Archief: Souvenirs, genummerd VIII en X

Nu menigeen het einde van literaire tijdschriften aankondigt, kan het geen kwaad naar het begin te kijken. Dirk Ayelt Kooiman, een van de oprichters van Soma én van De Revisor opende het eerste nummer van dat tijdschrift, januari 1974, met twee prozastukken, 'Souvenirs, genummerd VIII en X'. Hij was in 1971 gedebuteerd met de verhalenbundel Manipulaties, zou in 1977 voor zijn roman De grote stilte (1975) de Van der Hoogtprijs ontvangen en brak in 1982 door met Montyn.

Maar nu deze twee verhalen, van gefnuikte verwachting en grootse pijnlijkheid, van brand en een glas sherry.

VIII. Uit de memoires van een mensenredder

Toen hij (de onbetekenende held van dit waargebeurde verhaal, 22 jaar, blond haar en blauwe ogen, middelmatig student in de geschiedenis, nooit iets meegemaakt maar kerngezond) eens op een regenachtige oktobermaand opkeek uit het op hinderlijk glanzend papier gedrukte standaardwerk (Ulrich Wilcken, Griechische Geschichte, 9., neu durchgesehene Auflage, München 1962) waarin hij sinds een dag of wat enkele, dubbele en zelfs hier en daar golvende potloodstrepen aanbracht, om een moment gedachteloos te turen uit het venster van zijn kille zolderkamer die aan de achterzijde van een huizenblok in een der buitenwijken van de stad gesitueerd was, drong het aanvankelijk helemaal niet tot hem door dat er iets ongebruikelijks te bespeuren viel. Zijn ogen registreerden wat zij gewend waren te zien — het schilderijtje in de gang dat men twintig keer per dag ziet zonder ernaar te kijken — , en verzuimden de afwijking van het gebruikelijke beeld door te geven aan hun opdrachtgever (pas na een paar minuten dringt het tot je door dat X zijn snor heeft afgeschoren). Dus wendde hij zich weer met een verveelde blik tot het boek, beet in het achtereinde van het potlood dat al doorweekt was en gelijkenis vertoonde met een kwast, overwegend om voor de zoveelste keer na te gaan hoeveel pagina's van het boek hij had afgelegd, hoeveel er nog te doen waren en welk deel het eerste uitmaakte van het tweede — tot een alarmerende zoemtoon in zijn geheugen, denkbeeldig maar onheilspellend genoeg, hem ingaf dat er iets niet in orde was. Verontrustende voorgevoelens van kortsluitingen en explosies. Hij keek achter zich: natuurlijk stond daar niemand. Hij wierp een schuwe blik op het butagasstel, de petroleumkachel. Onder de tafel. Hij raadpleegde zijn horloge. Iets over zevenen. Afspraak vergeten? Had geen afspraak. Tenslotte keek hij, in een gedachteloosheid die het verloren terrein terstond had heroverd, opnieuw naar buiten, om met een bijna geamuseerde verrastheid te kunnen konstateren dat een der daken aan de overzijde van het blok in brand stond. Jazeker! Daar brandde iets, een vuurtje, een brandje, zomaar op een dak, zomaar in de regen!
Merkwaardige aanblik: een felgele vlam, zo'n vijftig meter van hem vandaan, die oplekte en danste, weggespoeld leek te worden door de neerbuigende regen, maar dan weer verscheen en hoger opklom dan tevoren. Maar nog merkwaardiger kwamen hem de stilte en de duisternis voor, die als gewoonlijk op dat tijdstip heersten op de daken en in de schimmelige achtertuintjes. Niets wees immers op brand. Nergens werden lichten ontstoken of klonk een te verwachten rumoer van stemmen en het openen en sluiten van ramen en deuren. Kennelijk vergiste hij zich. Kennelijk was het gezichtsbedrog, dat vuur, een weerspiegeling van de maan in een plas water (maar er is helemaal geen maan — een soort vlammende lamp dan...). Zijn blik afwendend slaagde hij erin een benauwende ingeving van zich af te schudden. Maar toen hij even later, na aandachtig een sigaret te hebben gerold, opnieuw keek, was daar nog steeds datzelfde vuur, boosaardig flakkerend in de regen, terwijl nu zelfs de omliggende muren en schoorstenen oplichtten in het schijnsel — wat op niets anders dan een verheviging kon duiden — zodat er waarachtig niets anders opzat dan maar aan te nemen dat er werkelijk zoiets was als brand. Brand!
Er was dus brand en alles wees erop dat hij de enige was die ervan op de hoogte was. Hij was, met andere woorden, verplicht alarm te slaan, op z'n minst de brandweer te bellen, want ieder moment van uitstel kon gevaar voor have en goed en zelfs voor mensenlevens betekenen. Bovendien: het was bijzonder strafbaar, had hij eens van iemand gehoord, dit na te laten! In plotselinge besluitvaardigheid stond hij op van zijn bureau, de ogen genageld op het vuur. Ja, er moest iets gedaan worden, dat was zeker, dat stond vast. Uitstel kon fatale gevolgen hebben. Maar, bedacht hij, toch was het vooralsnog verstandiger eerst nog even rustig af te wachten of het vuur misschien uit zichzelf tot bedaren zou komen, door de regen of door gebrek aan brandstof of waardoor dan ook, voordat hij mensen zonder noodzaak en reden aan het schrikken zou maken en zichzelf wellicht belachelijk. Langzaam, steeds langzamer, telde hij tot vijfentwintig. Voor de zekerheid nog een keer tot tien... De situatie bleef ongewijzigd. Het vuur liet zich niet intimideren. Toen trok hij bezwaard zijn jas aan en daalde de trappen af naar buiten om de bewoners van het huis te waarschuwen — een telefoon bezat hij niet.
Terwijl hij met gestrekte rug en afgemeten passen voortliep (zo snel liet hij zich niet van de wijs brengen!), overwoog hij met welke bewoordingen hij zonder paniek te verwekken de urgentie van zijn boodschap aan zou kunnen geven. Hij sloeg de hoek om naar de straat die parallel liep met de zijde. Het brandweermaterieel, slangen en dwaallichten, opschudding en geroep die hij toch nog verwacht had ontbraken inderdaad: de straat lag er stil en nat bij. Bij een willekeurige deur, ter hoogte waarvan hij het bewuste dak vermoedde (vanaf de straatzijde was van het vuur niets te bespeuren), drukte hij op een willekeurige bel. Na enig wachten, waarbij hij zich zuchtend trachtte te concentreren op het beeld van de vlammen die eensklaps uitermate onwerkelijk en fantastisch leken, werd de deur op een kier geopend. De scherpe geur van kattebakken dreef naar buiten, een vrouw verscheen. Ze had een schort voor en krulspelden in het haar. Haar gezicht leek hem verwonderlijk plat, alsof ze voorhoofd, neus en kin gedrukt hield tegen een glasplaat. Ze nam hem wantrouwig op. Hij maakte op zijn tenen wippend een lichte buiging:
— Goedenavond mevrouw, zong hij. Neem mij niet kwalijk dat ik stoor. Maar ik woon aan de andere kant van het blok en nu meende ik te zien dat er iets brandde op uw dak...
— Wat? Wat? Wat zegt u? Waar woont u? Ze veegde haar handen zenuwachtig af aan haar schort. Hij herhaalde dat hij om de hoek woonde, verduidelijkte dat zijn raam uitzag op de achterzijde van haar woning, schetste een beeld van de vlammen.
— ...Kortom, een beginnende brand mevrouw... besloot hij, naar boven wijzend. Waarbij hij een lachje van voldoening niet kon onderdrukken: hij had wel voor hetere vuren gestaan.
— Nee hoor, dat kan niet, besliste de vrouw evenwel. Daar weet ik niks van. Ze maakte een afwerend gebaar en het leek erop of ze de deur wilde sluiten.— Dat kan toch niet? herhaalde ze nog eens, nadrukkelijk het hoofd schuddend.
— Intussen is er brand, mevrouw. Lijkt het u niet raadzaam om de brandweer te bellen, of tenminste eens te gaan kijken? Hij draaide zich resoluut om: — In ieder geval bent u nu gewaarschuwd. Maar nu greep de vrouw hem bij de arm. Haar blik was verhelderd. Het gewicht van zijn boodschap leek eindelijk tot haar door te dringen. Ze boog zich naar hem over:
— … De buren, fluisterde ze, schichtig naar boven kijkend. Dat zijn de buren weer, van 1-hoog! O, u kunt zich niet voorstellen hoeveel overlast we van die mensen ondervinden. Nu dit weer! Ze sloeg de handen in elkaar. Vervolgens werd hij ervan op de hoogte gebracht dat deze buurman nimmer werkte maar de hele dag op zijn bed lag, terwijl het hem onverschillig liet dat zijn kinderen — die er overigens in vodden bijliepen — tot diep in de nacht herrie trapten, hoe hij haar bovendien verschillende keren bepaalde voorstellen had gedaan waarop zij vanzelfsprekend nooit was ingegaan, terwijl klachten bij de huisbaas zinloos waren gebleken, want die was natuurlijk helemaal op hun hand omdat bij dat soort mensen de fles heel de dag op tafel pleegt te staan en had haar in haar gezicht uitgelachen.
Hij haalde zijn schouders op en deed een stap naar buiten.
Maar alweer hield de vrouw hem tegen:
— Wat? Wat zei u nou? Brand? Dat kan toch niet! Hoe moet dat nou? Mijn man is uit kaarten... U kunt toch niet zomaar weglopen.
Zo stond hij even later te wachten voor de deur van driehoog, die, was hem verzekerd, tevens toegang bood tot het dak. Burgerzin had plaatsgeruimd voor nieuwsgierigheid: hij was benieuwd naar het trappenhuis achter die deur, de bewoners, het interieur, en vooral naar de voortgang van dit lachwekkende proces, waarvan hij zich eensklaps verbeeldde het zichzelf voorspeld te hebben. Nogmaals drukte hij langdurig op de bel, zich herinnerend dat zijn moeder vroeger, wanneer belgerinkel langer aanhield dan normaal, altijd mompelde: nou zou, d'r lijkt wel brand! Juist toen hij tot de teleurstellende slotsom was gekomen dat er niemand thuis was, werd het licht op de trap ontstoken en eindelijk — was er werkelijk brand, dan had het huis al tot de fundamenten in de as moeten liggen — klonk een gestommel alsof iemand met een houten been naar beneden kwam. Een hoogst eigenaardig klokkenspel begeleidde het naderende rumoer. Het duurde lang. Het duurde zeer lang. Maar tenslotte werd een raampje in de deur geopend.
— Wie daar, wie daar?! riep een gebarsten stem. Hij rekte zich uit, maar kon achter het raampje niets onderscheiden dan een pluk grijs haar. Met stemverheffing maakte hij melding van zijn verontrustende ontdekking. Een rochelend hoesten was het enige antwoord. Meerdere sloten werden opengedraaid en knippen losgeschoven. De deur ging open. Een hoogbejaarde vrouw van grote afmetingen werd zichtbaar. Het hoofd schuin geheven taxeerde ze hem met één oog, zwaar leunend op een stok.
— Brand op 't dak! mevrouw, vatte hij nog maar eens luchtig samen. De gevolgen waren verschrikkelijk. Tot zijn ontzetting zag hij hoe de vrouw wankelde onder zijn woorden, ondanks de verontschuldigende toon waarmee hij ze had uitgesproken.
Het was of haar lichaam zich zijn vormeloosheid eensklaps bewust was geworden en haar voeten, die rechtstreeks en op willekeurige plaatsen in haar romp geplant leken, het in plotselinge verwarring over hun functie begaven.
— Brand? Brand?
— Brand mevrouw, bevestigde hij, zich bukkend om de stok op te rapen.
— O gottegot, o gottegot, daar heb je 't al... prevelde de vrouw.
Ze streek radeloos met haar vrije hand over haar voorhoofd, waar een gekompliceerd litteken onaangenaam zichtbaar was. Haar linkeroog was met pleisters aan het gezicht onttrokken. Naar adem happend beduidde ze hem binnen te komen. De sloten en schuiven werden haastig en met verbluffende handigheid gesloten, snuivend, mompelend, terwijl hij zich tegen de muur van het portaaltje drukte om vooral toch niet in aanraking te komen met dat lichaam.
— Ze hebben weer gebeld... o gottegot... ze hebben gebeld. Donderdag, zeiden ze. Donderdagavond om half acht, zeiden ze. De vrouw sprak fluisterend maar verwonderlijk snel:
— Ze zeiden dat ik er áán ging. Nu ga je er aan, zeiden ze. Ik vroeg: met wie spreek ik, met wie spreek ik? Dat zul je wel merken, zeiden ze. Donderdagavond. Ik zou er áán gaan, een invalide vrouw. O gottegot... wat moet ik nou beginnen. Ik heb geen rustig moment. Ik durf het licht niet uit te doen. Ik durf niet te slapen. Ik zit de hele nacht op...
— Wel, we zouden eens even op het dak kunnen kijken, stelde hij voor, hoewel het moeilijk voorstelbaar was dat dat een remedie kon zijn tegen deze kwaal. Een langdurige klim volgde.
Met behulp van stok en leuning diende zij zich tree voor tree omhoog te trekken en op te duwen, hierin niet weinig gehinderd door koorden die boven de treden gespannen waren en in verbinding stonden met de klokken en bellen van verschillende klank die haar afdaling zoëven hadden verlevendigd.
Toen ze eindelijk de zolderverdieping hadden bereikt, kon hij via een kamer die gedurende vele jaren niet aan verse lucht was blootgesteld (het behang was op verschillende plaatsen uit eigen beweging van de muur gevallen, er hing een bundel beschimmelde herenkleding aan een drooglijn) op het dak klimmen. Daar werd hem een schouwspel geboden dat hij wel het allerminst verwacht had en zelfs, hij constateerde het zelf met verbazing, een verwondering wekte als gold het een nooit eerder vertoond natuurverschijnsel: temidden van het geometrisch gekonstrueerde rotsmassief van de daken, de gestaag vallende regen, de stilte en duisternis, flakkerde vlak voor hem op het met grind bedekte platte dak onmiskenbaar een ijle vlam! Hij liep er op zijn tenen daartoe en stelde vast dat het vuur onderhouden werd door een tot grillige vorm gesmolten hoop teer. Roerloos staarde hij ernaar, vooral verbaasd dat een zo nietige vlam op een zo grote afstand zichtbaar was geweest. Hij wierp een blik op het verlichte venster aan de overzijde van het blok. Dat was zijn kamer.
— Wat is dat? Wat is dat? hoorde hij achter zich. De vrouw had zich uit het raam gebogen.
— Dat is vuur, mevrouw. Maar we zullen het doven. Terwijl hij het uittrapte herinnerde hij zich dat vroeger, een tiental jaren geleden moest het zijn geweest, een vriendje hem eens had gewezen op het bestaan van zogenaamd 'koudvuur', dat, hoewel het wel degelijk echt vuur was, de onbegrijpelijke eigenschap bezat dat men er zich niet aan kon branden. Naast het teer ontdekte hij nog de verkoolde huls van een luciferdoosje. Hij hurkte neer en bekeek het, voorzover het schaarse licht dat toeliet, nauwkeurig, als kon het leiden tot een minder argeloze aanstichter van het mysterie dan een buurjongetje (van 1-hoog) dat vermoedelijk al op dat tijdstip met een koptelefoon verscholen onder de dekens uit het weifelmoedige geruis van zijn kristalontvanger een werkelijk bestaand radioprogramma trachtte te distilleren.
— En dit wijst op brandstichting, mevrouw...
Nadat hij had vastgesteld dat het vuur afdoende gedoofd was, klom hij weer naar binnen. De vrouw had haar handen voor de ogen geslagen:
— O gottegot! Daar heb je 't. Een aanslag! Hoe moet dat nou? Hoe moet dat nou? Ik zal geen rustig moment meer hebben. Ik durf niet naar bed. Ik durf niet naar buiten. Laatst hebben ze me nog aangereden met hun auto, midden op straat, op klaarlichte dag... Nergens ben je veilig. Ze weten je overal te vinden! Hij stelde voor dan maar de politie te bellen, maar ze verzekerde hem dat dit niet alleen zinloos was, maar zelfs uitermate verwerpelijk, omdat tegenwoordig zelfs het politiekorps geïnfiltreerd was door ongure elementen die het op andermans leven en bezit gemunt hadden. Men kon niet voorzichtig genoeg zijn — ze had in het verleden al eens schandelijke ervaringen met de politie opgedaan.
— Maar u! riep ze. U! Hoe moet ik u bedanken! Wil ik misschien een kopje koffie voor u zetten?
Hij aksepteerde de uitnodiging gretig. Niet alleen voelde hij, met de gedachte dat de reeks van onverwachte gebeurtenissen en indrukken met zijn blussingswerk teneinde was gekomen, een knagende nostalgie in aantocht komen, zoals een vakantiedag al vervuld kan zijn van de weemoed die de herinnering eraan ooit zal verwekken, maar bovendien lokte de terugkeer naar zijn kamer en naar het studieboek (Ulrich Wilcken, Griechische Geschichte, 9., neu durchgesehene Auflage, München 1962) dat hem daar als een zwijgend maar onverbiddelijk rechter opwachtte, hem maar matig aan.
Even later zat hij in een huiskamer waar de pendule 40 jaar en 5 minuten achter bleek te lopen. Het middelpunt van het vertrek werd gevormd door een dominante, zwaargebeeldhouwde tafel, met een perzisch tapijtje gedekt. Een gepolitoerd buffet, een loonstandaard, een met franje gedecoreerde lamp, een diagonaal opgehangen batikdoek waarop een bronzen salamander — het waren de zichtbare komponenten van een atmosfeer die door de loeiende kolenhaard tot onverdraaglijk werd aangewakkerd. Een kurkdroge sigaret die terstond leegliep toen hij hem aanpakte werd hem aangeboden uit een pakje dat — hij betuigde met een hoofdknik zijn deelneming — nog aan de heer des huizes had toebehoord.
Toen gebeurde het.
Terwijl de vrouw naar de keuken liep en water in een ketel liet denderen, viel zijn oog (nog steeds doende met die geamuseerde rondgang) op een klein schilderijtje dat vlak voor hem, in een elegante houten standaard gevat, op tafel stond. Het was een voorbeeldig geschilderd portret van een jongeman die, half spottend half hooghartig, de beschouwer recht in de ogen keek. Hij pakte het op en bekeek het van alle kanten. Het was ongesigneerd maar moest, zo te zien, dateren uit de zeventiende eeuw. De zwierigheid waarmee de geplooide kleding was geschilderd deed denken aan Hals, de levende gezichtsuitdrukking in de eerste plaats aan het werk van Carel Fabritius, van wie het trouwens, te oordelen naar de gelaatstrekken, heel best een zelfportret zou kunnen zijn. Maar dan moest het een reproduktie zijn... Nee — en het zuur steeg hem in de mond — het was een origineel!
Met toenemende verbijstering ontdekte hij dat alle wanden van het vertrek nonchalant behangen waren met schilderijen. Dat ijsgezicht tegenover hem moest een Avercamp zijn. Het landschap ernaast leek op Ruysdael. Zijn adem stokte toen hij achter zich keek: een groot paneel waarop een bijbels tafereel dat zonder twijfel uit de Hoogmiddeleeuwen dateerde.
— Vindt u het aardig? informeerde de vrouw en zette de koffie voor hem neer. Met een zucht gaf hij het portretje, dat hij nog steeds in zijn hand bleek te houden, zijn oude plaats terug op tafel, mompelend dat hij het prachtig, werkelijk prachtig vond.
Hij probeerde zich in alle eerlijkheid af te vragen of hij nu meer gefrappeerd was door de schoonheid van deze schilderijen dan door hun ongetwijfeld peilloze waarde. Want wat hier bij elkaar hing moest tonnen waard zijn. En dit keer hing het niet in een museum onder het wakend oog van een suppoost die al een keer een blik van verstandhouding had gewisseld met zijn collega, maar, zonder dat iemand ervan scheen te weten, tegen het naargeestige behang van een etagewoning bij hem om de hoek.
— Mijn man kocht nog wel eens wat van die dingen, vóór de Eerste Wereldoorlog... maar dat is erg lang geleden, daar zult u wel niet van weten.
— Jawel hoor, bracht hij uit. Ik studeer geschiedenis moet u weten. Ik ben heel erg geïnteresseerd in dat soort dingen — ik hou er ook veel van...
— En dat? Hoe vindt u dat? Vindt u dat niet mooi? Ze wees op een verschoten reproduktie van het Hertje van Van Meegeren, dat een plaats naast de schoorsteenmantel had gekregen. Pas toen drong het tot hem door dat op de wanden de kostbaarder schilderijen en kitsch (Schaapherder Met Schapen Op De Hei, Zigeunermeisje Zich Badend) gelijke rechten hadden gekregen.
— Nou, maar ik zou dit toch prefereren, antwoordde hij buiten adem, wijzend naar het portietje. Hij begon aan alle kanten te gloeien... Vindt u dat mooi, vindt u dat ècht zo mooi?... dreunde het in hem. Ach, dan mag u het wel meenemen — maar pak het goed in want het regent — als u dat zo mooi vindt... als dank zullen we maar zeggen...
— Ja, daaraan ben ik ook erg gehecht.
Meer beschaamd om de kinderachtige wensdroom dan teleurgesteld, rolde hij het roomkleurige vlies dat hem van de koffie scheidde rond het lepeltje. Met een half oor luisterde hij naar de trage stem van de vrouw, die nu eens sprak van haar jaren tevoren overleden echtgenoot, dan weer, in steeds dezelfde bewoordingen, van de geheimzinnige stem die haar gewelddadige dood aankondigde en die ze niet anders dan in meervoudsvorm leek te kunnen aanduiden. Af en toe sloeg hij de ogen op, overwon zijn weerzin, en knikte haar toe: het lamplicht had een rauwe glans gelegd over de paarsige huid van het litteken dat zich uitstrekte van de neuswortel tot de slaap. Ze moest wel heel oud zijn.
Hij rekte zich eens uit en sloeg zijn benen over elkaar. Op de een of andere manier voelde hij zich wonderlijk vertrouwd met de situatie. Het was alsof hij er eens in een boek over gelezen had: dit vertrek, de schilderijen, die oude vrouw die toch niets meer aan het leven had, en hijzelf op deze plaats. En vanuit een uithoek van zijn geest spoorde iets hem aan, te zoeken naar een oplossing, naar een ontknoping die dan identiek zou moeten zijn met het vervolg van het boek dat hem ontschoten was. Waarbij er overigens nauwelijks twijfel over bestond dat hij die vrouw vermoorden zou en de schilderijen onder zijn arm zou meenemen.
— Wat zegt u? Hoe oud bent u? Ze hield haar hand achter haar oor. Het drong tot hem door dat ze die vraag al een paar keer herhaald had. Hij keek haar aan. Hoe oud zou ze zijn? Zeker ouder dan tachtig. Het was onvoorstelbaar dat in dit lichaam, opgeblazen en uitgedijd als een zwam, hetzelfde bewustzijn huisde als in het kind dat ook zij toch ooit geweest moest zijn.
— Tweeëntwintig, mevrouw, antwoordde hij automatisch, hoewel hij zich eensklaps moeilijk voor kon stellen dat dat getal werkelijk op hem betrekking had. Was hij dan al zo oud? Nog zo jong?
— Dan heeft u immers nog een heel leven voor de boeg. En u bent student? Hij knikte. Loerend door zijn oogharen telde hij de meesterwerkjes. Acht ervan leken hem veel moeite waard — dat Middeleeuwse paneel was wat aan de grote kant. Hij vroeg zich af of de vrouw bekend was met hun waarde. Het kon natuurlijk een eenvoudige verklaring opleveren voor haar achtervolgingswaan. Erg veel deed het er trouwens, wat hem betrof, niet toe. Belangrijker was dat de schilderijen waarschijnlijk niet geregistreerd waren en daardoor verkoopbaar. Terwijl die vrouw het niet erg ophad met de politie! Daar hield men haar natuurlijk voor idioot! Seniele paranoia! Aha! Mocht er, met andere woorden, ooit nog eens iets met die schilderijen van haar gebeuren, dan werd vermoedelijk niet eens haar aangifte serieus genomen. ('Ja hoor mevrouwtje, al die prachtige schilderijen weg, 't is vreselijk. Maar kijk toch eens, u heeft er nog een heleboel over!' hoorde hij de agent al sussend zeggen.)
De oude vrouw vertelde intussen dat haar zoon, die verongelukt was bij het bergbeklimmen, ook gestudeerd had. En haar man had in de thee gezeten. Ze had nog een neef en een achternicht, maar de een woonde in Wenen en de ander in Canada.
Het kostte haar de laatste jaren zoveel moeite om het huis op orde te houden. Hij moest maar niet letten op de rommel. De leveranciers bezorgden gelukkig thuis. Vroeger, toen ze nog aan de Keizersgracht woonde, had ze twee dienstboden gehad.
Het was allemaal heel lang geleden. — Nu eens schudde hij wellevend het hoofd, dan weer knikte hij.
Er begon zich een tweedeling te voltrekken in de situatie. De bodem spleet geruisloos uiteen. Er vertoonde zich een scheur, ja, zo was het, precies tussen zijn voeten. De scheur verbreedde zich gestaag. Zijn ene voet rustte links ervan, de andere rechts, zodat hij, als hij tenminste niet met stoel en al naar beneden wilde tuimelen, een snelle keus moest maken, snel moest overstappen op een der zijden. Immers, er waren twee mogelijkheden. Diefstal natuurlijk — dat was de eerste. En de tweede: moord. Moord? Dat woord leek nogal zwaar op de hand voor het duwtje, het nietige zitje, uit onhandigheid toegebracht als het ware, dat hier voldoende moest zijn. Dat kon men amper moord meer noemen. Iedereen zou trouwens, stelde hij helder vast, mits hij uit het goede hout gesneden was, op die wijze aan de omstandigheden beantwoorden, zoals hij ook in het geval van brand of onraad doeltreffend alarm wist te slaan. Nee, van moord kon men hier niet spreken, omdat de hele situatie er als een tijdbom op afgesteld was geweest vanaf het moment van zijn binnenkomst. De moord was in feite al gepléégd, en het zou misdadig zijn hem te verloochenen. — Maar natuurlijk kon men daar tegenin brengen dat het een nogal smakeloze en zelfs wat overbodige handelwijze was. Waarom een moord plegen wanneer diefstal voldoet? Was het niet veel eenvoudiger en even doeltreffend de vrouw op te sluiten in een kast? (Nee, dan moet ik haar de mond dichtbinden, dan moet ik haar aanraken!) Hoe dacht hij trouwens die schilderijen onopgemerkt thuis te krijgen. O, in een vuilnisbak. Maar waar ze voorlopig te laten? Hoe ze van de hand te doen? Dat zien we later wel weer. En die buurvrouw? Die buurvrouw, aan wie hij zo omslachtig had uitgelegd waar hij woonde! Was het dan maar niet het beste een selektie van de schilderijen gewoon open en bloot mee te nemen, de protesten van de vrouw botweg te negeren, zodat hij naderhand kon verklaren ze ten geschenke te hebben gekregen, omdat hij haar immers het leven had gered? Simpel, iets te simpel. Haar dan toch maar vermoorden? Hoe?
Steeds maar heen en weer springend moest hij het uiteindelijk stellen met slechts deze konklusie: dat zijn tijd verstreek. Er moesten snel stappen genomen worden, dat leed geen twijfel. Maar zijn hersens werkten traag, en hij liet zich vergenoegd afleiden door een exotisch verschiet. Het had iets te maken met beelden uit films en reklamefoto's voor buitenlands gedistilleerd. Roze villa's, zeegroene zwembaden, lampionverlichte terrassen, een tennisbaan — ja ik zal tennisles gaan nemen. Er kwamen dames in avondkleding in voor, oneindig rijp, très charmant, die lange filtersigaretten rookten. Faites vos jeux! Vliegreizen eersteklas. Zigeunermuziek. Het notenhouten bedieningspaneel van een automobiel. 'Ober, de wijnkaart!' Etcetera.
Alleen: eerst diende er nog iets te gebeuren.
Of hij nog koffie wilde, vroeg de vrouw. Hij staarde haar verdwaasd aan en schudde het hoofd, mompelend dat hij weer eens op moest stappen. Ze knikte. Maakte een gebaar dat hij nog even moest wachten. Zich met beide handen afzettend op de leuning van de stoel stond ze op. Ze liep achter hem langs, opende de deuren van het buffet en bukte zich. Wel verdomme! Ze bukte zich!
Het vervolg speelde zich razendsnel en geolied af, daverend over het spoor van de avond. Eén oogopslag legde een verbinding tussen de halfkale schedel die zich aanbood en de massieve, breedlachende asbak binnen handbereik. In een reflex griste hij hem van tafel, woog hem een ogenblik op de vlakke hand. Toen overkwam hem iets plechtigs: dit is een revolutie, een nieuw begin, alles gaat veranderen, weg met de middelmatigheid! Hij spande al zijn spieren om zich schrap te zetten tegen de te verwachten misselijkmakende klap — een beurse peer die uiteenspat op een muur. Ja! Hij kneep zijn ogen dicht, maar wist die blunder meteen te korrigeren... om te ontdekken dat het vormeloze lichaam bezig was zich weer omhoog te werken. (Het handvat breekt af en je valt achterover van de trap. De trein rijdt voor je ogen weg. De man die je groette was een ander.) Met een snelle beweging wist hij de asbak zijn oorspronkelijke plaats te hergeven. Handen over elkaar! Ook voor zichzelf was er geen uitvlucht meer mogelijk: hij had schandelijk gefaald.
— Als u studeert zult u wel van boeken houden, hoorde hij haar zeggen verachter een waas van rode vlekken. Hij knipperde met zijn ogen. Ze hield een boekje op dat hij zonder moeite herkende als het premiegeschenk van een boekenklub.
Een premie! Waardeloos! Volmaakt waardeloos!
— Natuurlijk mevrouw.
— Ik zal het u cadeau doen ter herinnering.
— Heel graag mevrouw. Bijzonder vriendelijk van u.
— Zal ik er iets inschrijven?
— Alstublieft, als dat zou kunnen...
— Ik zal het met potlood doen, dan kunt u het er altijd weer uitgummen.
— Dat is misschien het beste ja.
— Wat zal ik schrijven.
— Wat u wilt. Een paar woorden.
— In dankbare herinnering?
— Dat lijkt me uitstekend.
— Ik ben u werkelijk bijzonder dankbaar. Je treft dat soort dingen zo zelden meer.
— Het was me een genoegen u van dienst te zijn geweest.
Hij trok zijn jas aan en gaf haar een hand. Toen hij de trap afliep opende hij het boekje. Werkelijk, het stond er, in schoonschrift: In dankbare herinnering voor u weet wel.
Buiten was het nog steeds buiten. Een regenachtige oktoberavond. Er was weinig veranderd. Thuisgekomen, een wonderlijke leegte, wierp hij een blik uit het raam. Niets. De daken lagen er bij als gisteravond en morgenavond. Hij legde het boekje in de boekenkast. Hij ging achter zijn tafel zitten. Hij rolde een sigaret. Hij sleep een punt aan het potlood. Hij sloeg het boek open en zuchtte.
Zo was het gebeurd. Niet meer, maar ook niet minder. Toch heeft hij besloten dit verhaal maar verder te laten voor wat het is. Want niemand wilde hem geloven.

X. Het hele halve woord

Dus verplaatste ze haar blik van het bierviltje dat doorweekt en halfverkruimeld voor haar op de rand van de bar lag naar het nog onaangeroerde sherryglas. Het glas werd vervolgens tussen duim en wijsvinger geheven. Maar het gebaar (èn elastisch, èn sekuur) waarmee ze het naar haar in afwachting getuite lippen wilde brengen stokte halverwege — doorkruist door een andere beweging die de eerste deed vergeten: ze veegde een haarlok weg van haar ogen. Toen keek ze bijna onmerkbaar (maar niet onopgemerkt) zijwaarts in de richting van de deur die geopend was en weer met een korte klik dichtgevallen. Het bruine gordijn dat een voorportaal vormde naar het café bolde op, werd opzijgeduwd, week terug. Een man kwam binnen. Hij droeg een opvallend donkerblauw kostuum.
Kon het te maken hebben gehad juist met die gedempte klik, amper hoorbaar boven het schrale gedreun van de jukebox en het geroezemoes van stemmen, eerder nog dan met het binnenkomen zèlf van de man die, de handen in de zakken, intussen nog steeds bij de deur stond en haar, meende ze, nog wel niet gezien zou hebben? Want de ene flits waarin ze hem zag — zoals hij het gordijn wegduwde en een energieke stap naar voren deed — was voldoende geweest om haar de gelegenheid te geven zijn verschijning tot in de kleinigheden te registreren (iedere piek van zijn lange, zwarte haar afzonderlijk afgetekend, de kreukels in zijn overhemd, een pukkeltje in zijn hals). Het geluid van de dichtvallende deur moest een minutieus beeld uit haar geheugen hebben losgemaakt, dat in die fractie de tijd gevonden had bevestigd te worden. Alsof die klik wel noodzakelijkerwijze moest corresponderen met déze man, en alsof dat dan op de koop toe voor alles een verklaring kon geven — zelfs voor het feit dat het alweer twee maanden geleden was dat ze hem voor het eerst en het laatst gezien had. Een tweede, nog vluchtiger blik, ter verifikatie geworpen, onderstreepte ten overvloede dat het wáár was, dat hij het werkelijk was, en nog steeds bij de deur stond, glimlachend, buigend, handenwrijvend, alsof hijzelf zich verheugde in de aangename verrassing die zijn tegenwoordigheid wel voor de aanwezigen moest betekenen.
Waarbij het glas, dat nog steeds zijn baan naar haar mond niet had vervolgd, bijna onmerkbaar (maar niet onopgemerkt) tussen haar vingers trilde.
Hij was pezig en kort van stuk, deze man, van een moeilijk te schatten leeftijd tussen de 30 en de 45, met opvallend grote, donkere ogen in een benig gezicht dat overheerst werd door een haviksneus. Hij bewoog zich met bestudeerde lenigheid, rookte zijn zware sigaretten met een bestudeerde koncentratie, kon zijn lippen op een uiterst weloverwogen wijze likken en zijn baard van drie dagen leek een permanent attribuut te zijn dat een dagelijks en zorgvuldig onderhoud genoot.
Ze had hem in datzelfde café ontmoet, in het vroege lusteloze stadium van een doorgewerkte avond die voor niets dan verveling geschapen leek te zijn. Waarschijnlijk had hij die avond op precies dezelfde manier entree gemaakt als dit keer, maar ze had hem pas opgemerkt toen hij naast haar was komen zitten.
('Deze plaats wàs toch vrij?' 'Dat blijkt'. '... Zoals ik al dacht'.) Hij had een onaantastbaar zelfvertrouwen uitgestraald, een superioriteit, maar dan niet in de gebruikelijke zin: alsof hij namelijk superieur was aan zichzelf, niet gehinderd werd door zijn eigen zwaartekracht. Dat maakte hem — ze had er niet aan kunnen ontkomen — tot een comfortabele gesprekspartner. Men kon zich spiegelen in zijn zelfbewustzijn, zich koesteren in zijn zekerheid. Weliswaar had zijn kleding, het meest opzichtige onderdeel van het 'bestudeerde' dat de basis vormde van zijn zelfvertrouwen, haar enigszins geïrriteerd, dat donkerblauwe kostuum met name, dat een gemiddeld maandsalaris gekost moest hebben en door hem bejegend werd als was het een zakdoek, maar aan de andere kant was het juist deze overdrijving — de versleten tennisschoenen die hij ermee gekombineerd had — waarmee hij haar wist te vertederen: alsof hij zichzelf parodieerde — wat vermoedelijk niet het geval was. Ze had die avond voor haar doen tamelijk veel gedronken, ze hadden gepraat, etcetera. Het viel niet te ontkennen dat hij geestig en charmant was. En de nonchalance waarmee hij bij het afrekenen een bankbiljet van het stapeltje pelde dat hij door een elastiekje bijeengehouden los in zijn zak droeg was beslist overtuigend en aanbiddelijk. Ze waren nog in andere café's geweest. Etcetera. Hij zou haar nog wel even thuis brengen. Etcetera. Het bekende verhaal: hij naderde stapje voor stapje zijn doel, en zij slaagde er niet in die vermaarde lijn te trekken tussen wat ze wèl wilde en zelfs best leuk vond en wat ze eigenlijk helemaal niet wilde. Ze wilde ook niet onbeleefd zijn.
Eigenlijk was het natuurlijk de moeite niet waard. Niets om je druk over te maken. Het oude liedje. Ze had zich, als gewoonlijk, een moment gegeneerd gevoeld toen hij, deze vreemde, haar appartement binnentrad: de toonkamers van een individualiteit en van een verleden waaraan hij part noch deel had. Zonder omhaal hadden ze zich uitgekleed. Zonder omhaal etcetera. Hij was een goede minnaar — goed, maar bestudeerd. Zijn ogen had hij geen ogenblik gesloten. (Eigenlijk niets om je druk over te maken.) Ze hadden nog even een sigaret gerookt, en vervolgens was hij opgestaan om zich zorgvuldig aan te kleden. Waarbij dat blauwe pak haar steeds meer was gaan tegenstaan. (De knoop die bij het bukken van zijn colbert geschoten was en weggerold had ze weken later onder haar bed teruggevonden.) Eigenlijk niets om je druk over te maken. Niets, behalve dit misschien; dat hij zonder haar aan te kijken gezegd had 'we zien elkaar nog wel eens' (had dan maar niets gezegd), dat hij zonder meer naar de voordeur was gelopen (hij had althans even kunnen omkijken), dat hij de deur heel voorzichtig had geopend en heel zacht achter zich gesloten (heimelijk, als een echtgenoot die zijn vrouw slapend weet en nog even een nachtcafé gaat bezoeken). De gedempte klik van het slot was het signaal geweest: eensklaps had ze zich nogal ellendig gevoeld, eenzaam, volledig ondergeschikt gemaakt aan wat eigenlijk niets te betekenen heeft.
Zodat ze resoluut het sherryglas terugzette op de bar, zich oprichtte en zei: — Laten we gaan.
Toen ze zich in haar jas liet helpen viel het op dat ze iets in haar gesloten handpalm hield. Het bleek, toen ze het hem met een vies gezicht overhandigde, een knoop te zijn. ('Dit was je nog vergeten '.)
Ik heb de man in het voorbijgaan maar een knipoog gegeven. Met dit soort dingen kun je niet voorzichtig genoeg zijn.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog