ongelofelijke schaamteloosheid de wonderlijke indiscretie de onverwachte verkenning opeens dat gezicht in haar handen in haar mond haar neus tegen zijn neus vertrouwen hebben, met de hand langzaam langzaam de wang het hoge gladde jukbeen loslaten de beginnende baard loslaten, de hand in de nek durven, het hoofd van achteren vastpakken de vingers in het haar in de nek het fijne lange lange meisjeshaar, spelen het vastpakken eindeloos de hand plat in de nek de vorm van de schedel eindeloos.
Véronique Olmi, vertaling Truus Boot
Het opduiken van jonge kinderen ergens waar je ze niet verwacht, midden in de taal.
K. Schippers
Ik had heel lang schrijver willen worden maar het vele werk dat ermee gemoeid was had me altijd afgeschrokken.
James Hadley Chase
Natuurschoon zal geen van zijn problemen oplossen; en op dat ogenblik komt de serveerster en zet hun borden met walgelijk eten op tafel.
Kevin Canty
31 januari verzorgde BNG Nieuwe Literatuurprijswinnaar en Revisor-redacteur Jan van Mersbergen de eerste Revisorlunchlezing bij Spui25, over Vasteloavend, leedjes en Naar de overkant van de nacht. Registratie, in drie delen.
Onherroepelijk in de verdediging gedrongen, vastgelopen als een verbogen as in een beschadigde naaf. Ik kan de glibberige draai niet maken.
W.F. Hermans
Alwie een landschap zingend doorkruist zal het als kluizenaar van het heelal bewonen.
Simon Vestdijk