, 18 December 2011

Archief: Voorwoord

In het dossiernummer 5/6 van 1997 vroeg de toenmalige redactie van De Revisor (Groot, 't Hart, Mertens) aan een groot aantal auteurs naar hun visie op hun literaire toekomst. We herpubliceerden eerder Esther Jansma's stuk uit dat nummer, bij gelegenheid van haar rentrée in ons tijdschrift, nu hernemen we uit het archief Hester Knibbes bijdrage, 'Voorwoord'.

Knibbe draagt aan het komende nummer van De Revisor zes gedichten bij, onder de titel 'Pro domo'.

Nadat ik via mijn schoolagenda werd overrompeld door de Nederlandse poëzie, was mijn grootste wens een gedichtenbundel. Ik kreeg hem voor m'n verjaardag: een groene, gebonden bloemlezing Dichters van deze tijd. Hoewel 'van deze tijd', zagen de namen die erin stonden er voor mij fossiel uit. Ik rekende mezelf niet tot hun tijd: ik was jonger, ik was van de toekomende tijd. Niet hun namen interesseerden me, maar hun poëzie: die was van alle tijden, ook van de mijne.

Mij realiserend behalve een mens van nu een kind van het verleden te zijn, het kind van voorgaande dichters, vissers, mattenvlechters en tempelbouwers, probeer ik het DNA van hun leven te ontcijferen om het mijne te leren spellen. Ook in het verleden had de mens de toekomst, en wie de toekomst heeft, heeft oorlog en vrede, het prozaïsche en het poëtische in alle gradaties en varianten. Door de eeuwen heen heeft wie wat te zeggen had, al die zaken die het hart en het lijf raken, trachten te verwoorden in tongen en tekens van het eigen uur. Zo ontstond poëzie dansend rond de geringste vreugde, het kleinste verdriet en poëzie vuurtrappend door een wereldbrand. Lyriek in gala, in vodden of met de billen bloot. Verzen die zich op bergschoenen omhoog zwoegen of afdalen. Honkvaste en reislustige regels, gedichten ter wille van het plezier van het gedicht of ter wille van het protest, het gefluister, het geschetter. Kortom, zo ontstonden vorm én vent: poëzie uit stof en mens gemaakt.

Alleen wat uit de mens is, zal tot de mens wederkeren: l'homme pour l'art pour l'homme. Een dichter moet dichten zoals een visser vist, een mattenvlechter een korf vormt, een tempelbouwer een onderkomen voor de ziel creëert: met zijn bestaan. Dat is een wet van alle tijden en windstreken. Zowel thuis als op reis kan men de uithoeken van de eigen geest verkennen om zichzelf en de ander te leren vernemen. Wie zo in zichzelf durft te wonen, weet in het meest individuele de onderkomens van het universele te laten meeklinken, emotie en chaos te sublimeren tot leesbare tekens en proporties. In een samenleving die op weg is naar een toekomst op en rondom de aardbol, besta ik. In een gemeenschap die is afgestemd op alle lengte- en breedtegraden van het menselijke, die haar rijkdom aan uitdrukkingswijzen en klanken koestert, wil ik bestaan. Te midden van die lyrische veelstemmigheid wil ik de poëzie schrijven die mij op het lijf geschreven is.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog