Een nieuw boek van A.F.Th. van der Heijden is iets om naar uit te kijken. Er zijn weinig schrijvers die een simpel verhaal kunnen uitrekken en verdiepen als hij, en wiens zinnen blijven rollen. Ik las De helleveeg, er viel me wat op, en ik bedacht een theorie. Over oppervlakkige eenvoud, gif en roerloosheid, en stukken vertelchocola.
Op 10 juni 2013 overleed Hans Groenewegen, een van de meest productieve en nauwgezette literatoren die Nederland rijk is geweest. Als lezer, als bezorger, beschouwer, dichter, denker, criticus, essayist, als gestreng en eerlijk collega en gespreksgenoot van velen, vervulde hij een belangrijke rol in de Nederlandse literatuur van de laatste decennia. Het is moeilijk een wereld zonder Hans voor te stellen. De redactie van De Revisor betreurt het verlies van een groot schrijver. Onze gedachten zijn bij zijn vrouw Anne Marijke en zijn kinderen en kleinkinderen.
In 2011 was ik een paar keer in Londen. De vertaling van mijn roman verscheen dat jaar als Tomorrow Pamplona bij Peirene Press. Uitgeefster Meike Ziervogel regelde een paar optredens op literaire avonden en in de Peirene Salon, gewoon bij haar thuis. Londen beviel me erg goed.
22 mei reageerde Arno Kramer op een Zin van Martin Reints, met een uitgebreide analyse van diens gedicht 'De snack die trekt'. Om die reactie recht te doen, en om alvast een voorproefje te nemen op de poëzie van Martin Reints in ons komende nummer, hernemen we zijn opmerkingen als volwaardige blogpost.
“Gedichten-op-muren, gedichten overal, behalve in boekenkasten, laat staan in hoofden van de mensen,” aldus Anton Korteweg. Ik moest daaraan denken toen de Nederlandse ambassade me halverwege het jaar in Berlijn meldde dat er op de gevel een gedicht zou komen, iets waar ik in mijn online column voor De Groene iets mee zou kunnen doen.
Je mail heeft me met enige vertraging bereikt, ik zit weer midden in mijn roman en de vloer van mijn schrijfkamer, en dan heb ik niets zinnigs te vertellen: ik heb me al dagen niet geschoren en mijn baard baart mij kopzorgen. ‘Schuurpapier,’ zegt mijn zoon als hij met zijn hand over mijn wangen gaat.
Echt. Door ons leuk te vinden, te delen, te bevrienden. Bart Koubaa heeft zijn gruwelijke New Yorkroman-met-een-staartje gesigneerd, en u kunt een exemplaar winnen. Op Facebook. Vrijdag 23 mei om 12.00 is de verloting gesloten.
Is het aan De Revisor te danken dat Gerbrand Bakker de Independent Foreign Fiction Prize 2013 won? Natuurlijk niet. Mischa Andriessen de J.C. Bloemprijs 2013? Nee. Dat Bernke Klein Zandvoort voor de C. Buddingh'-prijs genomineerd is? Al wat meer ja; ze debuteerde immers bij ons. Het is in ieder geval zeker dat zonder De Revisor er geen Jan Hanlo Essayprijs Klein voor mij, Daan Stoffelsen, zou zijn. Dit is mijn dankwoord, de uitgeschreven versie, met de achtergronden, de registratie van de avond, de trofee.
Ze kon haar tenen en haar knieën zien, minuscule luchtbelletjes aan elke afzonderlijke schaamhaar, een vreemde lichtbreking bij haar buik en onderarmen; alsof het onderlichaam van iemand anders was, niet goed paste.
Mowaffk Al-Sawad (Basra, 1971) is schrijver en kunstenaar. Hij publiceerde twee dichtbundels: Kort scenario voor een droom en Een middag wit als melk. In 2002 verscheen zijn roman Stemmen onder de zon.
We bieden onze abonnees tijdelijk grote fragmenten uit nieuwe boeken van auteurs die in De Revisor stonden: Laura Broekhuysen, Hans Groenewegen, Jan van Mersbergen, Daan Heerma van Voss, Victor Schiferli, Anton Valens, Bart Koubaa, Sanneke van Hassel en nu Revisordebutante Bernke Klein Zandvoort. We kozen een aantal gedichten uit haar debuutbundel Uitzicht is een afstand die zich omkeert, die bij Uitgeverij Querido te bestellen is. (Daar kunt u ook zien of uw boekhandel het op voorraad heeft.)
Hoe vind je houvast in een wereld waar alles caleidoscopisch beweegt? Waar huishoudelijke voorwerpen, land- en stadschappen, dieren en geluiden hun eigen gang blijven gaan? Door goed te kijken. Dat doet Bernke Klein Zandvoort. Soms dromen haar zinnen zich weg van wat concreet is, maar steeds keren ze weer terug naar straten, pleinen, en alle sporen die mensen daarin hebben achtergelaten. Ze houdt beelden en gedachten in de lucht tot er onvermijdelijk iets valt of ze wat morst.
Dat doe je niet, hè, nee dat doe ik niet, ik weet alles nog hoor, we hebben gelachen, hè, ja, we hebben vaak geweldig gelachen, dat ga ik onthouden, nu nog trouwens, ja, als je me maar aan het lachen maakt, weet je nog toen in de Johannes Vijghstraat, ja, ik weet alles nog, toen jij zei dat je gestopt was met roken, weet je nog, en gewoon een sigaret opstak, god ja, je was vergeten dat je ermee was gestopt, ja, en ik wist niet meer dat je gestopt was, wat hebben we gelachen en die avond met die krantenkoppen, godverdomme, we hebben ons kapotgelachen, ik heb nog nooit zo gelachen.
En op het politiebureau, god ja, op het politiebureau, jezus, wat was die agent de kluts kwijt, hij was bezopen, nee nee, hij dacht dat we van het Leger des Heils waren omdat we zongen, ja we zongen, op straat zingen, altijd ’s nachts, weet je nog?
En dat je me in dat café aftrok, niet aan de Oude Gracht, aan de Verwersdijk, gewoon aan de bar, jezus ja, maar ik kwam niet klaar, nee, je gleed bijna van de kruk, volgens mij zag de barkeeper het, hij zei niks, je was zo mooi, zo mooi, je was gewoon geil Vin, ik ben altijd geil op je geweest, weet je dat, je hebt de mooiste kut van de wereld, god jij, jij met je kut, ik hou van je, je moet zulke dingen niet zeggen, je kijkt te veel naar soapseries, toch hou ik van je, je moet me vergeten, ik ga je niet vergeten, doe nou maar je best me te vergeten, daar ga ik niet mijn best voor doen hoor, dat lijkt me niks, niet aan me denken, aan hoe ik er nu uitzie, waarom niet, je ziet er toch gewoon uit, neem nou maar een vriendin, die ene laatst, die van kantoor, hoe heet ze, die kwam bij je staan, ja maar die is gewoon getrouwd met Van Stoor, nou, wat maakt het uit, je hebt een keer verteld dat je op haar geilt, ja, maar niet zoals ik op jou geil, ze heeft mooie borsten, ja jezus, jij ook, ik had mooie borsten, je hebt mooie, ik had ze, zie je, nou lachen we weer, en dan kun je eindelijk naar San Francisco, naar Hitchcock, die is allang dood, ja, dat had je gedacht, ik ga niet naar San Francisco, ga nou maar, misschien leeft ze nog, hoe heette ze, Lee, ja, Lee, ga nou maar slapen, ja hoor, ga maar slapen, ja.
Ze verstopte zich achter haar hoed omdat ze het niet kon aanzien, Steegman, door vreemde ogen vastgepind op een oranje bank, Renée in zijn schoot, als een boek, een prachtig boek in een taal die hij plots niet meer begreep.
Hij werd er geen wijs uit, het straatrumoer had iets schelpachtigs, kalkachtig en leeg, als de buit aan schelpen op het strand als de zee zich teruggetrok ken heeft, een willekeurige verzameling loze resten. Het was moeilijk een coherente boodschap uit het rumoer te destilleren, behalve een eeuwenoud, geritualiseerd klagen scheen het hoegenaamd geen informatie te bevatten.
Paul Hermans (Maastricht, 1953) publiceerde gedichten in onder andere De Tweede Ronde, De Revisor en in het Nieuw Wereldtijdschrift. Hij debuteerde in 1995 met Een kern van oppervlakkigheid. Daarna verschenen de bundels Inhuizig (1995), Ademnis (1999), Achteruitwaarts Vliegen (2003), Hartschelp (2007) en Spraakdoorn (2010).
...en daar, waar ik was, en het was zomer en de zon schijnt maar ik voel geen warmte, en het land is daar, achter de huizen, en vanaf hier zie je het moeras, en de modder, en de meeuwen krijsen vanaf de kerktoren.
Zo gaan die dingen blijkbaar: ik maak ouder gewoonte een wandeling door het bos, het is laat in de herfst, de grond ligt vol gevallen blad, ik schop erdoorheen, stuit na de zoveelste trap op iets wat niet meegeeft, niet zozeer hard als wel zwaar, een zak zand of zoiets, trap nog eens, geen beweging in te krijgen, begin te graven, blad weg te schuiven althans, er komt een fietser aan op zo’n stoere terreinfiets met brede banden, vraagt of ik wat kwijt ben, nee, ik ben niks kwijt, ik zoek ook niks maar er ligt hier iets wat ik niet kan thuisbrengen, een volle zak of tas die iemand verloren moet hebben of vergeten, hij stapt af om me te helpen of alleen maar toe te kijken, gvd zegt hij, dat is niet iets maar iemand, kijk dan man, en nog eens die vloek, het is een dooie, en ja, zeg ik, je hebt gelijk, ik zie het, het is mijn buurvrouw.
Ze liep naar hem toe met een dronken traagheid, al vol van alles wat haar gebaar zou overhoophalen, dat gebaar dat de ordening van de levenden en de tijd zou omverwerpen, de eeuwen der eeuwen zou omverwerpen, de honderdjarige kastanjebomen, de stenen standbeelden, de zware stoelen de gevestigde opvattingen de geleerde lessen zou omverwerpen, ze kwam dichter bij haar gezicht dichter bij het zijne tijdens die eeuwigdurende seconde die stopgezette, tegenover dit wonder ingehouden seconden, die uitsluitend met z’n tweeën mogelijke, twee monden twee verlangens twee tongen twee gezichten tegenover elkaar het ene tegen het andere het ene op het andere de huid voor de eerste keer met de smaak van de huid van de ander de onbekende huid tegen haar nieuwe huid, een unieke eerste keer de eerste kus de enige de redder uniek samenspel eenwording smaak van het bloed en van het speeksel vorm van de tanden kracht van de tong verbazend heftige dikte van de tong smaak van de sigaar en de wijn, nieuwe smaak, de gladde tanden de opgewonden lippen de halfgeopende mond nauwelijks weer gesloten de mateloos volle lippen met volle teugen naar elkaar verlangen elkaar begeren elkaar antwoorden met de tanden met de tongen en talen het houdt nooit op dat de eerste kus altijd de eerste is de smaak van de eerste kus om te huilen onder de kastanjebomen om het niet meer koud te hebben om geen schaamte meer te voelen de eerste kus onverschillig voor de vorm van het lichaam van de ziel de verlatenheid de eerste kus altijd gelaafd altijd de eerste keer eindelijk kuste ze hem zijn blauwe wazig geworden ogen te dichtbij ondersteboven, trillende wimpers gesloten ogen haar blik in zijn mysterie zijn ogen half open een ontsnapt teruggenomen weggegeven gesloten blauw een knipperen van blauw en dan de nog verlegen trillende oogleden de kwetsbare huid van de oogleden de aarzeling de uitnodiging, eindelijk de eerste kus de eerste die je durfde nog altijd verbaasd eindelijk zijn gezicht in haar handen nemen het eindelijk in haar handen houden het eindelijk in haar handen dragen het begroeten het ontvangen het gezicht met het meisjeshaar het slecht geschoren gezicht het gezicht dat prikt het mannengezicht dat prikkelt in haar handen het eindelijk vasthouden elkaar proeven elkaar inademen ademen in de mond van de ander uitademen met het gezicht in haar handen de tong tegen het gehemelte de tanden de lippen de ademhaling van de eerste kus de ongelofelijke schaamteloosheid de wonderlijke indiscretie de onverwachte verkenning opeens dat gezicht in haar handen in haar mond haar neus tegen zijn neus vertrouwen hebben, met de hand langzaam langzaam de wang het hoge gladde jukbeen loslaten de beginnende baard loslaten, de hand in de nek durven, het hoofd van achteren vastpakken de vingers in het haar in de nek het fijne lange lange meisjeshaar, spelen het vastpakken eindeloos de hand plat in de nek de vorm van de schedel eindeloos.