De kraai en de messen

Het objectieve subject 4

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezing subjectief genieten? De vierde aflevering wordt midden in de Boekenweek geschreven. Honderdduizenden krijgen en lezen De kraai, een boekje dat genoemd is naar een bijfiguur, en Daan pakt Bart Koubaa's De leraar erbij, waar de hoofdpersoon wel zelf 'de kraai' is. Een volgende stap in het deelonderzoek 'Hoe personages je pakken' – of pikken.

De leraar begint met een parabel: 'Ik was een versleten vogelverschrikker waarop hij geruisloos was neergestreken. […] We zaten elkaar niet in de weg en hadden het goed tot hij met zijn gitzwarte snavel een stuk uit mijn hart pikte en met een paar doffe vleugelslagen verdween.' De vogelverschrikker voelt zijn naderende dood, maar vermant zich. 'De rollen waren nu omgekeerd; ik was degene met een snavel, ik had het voor het zeggen. Op mijn persoonlijke tijdlijn wordt die dag als “het voorval” gemarkeerd.'

In tegenstelling tot de traditionele wijsheidsleraren verklaart de kraai – want dat is de bijnaam van deze docent Nederlands op een Belgisch VMBO – de geschiedenis niet. Nu niet, later in het boek niet. En met stugge, gedesillusioneerde oorlogstaal wekt de 55-jarige leraar amper sympathie. Ik weet ook niet of ik me identificeer met dit personage, maar hij intrigeert me wel.

In de vorige aflevering ging ik op zoek naar hoe sympathie en identificatie werken, en toen al bleek, in Elmer Schönbergers Vuursteens vleugels, nieuwsgierigheid doorslaggevender te zijn dan hoe aardig een personage is. Sterker: onvoorspelbaarheid en onbetrouwbaarheid werken doorlezen in de hand. En inderdaad, net als in Vuursteens vleugels zijn we voor het verhaal in De leraar volledig afhankelijk van een hoofdpersoon die selectief en subjectief vertelt. Het is de opstelling van iemand die wat te verbergen heeft.

'Zelfs nu kost het me enige moeite iets over mezelf te vertellen. Toch zal ik u zeggen wie ik ben. Als het vuur goed brandt en ik een paar glazen heb gedronken, zal ik wel loskomen. Ik ken mezelf ondertussen al.'

Er zit licht tussen wat de man zegt en wat hij doen zal, maar hoe groot die kier zal worden, laat zich nog raden. Nee, dan de hoofdpersoon van Kader Abdolah's Boekenweekgeschenk, dat toevallig net zo'n nadrukkelijke verteller heeft:

'Ik moet bekennen dat ik de schrijver ben van het boek dat u zojuist in handen hebt gekregen, maar mijn naam is fictief. Zo heb ik geprobeerd om de makelaar in koffie en de schrijver uit elkaar te houden.
Sinds ik deze naam voor mezelf gekozen heb, kan ik in mijn geschriften het ware niet van het onware scheiden.
Soms vertel ik dingen waarvan ik twijfel of ze waar zijn, maar tot mijn verbazing komen ze geloofwaardige over dan de waarheid.'

Explicieter kan een verteller zich niet onbetrouwbaar dopen, en hoewel er daadwerkelijk fouten aan te wijzen zijn, is Abdolah's verteller, een vluchteling die het beroep van Droogstoppel en de akelig nobele inborst van Sjaalman in zich verenigt, juist slaapwekkend rechtdoorzee. Juist de toezegging door Koubaa's verteller dat hij wél de waarheid spreekt, maakt nieuwsgierig.

Nog eenmaal Abdolah's kraai. Zijn kraai is dus niet de hoofdpersoon, maar een vogel die getuige is van de gebeurtenissen toen en nu, daar en hier, een terugkerend element, zoals Abdolah eerder deed met de pruimen en de pruimenboom in De reis van de lege flessen. Zo losjes is het. Zijn hoofdpersoon is een simpele geest die stapels ongepubliceerde romanmanuscripten heeft geschreven, en zoete, prozaïsche herinneringen heeft:

'Haar oudere zus kwam en gooide druiven in de kruip. Ik wachtte. Een kraai landde naast de kuip en begon aan de druiven te pikken.
“Ga weg”, riep een meisje en iemand gooide een slipper naar de vogel.
Het was Leela! Zou mijn verbeelding waarheid worden? Ik hield mijn adem in.'

Ademt u nu maar weer uit. Het is over!

(Of: hoe zelfs 91 pagina's te veel kunnen zijn.)

Koubaa's leraar is minder lief dan Abdolah's koffiehandelaar. Ik schreef vorige aflevering over zeurpieten, zelfbeklagers, zure cynici – welnu, dit is er een. Hij maakt de grond gelijk met het onderwijssysteem, en vooral met elke illusie dat zijn leerlingen, meestal Turken en Marokkanen, hun sociale achterstand kunnen ontstijgen.

'Er is nog bitter weinig waarmee ik de leerlingen kan boeien. Het grootste deel schrijft en spreekt gebrekkig Nederlands en kan met moeite lezen. Ik toon nooit documentaires die ondertiteld zijn. Sinds de uitbreiding van Europa hoor ik meer en meer Engels in de klas, zo'n pseudo-Hollywoodtaaltje met veel fuck en shit en asshole en Angelina Jolie.'

Misschien moet je de grimmige, onderkoelde ironie van het introduceren van Angelina Jolie in de straattaal classificeren als onderdeel van dat onvoorspelbare, meerlagige personage dat intrigeert veeleer dan sympathie opwekt. Dit heeft niets meer met identificatie te maken, hier ontstaat iets waar je ver weg van wilt blijven. Maar je blijft kijken. In De leraar komt de doorslag, het moment waarop je verontrusting iets verslavends krijgt, op het moment dat de kraai zijn messencollectie catalogiseert:

'De set Japanse messen hangt ook nog altijd op dezelfde plaats. Naast een paar vlees- en uitbeenmessen van Duitse makelij heb ik een tiental jaar terug de gerenommeerde Wasabi-reeks met het typische asymmetrische lemmet van het samoeraizwaard aangeschaft.'

Om twee alinea's later voor het eerst te spreken over 'zijn' leerling. Er is dus één leerling waar hij zich wel bij betrokken voelt? En die komt bij hem thuis film kijken. Alleen?

Er zijn er voor minder ontslagen, maar is deze verdenking terecht? Doorlezen.

(Of: hoe, in een zwart-wit, donker bos, de keuze voor de cynische messenverzamelaar als gids gek genoeg de beste is – maar de queeste des te minder.)

Eén reactie

Jacobus Bos

Meer over kraaien? In mijn laatste dichtbundel (Veilig is het nergens) wemelt het van deze prachtige eigenzinnige vogels. Iets wat mij onlangs werd verweten in Poëziekrant 1/2011: “Het is een onheilspellende vogel door zijn lugubere gekras en door het feit dat hij zich voedt met dode dieren…”
7 maal telt de recensent een kraai in deze bundel!
In het volgende gedicht figureert dit fraaie dier in volle glorie:

Een lege kamer maar dan leger.
Licht flitst langs de wanden.
Schichtiger dan hagedissen.

Alsof alles nog van mij is.
Maar ik ben er niet meer.
Niets is er van mij over.

Geen bloed op de vloer.
Geen kreet in het behang gekrast.
Geen spoor van angst.

De boom voor het raam
vult de kamer met zijn schaduw
en een kraai die honend lacht.

Jacobus Bos, - 28-03-’11 16:32
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog