, 02 Februari 2012

Archief: Beer en Jager

Afgelopen maandag overleed Doeschka Meijsing (1947-2012). Ze droeg zeer actief bij aan dit tijdschrift in de beginjaren ervan, maar deze archiefvondst is uit 1985 (nummer 5), een fragment dat later zou terugkomen in Meijsings boek Beer en Jager (1988).

Dit is het eerste verhaal over Beer en Jager

Er was eens een Beer die veel sliep, maar toch alles zag. Hij zag hoe de mensen hun schoenen vast strikten en hij zag hoe de mieren met suikerklontjes rondsjouwden en dat de wolken nooit langer dan dertig seconden dezelfde samenstelling hadden.
Op een mooie dag in de maand januari sloeg hij zijn ogen op en met die langzame blik van hem, zag hij dat een nieuw jaar was begonnen en dat het tijd voor hem werd eens uit stappen te gaan. Hij boende zijn vel net zolang tot het een beetje begon te knisperen en te glanzen. Hij poetste de slaap uit zijn ogen en toen liep hij door de duinen over het verende mos naar de boshut, waar veel andere dieren waren. Er was daar een tapkast die precies groot genoeg was voor Beer om op te leunen. Dus nam hij de leunhouding aan en bestelde een glas honingwijn.
Dat smaakte. Hij vond dat een goed jaar was begonnen. 'Cheerio,' zei hij tegen de hazenfamilie die een luid gesprek aan het voeren was - en ze keken even op en hieven hun glas, maar hun discussie werd er niet echt voor onderbroken - toen Jager binnenkwam.
Beer zag wel hoe hij eruit zag, Jager. Hij droeg groene kousen met rode kwastjes om zijn kuiten en zijn hoed stond scheef op zijn hoofd, in de rand er van was een fazantenveer gestoken. Beer sloot even zijn ogen, sliep bijna weer in, maar herinnerde zich juist op tijd dat er een nieuw jaar was begonnen. Hij trok zijn oogleden weer op, loensde een beetje naar Jager en zei: 'Hallo, Jager!'
'Ja,' zei Jager en hij blies eens in de loop van het geweer dat hij tegen de tapkast neerzette, 'ik was juist naar je op zoek.' Hij bestelde een glas thee met rum en zei: 'Je hebt lang genoeg geslapen, maar ze zeiden dat ik je hier kon vinden. Hoe was je slaap? '
'O,' zei Beer, 'goed dit jaar. Er waren veel dingen die ik droomde en er zit deze keer weinig vergetensachtig bij, dus ik heb er nog een hele klus aan. Maar dat zien we wel weer. Ik ben namelijk net wakker.'
'Nou ja,' zei Jager, 'Je moet maar zien. Misschien werpt het zijn nut nog allemaal af.' Intussen keek hij scherp naar Beer. Hij zag hoe Beer zijn oogleden telkens als gordijntjes liet zakken en ze zo nu en dan even optilde om rond te kijken. Hij had zo'n zin in Beer dat hij nog een thee bestelde, met citroen dit keer, om het verlangen af te leren.
'Wat,' vroeg Beer, 'is precies de bedoeling?'
'Tsja, ik weet niet,' zei Jager en hij blies van verlegenheid nog een keer in de loop van zijn geweer. 'Me dunkt dat we even een wandeling kunnen gaan maken. Ik bedoel, het is ons soort weer en wellicht kun jij dan voor mij uit lopen en doen of ik op jacht ben naar je.'
'In orde,' zei Beer. Maar hij bestelde eerst nog even een honingwijn en keek nog even slaperig rond naar de hazenfamilie, want hij voelde wel dat er heel wat op het spel stond met Jager, die het ook niet makkelijk leek te hebben. Toen dronk hij in een teug zijn glas leeg en zei 'vooruit' en dat ze maar eens moesten gaan.
Beer liep met zachte poten over het mos in de duinen en Jager rechtte zijn hoed en liep met zijn geweer achter Beer aan en keek naar de brede achterpoten van Beer en vond het eigenlijk wel gezellig en jammer dat hij zijn geweer mee moest nemen. Maar ja, hij was nu eenmaal Jager en hem was nu eenmaal gevraagd Beer te schieten, omdat Beer de hebbelijkheid had om mensen zo hard te omarmen dat hij ze dooddrukte.
Beer intussen liep zo verend over het mos dat hij er helemaal verrukt van werd. Hij voelde dat hij dit keer wakker was geworden om maar heel kort te leven, maar het kon hem op de een of andere manier niet meer schelen. 'Wat vind je? riep hij tegen de dennebomen in de duinen die naar de zee leidden, 'Beer of geen Beer?' 'Beer, Beer,' fluisterden de dennebomen, maar daar moet je niet teveel waarde aan hechten, want dennebomen zijn als papegaaien - ze zeggen wat je wilt dat ze zeggen.
'Goed,' besloot Beer en hij hield halt op een duintop die op zee uitkeek, waar veel ijsriffen lagen. 'Hier dan maar?' 'Mooie plek,' zei Jager  zakelijk. Beer zakte door zijn poten en ging zitten. 'Doe maar,' zei hij, 'Ik heb lang genoeg geslapen. En die hazenfamilie - daar ben ik ook op uitgekeken.'
'Nou ja,' zei Jager en hij zette zijn geweer in het zand. 'Als ik er goed over nadenk, kan het ook wel volgend jaar,' 'Volgend jaar dan maar?' zei Beer die alweer slaperig begon te worden. 'Ik vind het best,' zei Jager  en toonde plotseling erg veel interesse voor de zee. 'Maar wat is er volgend jaar?' vroeg hij.
'Weet ik veel,' zei Beer en tikte met een lome poot de hoed van Jagers hoofd, omdat hij dan kon zien hoe vrolijk het zwarte haar van Jager overeind stond.
'Hoe moe ben jij eigenlijk?' vroeg Beer nog, maar hij kreeg geen antwoord, want Jager lag al te slapen in de duinpan en Beer legde zich naast hem neer.

Dit is het tweede verhaal over Beer en Jager

Op een dag zat Beer onder een zilverspar te denken wat hij eigenlijk wilde gaan doen. Het rook overal naar zout en zee, zodat het helemaal niet nodig was iets te ondernemen, maar Beer had een onrustig gevoel over zich. Hij wist dat het beter voor hem zou aflopen als hij rustig bleef zitten, zo'n beetje met een warme duinheuvel in zijn rug, maar zijn vel zat te ongedurig om hem heen. Het leek hem een goed moment om Jager op te zoeken. Hij kwam overeind uit de luie houding en liep in gedachten over het grindpad langs de berkenvijver.
Daar hield hij stil om een slokje water te drinken. Een slokje water was het aangenaamste wat hij zich op dit moment kon voorstellen. Toen hij zich voorover boog naar het gladde oppervlak van de berkenvijver, zag hij plotseling een andere Beer.
'Hé beer!' riep hij blij verrast, jij ook hier? Zin in een potje rolschaatsen?' Beer had het idee dat je voortreffelijk over de paden door de duinen op rolschaatsen kon gaan, omdat je dan bijna niets hoefde te doen om van duintop naar duintop te komen en de zee van steeds andere vergezichten te zien. Als hij liep kwamen er zoveel gedachten in zijn kop dat hij er langzamer van ging lopen en tenslotte bij een mosveldje op de grond ging liggen slapen. Veel denken maakte hem slaperig.
'Hé Beer!' riep hij nog eens tegen de andere Beer. Maar, hoewel de andere Beer eerst even enthousiast had geleken als hij zichzelf voelde, was het al gauw duidelljk dat de ander van het voorstel afzag. Het gezicht van de andere Beer werd treurig en nog treuriger. 'Geeft niet,' zei Beer met enige moeite. 'Weet je? Ik heb niet eens rolschaatsen. lk zou ze voor mijn verjaardag hebben gekregen van mijn grootvader - ik spreek nu van een tijdje terug - maar die stierf aan de ijsberenziekte. Dat is als je het ineens heel koud krijgt. Soms gebeurt dat. Soms ook niet.' Beer knikte en de andere Beer knikte ernstig terug. Zodat ze toch nog als goede vrienden uit elkaar gingen. Maar niet dan nadat Beer nog even een slokje had genomen en heel dicht bij de andere Beer zijn gezicht was gekomen.
Beer liep verder langs de kale elzen waar de middagzon op scheen. Halverwege de afstand tussen hem en 'De Orebeet' waar Jager woonde, hield hij halt om zijn voetzolen te inspekteren. Hij wilde zijn ene voet op zijn andere knie leggen en tuimelde achterover. Hij deed geen moeite om overeind te komen en bleef maar een beetje liggen. Hij krulde zich op zijn zij. 'Jager,' zei hij tegen het sprietige gras, 'Jager, waarom kunnen we niet eens een goed gesprek hebben? Zojuist sprak ik nog de andere Beer, maar die is toch van de zwijgzame kant. Ik bedoel, jij en ik, wat is er op tegen?' Die laatste vraag was zo ingewikkeld dat Beer zijn hoofd op zijn poten legde en in slaap viel.
Jager intussen had zich van zijn beste kant laten zien. Althans, zo dacht hij er zelf over. Hij had zijn huisje aan kant gemaakt en een keukenla die al sinds de herfst van het vorige jaar klemde, met boter besmeerd, zodat het allemaal weer lekker gleed. En toen had hij achter in de la een sandelhouten doosje gevonden met drie kogels er in, van een metaligblauwe kleur. Jager hield van blauw. Daarin onderscheidde hij zich van familie en kennissen die kleuren van ondergeschikt belang vonden.
Omdat het nog ver vóór het middageten was, laadde Jager vol goede moed zijn geweer met de blauwe kogels en trok er op uit. Er stond een schraal windje dat de tranen in de ooghoeken bracht. Maar Jager wist dat hij niets had om over te huilen - zijn huisje was op orde; zijn knieën waren sterk - en zo stapte hij van duinpan naar duinpan. Bij het zevenendertigste duin zag hij beneden zich Beer liggen. Daar slaapt Beer, zei hij hardop in de hoop dat Beer hem zou horen en zich uit de voeten zou maken. Maar de wind van de zee stond in de verkeerde hoek en de drie woorden werden opgevangen door het helmgras achter hem en door een oude stronk hout, waarvan het bekend is dat er geen gedachten in zitten.
Terwijl Jager zijn geweer aanlegde dacht hij zonder na te denken aan zijn grootvader, die ook Jager was geweest en op een dinsdagavond tegen hem gezegd had: Jongen, wat je wilt doet er niet toe, áls je maar wilt. Dat is het! dacht Jager en hij schoot twee kogels af. Een links van Beers hoofd en een rechts ervan. Beer droomde dat er links en rechts van hem een bremstruik in vliegende vaart in bloei schoot en schoot wakker. Hij ging rechtop zitten en wiegde zijn slaperig hoofd tussen zijn poten.
'Jager,' zei hij verbaasd, 'ik was juist op weg naar je toe.'
'Het gekke van de situatie is,' zei Jager, terwijl hij van het duin naar beneden daalde en zijn voeten voor het eerst die dag vol zwaar zand raakten, 'dat ik nog maar één kogel heb voordat ik aan het middageten moet.'
'Laat zien,' zei Beer. Jager ontregelde zijn geweer en liet de derde blauwe kogel in Beers poot glijden.
'Je moet nieuwe hebben ,' zei Beer hoofdschuddend.
'Deze zijn nog van voor de oorlog. Je moet een brief schrijven dat ze je nieuwe sturen.' Jager nam zich dat voor. 'Intussen,' zei hij, 'vroeg ik me af of je ook mij zou kunnen dooddrukken.'
'Makkelijk,' zei Beer geeuwend, 'makkelijk. Wil je mijn geschiedenis horen?'

Dit is het derde verhaal van Beer en Jager

(van toen ze in de duinpan lagen en het middagmaal oversloegen)

De Middagzon was net over zijn hoogtepunt heen, maar de ijsriffen in de zee waren nog geen honderdste van een millimeter gekrompen. Dat was gek, dacht Beer. Soms kon hij zeer lang naar iets kijken zonder dat er iets veranderde. Maar als hij eens zijn ogen sloot en ze weer opende, bleek er niets meer hetzelfde te zijn. Het moest aan zijn ogen liggen; die waren niet in staat in geopende toestand de wereld er anders te laten uitzien. Hij vroeg zich af of Jager er ook zo over dacht, maar hoedde zich ervoor het hem te vragen, want van de filosofische gedachtenwisseling tussen hen in het verleden, was hem bijgebleven dat Jager altijd met de woorden van verre ooms aankwam, die Beer nooit ontmoet had en ook niet wilde leren kennen. Beers wantrouwen was slapende, maar groot.
Beer probeerde zich te bepalen tot de vraag die Jager hem gesteld had en die Jager opnieuw moest stellen, omdat Beer in slaap dreigde te vallen.
'Blijf toch eens wakker,' riep Jager wanhopig, 'er valt op jou toch niet bejagen als je steeds in slaap valt? Je zou me je geschiedenis vertellen.'
'Dat is de geschiedenis van een ander eiland,' zei Beer, 'daar heb je niet zoveel aan.'
'Jawel, jawel,' zei Jager die gretig was naar wat elders gebeurde, omdat hij zich, in tegenstelling tot hoe hij zich voordeed, altijd verveelde. Dat durfde hij nooit iemand te zeggen, maar het was wel zijn waarheid en hoe ouder hij werd, hoe sterker het vermoeden in hem groeide dat dit nu was wat men een tragisch lot noemde. Altijd moest hij er met zijn geweer op uit om nieuwe slachtoffers te zoeken. Maar sinds Beer op het eiland was gekomen, had Jager het idee dat er iets aan het veranderen was in zijn manier van zich vervelen. Hij was, had hij op een avond om kwart voor elf vastgesteld, nieuwsgierig geworden. Naar Beer.
Hij had Beer voor het eerst ontmoet in de Boshut en hem onmiddellijk laten weten dat hij was aangesteld om jacht op hem te maken. Van hogerhand, had hij gezegd en voor de eerste keer in zijn leven had hij zich voor die formulering waar hij altijd zo trots op was, geschaamd.
'In orde,' had Beer gebromd en toen hadden ze de avond in de Boshut nog heel genoeglijk samen doorgebracht, waarbij Jager veel te veel gepraat had, omdat dat hem de gelegenheid gaf zijn ogen niet van Beer af te houden.
En Beer was dronken geworden. Eerst heel vrolijk dronken, zodat Jager zijn buik vast moest houden van het lachen om wat Beer zei. Toen Beer begon om te vallen - hij tuimelde en tuimelde - had Jager Beer bij hem in de Orebeet laten slapen en de volgende morgen had hij eieren met spek voor hem gebakken met de woorden: 'Je bent hier niet geweest, er is niets tussen ons voorgevallen - en nu moet je gaan.' En Beer was de duinen ingelopen en had zich de hele winter niet laten zien. Waar zou Beer zitten? had Jager zich vaak afgevraagd, maar hij had zichzelf flink toegesproken en was begonnen aan het dagelijks werk, wat hij voor zichzelf een verantwoordelijke plicht noemde. Nu hij en Beer weer samen waren had hij het daar moeilijk mee.
Hij moest eerst maar eens de geschiedenis horen van het andere eiland, vond hij.
'Tsja,' zei Beer, 'ik weet niet of ik het hele verhaal tot een goed einde brengen kan, want het is een lang verhaal. Maar ik kan de moeite nemen om te beginnen en dan zien wat er van komt. Er was op het andere eiland iemand anders.'
Toen Beer dat gezegd had vond hij zelf dat hij zijn hele geschiedenis in één zin verteld had en dat leverde zowel een gevoel van tevredenheid op om de prestatie als een grote treurigheid omdat zijn lange verleden zo snel verteld kon worden. Hij wilde het liefst maar gauw in slaap vallen en wiegde zichzelf zachtjes heen en weer.
Jager begreep dat Beer het even niet makkelijk had en tegelijkertijd wilde hij veel meer horen dan wat Beer als het definitieve verhaal van zijn geschiedenis beschouwde. Hij nam het initiatief door een informatieve vraag te stellen: 'Waren daar mensen van onbesproken gedrag?'   vroeg hij, 'ik bedoel mensen die formulieren kunnen invullen en die precies weten hoe de naald in de draad te steken en die bij het Mens erger je niet op hun beurt letten?' 'Zeker,' zei Beer, 'een van hen heb ik nog persoonlijk de hoed van het hoofd willen slaan.'
'En?' vroeg Jager die trots op Beer begon te worden, 'heb je dat gedaan?'   'Jawel,' zei Beer, 'maar het was een domme hals en zijn nek brak.'
Op dat moment kwam er een luid gerinkel van potten en pannen over de rand van de duinpan en even later verscheen de hazenfamilie op de top van het duin. Ze droegen allerlei keukengerei en sloegen met houten lepels op pannen, met de bedoeling de stilte te laten verdwijnen, omdat het volgens hun grillige tijdsberekening tijd was voor een spelletje.
'We doen wie het langste stil kan zitten,' riepen ze en op hetzelfde moment zat de hele hazenfamilie doodstil, alleen hun neuzen bewogen nog, omdat ze wel moesten.
Beer en Jager bleven loom liggen. Lang duurde het niet, toen begon de hazenfamilie alweer koortsachtig om elkaar heen te springen. Het etensgerei sprong mee. Beer wreef zijn ogen uit en zei: 'Nu je mijn geschiedenis gehoord hebt, moesten we maar eens op huis aangaan voor een middagslaapje.' 'Zie ik je vanavond in de Boshut?' vroeg Jager.
'Eventueel,' zei Beer en liep de duinen in, terwijl hij telde hoeveel tijd hij nog had voordat Jager...

(fragment)

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog