, 29 Februari 2012

Archief: De schoonheid van de witregel

Gerrit Krol, wiens werk vanaf het zesde nummer van 1974 tot het tweede van 2005 regelmatig in dit tijdschrift terug te vinden was, schreef in 1985 een stuk over witregels, dat al met instemming geciteerd is op deze site. We mogen het hernemen op Revisor.nl. Over een verschijnsel 'dat in de literatuur even normaal is als bijzonder - als je je rekenschap geeft van de overwegingen waardoor een schrijver zich laat leiden op het moment dat hij, al schrijvend, een regel overslaat'.

1

Over witregels, hun functie en de techniek van het gebruik ervan is in de literatuurwetenschap niet buitensporig veel geschreven. In de recensies van mijn boeken, die daar toch alle aanleiding toe geven, heb ik nooit zelfs ook maar één regel gelezen over dit verschijnsel dat in de literatuur even normaal is als bijzonder - als je je rekenschap geeft van de overwegingen waardoor een schrijver zich laat leiden op het moment dat hij, al schrijvend, een regel overslaat.

2

Er zijn boeken die de indruk wekken net zo snel geschreven te zijn als dat ze gelezen worden en daarom 'vlot geschreven' heten. Maar waarom zou je een boek schrijven dat snel gelezen wordt? Ik heb liever een lezer die mijn boeken langzaam leest. Een lezer die het boek van tijd tot tijd weglegt om over wat hij net gelezen heeft zijn eigen gedachten te laten gaan, omdat het boek hem daartoe dwingt. Een boek dat, tijdens het lezen, de indruk wekt geschreven te worden.

3

Er staan veel waarheden in mijn boeken, Absolute waarheden. Dat kan, als ze maar los van de rest geschreven zijn. Hoe beperkter het gebied dat je met je waarheid bestrijkt, des te sterker kunnen je uitspraken zijn. Hoe minder woorden je gebruikt, om iets te beweren, des te meer zal dat wat je beweert een functie zijn van de woorden die je gebruikt: met ook maar iets andere woorden zou je niets hebben beweerd.

4

Het mooiste boek moet nog altijd geschreven worden. Dat dit boek in principe al bestaat, in de vorm van een woordenboek, sterkt mij dagelijks in het geloof dat, als bij alles wat nieuw is, toeval hier de schepper is. Gooi al die woorden maar in de tombola - eens komt de dag dat ze daar in de mooiste volgorde uitrollen. Maar wil je dat boek tijdens je leven nog lezen, dan moet je werken met grotere bouwstenen dan woorden zijn, dan werk je met zinnen, of conglomeraties van zinnen; je kunt ze ook ideeën noemen als je daar de oorspronkelijke betekenis aan toekent: 'voorstelling', 'uiterlijke gestalte' 'beeld', 'abstract begrip waaraan een zelfstandig bestaan toegekend wordt'. Een soort machtwoorden dus, niet van elkaar gescheiden door een spatie, maar door witregels. En geen andere syntax dan dat ze in een eenduidige volgorde staan.
De beste volgorde die ideeën kunnen hebben is een toevallige die de indruk wekt een noodzakelijke te zijn: de enig mogelijke. Op dat moment heb je het mooiste boek geschreven.

5

Er zijn schrijvers die met succes uitgaan van schema's. Ik heb dat ook gedaan - in de tijd dat ik nog niet schrijven kon. Waarom kon ik niet schrijven? Omdat ik uitging van schema's. Ik nam ze veel te serieus. Na een halve bladzij kon ik al geen kant meer op.

6

De eerste roman die ik schreef, schreef ik in het donker, onder de dekens, de ogen gericht op het plafond. Alle woorden die ik schreef, schreef ik over elkaar heen. Want ik kon dan wel schrijven, maar lezen - zover was ik blijkbaar nog niet. Ik wilde alleen maar schrijven en wat ik schreef waren beelden en wat ik wilde was met elk beeld de hele roman geschreven hebben. Geen beeld, geen toon, geen idee, geen kleur, geen woord of ik zag er een complete roman in. Elke nacht opnieuw. En elke nacht vele malen.

7

Voordat je je eerste boek hebt geschreven, heb je vele boeken geschreven die niet zijn gedrukt en uitgegeven en dus nooit een boek zijn geworden. Mijn eerste boek geldt na wat ik daarna aan boeken het licht heb doen zien als een traditioneel verteld verhaal. De rokken van Joy Scheepmaker. Een geschiedenis. In de derde persoon. Hoofdstukken, witregels, alinea's, alles volgens de klassieke indeling. Met alles wat ik wilde, en nog steeds niet kon, wilde ik, om te beginnen, een traditioneel verhaal geschreven hebben. Dus signaleerden de kranten hier 'een traditioneel verhaal'. Er was maar één criticus - het is te curieus om het niet te vermelden - die het bloed zag kruipen waar het niet mocht gaan: 'Krol heeft zijn eerste - noodzakelijke - proeven als definitief werk aan de lezer gestuurd, daarmee de schrijftafel verplaatsing naar de boekwinkel [...] Wellicht zal Krol nog eens een goede roman schrijven. Hij zal dan het experimentele stadium achter zich hebben gelaten en een vorm trachten te veroveren voor een bepaalde idee, en niet omwille van de vorm. Materialenkennis, kleuren mengen enzovoort zijn belangrijk. Maar alleen het schilderij mag het huis verlaten. Paletten dienen in het atelier te blijven.' Aldus Kees Fens, die in die tijd net een literaire prijs voor kritiek had gekregen en die ik onder ogen durfde te komen toen ik pas echt paletten aan hem kon laten zien.

8

In de literatuur staat 'wit' hoog genoteerd. Hoe meer wit, des te beter. In de literatuur moet je, om te lezen wat er staat, 'tussen de regels lezen'.
Is het mooiste boek niet het boek dat helemaal wit is? Geen schrijver die niet 's met deze gedachte heeft geflirt. Maar wie het geprobeerd heeft weet 't: erg veel wit verdraagt een boek nou ook weer niet. Toen ik mijn Een Fries huilt niet bijna klaar had, de bladzijden waren al genummerd en ik had het de eerste keer doorgelezen, zag ik, terugwerkend, dat het boek ergens op eenderde van het verhaal, twintig bladzijden lang, een grote indifferente plek bevatte, daar stond niets. En toch, al die bladzijden op zich waren de moeite waard, ik had ze niet voor niks laten staan: schitterende medaillons die mij boeiden en vermaakten - maar waarom alleen zo van zo dichtbij? Waarom reikte hun betekenis niet verder dan de bladzij waarop zij waren getypt? Ik heb, toen deze kwestie zich niet oploste, nogal bruut en bijna blindelings een greep in het typoscript gedaan, het aantal bladen geteld en vervangen door evenzovele blanco vellen papier en die weer in het typoscript gedaan, genummerd en al. Eindelijk een boek met de bladzijden wit achter elkaar, op een natuurlijke wijze ontstaan! Maar helaas, al bladerend door mijn typoscript bleven die witte bladzijden mij opvallen, en tegenvallen: ik las ze niet, ik had ze telkens in één keer uit.
Deze ervaring leerde mij: de witregel is niet meer, kán niet meer zijn dan een leesteken, zoals punt en komma leestekens zijn, en de nieuwe regel. Een nieuwe regel wil zeggen: het volgende gebeurt op een andere plaats. Wie een dialoog schrijft zonder er telkens bij te vertellen wie er aan het woord is, geeft dat aan door telkens op een nieuwe regel te beginnen. Een witregel daarentegen wil zeggen: nu komt een ander verhaal.
Een punt wil zeggen: hier eindigt deze zin. Een komma: hier gaat de zin zonder te eindigen over in een andere zin. Een tweede komma geeft vaak de plaats aan waar tot de eerste zin wordt teruggekeerd: de zin tussen de twee komma's zou kunnen worden weggelaten en je zou een gave zin overhouden. Hetzelfde geldt voor gedachtenstreepjes, en voor haakjes, in toenemende volgorde van nadrukkelijkheid.
Geen van de genoemde leestekens is voorbehouden aan literatuur alleen, ze kunnen net zo goed in een krant staan. En ze kunnen ook allemaal worden voorgelezen: het zijn ook voorleestekens. De witregel vormt hierop een uitzondering. Je kunt een witregel voorlezen door even te pauzeren, langer dan je bij een nieuwe regel pauzeert en je kunt een witregel in de krant afdrukken door de nieuwe regel met een sierletter te laten beginnen, maar erg veel witregels komen in een krant niet voor. En evenmin laten ze zich in die frequentie voorlezen. Een witregel is dus, veel meer dan andere leestekens dat zijn, een literair en een visueel teken. En dat laatste in duale zin. Niet alleen scheidt een witregel twee ideeën; nee, als twee witregels maar dicht genoeg bij elkaar staan vormen ze de perfecte omlijsting van één idee. Daarom, witregels in een boek - het zijn er nooit te veel. Hoe meer witregels je plaatst, des te groter is de kans om dat wat door twee witregels wordt begrensd - het idee - als een geheel te zien, eenvoudig omdat het op één bladzij staat.
Maar behalve op die bladzij staat het ook in het boek, waarmee het een geheel vormt, dat maakt juist het boek uit. Hoe die eenheid eruit ziet, zie je pas als het boek af is.
Hoe ze tot stand komt heb ik al aangegeven: door het gelukkige toeval. Toeval kan gelukkig zijn als je de elementen waar je mee speelt in de hand hebt. Geen continue stroom van gedachten, maar losse, discrete eenheden die je in de gelegenheid stellen een gelukkige worp te doen.

9

De meeste witregels die in mijn boeken staan heb ik niet geschreven.
Als het boek bijna klaar is, ben ik veel met schaar en lijmtube in de weer: wat op één vel staat, moet wel 's uit elkaar gehaald worden. Knippen dus. En de lijm gebruik ik om, als ik zie dat twee ideeën in de juiste volgorde staan, die te bezegelen door ze in die volgorde vast te plakken. Maar altijd met een witregel ertussen. Zo min als een schrijver ooit twee woorden aan elkaar zal schrijven, zal een schrijver van ideeën twee ideeën tegen elkaar aanschuiven. Juist als ze uit elkaar volgen zal hij zorgen voor ruimte ertussen.
Als het boek bijna klaar is, zit ik dus voornamelijk witte repen te knippen en wat ik plak, tenslotte, zijn alleen maar witregels, de definitieve, met de voortvarendheid van een zeiler die de thuishaven in zicht krijgt.

10

De mooiste witregels zijn die welke tijdens het schrijven ontstaan. Die zijn ook altijd meteen in grote haast geschreven. Normaal heb ik voor een bladzij een week nodig. Maar een enkele keer overkomt het me dat die hele week in een minuut door me heen schiet. Dat is wat er gebeurt als ik opeens mijn gedachten door witregels ga scheiden: alsof ik in sprongen en snel de overkant bereiken moet, alsof het ijsschotsen zijn die ik schrijf.

11

Ik heb ooit 's een paar olieverfschilderijen gemaakt. Die gingen meteen aan de muur. Totdat iemand mij vertelde dat hij kon zien dat ik mijn palet niet schoongemaakt had. Dat begreep ik. Ik heb toen nog een paar schilderijen gemaakt, maar zonder de verf te mengen, niet op het palet en niet op het doek. Nu, dit is precies het gevoel dat ik heb als ik schrijf (wie weet zit Fens daarachter) : dat de beelden die ik schrijf, de waarheden, dialogen enz. niets met elkaar te maken hebben, totdat ze opeens met z'n allen een geheel opspannen. Hoe spande iets op? Door 't tot het einde toe uit elkaar te houden.

twee reacties

imsook Yoo

zo….nooit geweten over deze schoonheid van de witregels.
Het willen/kunnen genieten van de dingen ligt vaak aan de persoon zelf.
Hoe schoner persoon hoe meer capaciteit. Als er gaat om het genieten van.
Immers, (beauty is in the eye of the beholder)
Een mooi artikel. Mijn dank dat ik deze mocht lezen.

imsook Yoo, - 29-02-’12 12:29
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog