Een constructie van het echte

Het objectieve subject

De objectieve lezer is nimmer subjectiever dan tijdens vakantie. Deze mei, op Griekse eilanden, gingen mee: Sebald (De ringen van Saturnus), Jan-Willem Anker (zijn prozadebuut), Auster (The Invention of Solitude), Terrin (Post Mortem), Sarah Hall (The Michelangelo of Coney Island), en voor het eerst een e-reader - maar de verplichtingen bleven thuis. Toch verschenen er analyserende opmerkingen in mijn boekenschriftje, en ontstond de aanzet tot een blogpost over Terrin, en dan wel over de slotzinnen van zijn hoofdstukken.

Neem die van het eerste hoofdstuk: 'Van het prikken voelde hij niets meer. Zijn zicht was scherp, zonder bril. Scherper dan ooit zag hij de spullen die zich een weg hadden gebaand naar dit huis, zich hadden ingesleten in zijn leven.'

Dat dit hoofdstuk over meer gaat dan prikkende ogen onder de douche, blijkt pas aan het einde van het boek, maar dat weet je nu nog niet. Nu lees je een knappe combinatie van analyse ('scherper dan ooit'), intimiteit ('ingesleten', maar is daar iets mis mee?) en iets mystieks (opeens ziet de hoofdpersoon, een schrijver die in veel op Terrin zelf lijkt, scherp, zonder bril). En een goede botsing van beelden: scherpte en slijtage. En ook, en daar moet deze blogpost wel over gaan, blijkt die drievoudige karakterising van toepassing op dit boek: analytisch, intiem, wonderbaarlijk.

Uw lezer was dus ook eerst zijn objectieve ik, lachend om sleutelpassages en literaire grappen, toen zijn door-en-door-subjectieve ik, meelevend met de ouders van een ziek kind, en toen een merkwaardig mengsel, dat misschien de echte Daan Stoffelsen is. Maar wat is echt, en wat is gereconstrueerd?

Herkenning

Dat is de vraag. Eerst maar eens de vaststelling dat 'herkenning', een term die ik te pas en te onpas gebruik, zoals onlangs in mijn Tonio-essay (hebben ze dat boek echt een grote prijs gegeven?), zowel emotioneel (zo gebruikte ik het, als drijvende kracht achter het succes van memoirs) als rationeel kan werken. Ik bedoel: als ik Bart Koubaa in Xander Nevski herken, in vriend Barry Christophe Vekeman, of in de fotograaf, 'een knappe man met gitzwart haar en diepe ogen, die hem warmhartig tegemoetkwam', Terrins achterflapportretfotograaf Stephan Vanfletere, dan is dat een verstandelijke identificatie. Dat ik die kan maken, geeft me genoegen. Opzichtiger, als hoofdpersoon Steegman een besteller verzint voor zijn personage:

'Eerst een titel voor die bestseller. Hij kwam straks met De moordenaar dan heeft T, bijvoorbeeld, De verdachte geschreven, of De bewaker. Eén grapje was wel toegestaan, één knipoog. Wat peper en zout. Schrijvers moesten toch ook entertainen?'

Het leggen van die verbanden heeft wel een emotioneel effect: ik krijg leesplezier door dit schrijfplezier (waarover meer in mijn essay over Bert Natters tweede roman, in het komende nummer van De Revisor).

Die andere herkenning veroorzaakt niet, maar verbindt met emotie. Het heeft iets omineus als een romanpersonage dit leugentje gebruikt om ergens bij weg te blijven: 'Wegens nogal moeilijke tijden in de familie.' Je vreest dan het ergste als de hoofdpersoon aankomt bij een verjaardagspartijtje en zijn dochter slaapt. Ze slaapt?

‘Ze slaapt.’
Hij keek naar het gezicht van Mieke en wachtte voor de drempel. Hij kende haar niet goed genoeg om haar glimlach te lezen. Renée die sliep op een verjaardagsfeestje?
‘Ja, echt, ze slaapt.’
‘Dat meen je niet.’
‘Nog maar een kwartiertje of zo.’
‘Ze is zelf komen vragen om te slapen?’
‘Kom toch binnen.’

Pagina's lang weet Terrin dan de besluiteloosheid van zijn hoofdpersoon te rekken, tot de paniek búíten hem tot uitbarsting komt, bij zijn echtgenote. De angst heeft zich dan al in de lezer genesteld, en die herkenning, niet door mijn eigen ervaring, nee, goddank, maar bij benadering, is puur emotioneel.

Uitvinding

Deze pagina's zijn de inleiding tot een intens tweede deel met de impact van een mokerslag, waarin hoofdpersoon Steegman en zijn vrouw het herstel van Renée, die een zeldzaam herseninfarct heeft gehad, volgen. Het heeft de sobere kracht van Mark Boogs verliteratuurde ziekenhuisverslag Het lot valt altijd op Jona, maar niet de ietwat tezeer doorgewerkte beelden en niet de spanningen tussen personages. Wat wel, wat geeft deze passage zijn plek in het boek?
Het is raadselachtig dat Terrin zijn Steegman een aantal spanningopwekkende elementen laat introduceren - een verdwenen meisje Vicky, een meisje uit zijn eigen jeugd, Sandra (V.) - en die niet laat liggen tijdens het ziekteverhaal. Sterker: een van de pregnanste jeugdherinneringen, een seksuele ervaring met Sandra, staat nét voor het moment dat Steegmans vrouw wel een ambulance laat komen. En Steegman zoekt diezelfde Sandra, nu prostituee, op tijdens het tweede deel.

In het derde deel komt dit alles samen, en worden Steegmans fictie en werkelijkheid gemengd, of gescheiden - Steegmans biograaf worstelt ermee. Steegmans grote roman was autobiografisch, en ging over zowel het oppervlakkige schrijversplezier uit deel één als het diepgravende menselijk leed uit twee. Wat is het echte leven van de schrijver, en wat is belangrijker? De passages over hoe Steegmans dochter zichzelf opnieuw uitvindt, of die waarin Steegman zichzelf spelenderwijs kopieert?

De echtheid van de constructie

Dat is geen puur theoretische vraag, en dat komt omdat Terrin je - correctie, me - op twee manieren bij zijn boek betrokken heeft: met komische wendingen bij de rationele, opzichtige literaire constructie, met tragische elementen bij de schijnbaar levensechte voorvallen. Het is duidelijk dat van beide lijnen de een echter lijkt (en is - essentieel punt, ik pak het hieronder op), harder raakt, maar zou dat ook zo zijn zonder de hand van de schrijver?

Slotzinnen hoofdstuk twee:

‘Nogal moeilijke tijden in de familie.’
De zin is nu onuitwisbaar.
Als zijn werk ooit in de belangstelling mocht komen van een groot publiek, als ooit, tegen zijn uitdrukkelijke wens in, een biograaf zich na zijn dood zou verdiepen in zijn leven, zijn e-mailverkeer uitvlooien en op dit mysterieuze zinnetje botsen, dan zal deze er vast van overtuigd raken iets in handen te hebben. Hij zal denken iets op het spoor te zijn, iets van groot belang, waarover de auteur niets kwijt wilde, waarvan hij alleen met dit zinnetje heeft gerept: iets wat op zijn minst een hoofdstuk in zijn boek kan worden, misschien meer, misschien wel de kern van de biografie, waar de andere verhalen als satellieten rond cirkelen: dé bepalende gebeurtenis in het leven en werk van Emiel Steegman. Hij zal als een bezetene op zoek gaan.
Maar er was niets aan de hand.

Er was niets aan de hand, en zonder de schrijver zou er niets aan de hand zijn. Juist door te wijzen op de echtheid van het ene, onderstreept Terrin het bestaan van de constructie.

Of, hoe de queeste stilhoudt op vakantie en alsnog in een complexe fase komt: het lezen en redeneren was altijd iets persoonlijks, nu leest hij iets anders wat nog persoonlijker is, waarover hij leest en redeneert. Is er zoiets als een metavakantie?

P.S. Schijn en werkelijkheid, fictie en autobiografie

Een staartje. Toen ik mijn betoog voor deze post rond had, ontdekte ik op het illusievernietigend internet een interview door Jeroen Vullings met de auteur. In enkele trefzekere vragen weet Vullings Post Mortem te ontleden tot een opeenvolging van autobiografische scènes. Zo weten de journalist en de schrijver me - net als A.F.Th. van der Heijden, maar minder rommelig - in de hoek te drukken, die hoek waar ik het belangrijk moet vinden dat 'echt' echt is. Mijn medeleven als effect, dat vind ik interessanter, relevanter voor literatuur dan mijn betrokkenheid bij ouders die echt een ziek kind hebben. Is dat egoïstisch?

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

vier reacties

imsook Yoo

Vandaag aan een nieuw boek begonnen..nee, te lezen bedoel ik..
De schrijvers schrijven en de lezers lezen..zo goed als kwaad het gaat..
Het is me nooit gelukt meer te fantaseren dan werkelijke fantasie.
Groetjes,

imsook Yoo, - 30-05-’12 20:12
E.S.

Het boek, de ‘roman’ zoals op de kaft staat, is van tel. En wat het bij jou heeft veroorzaakt.
Ik geloof niet dat Terrin uit is op wat je hem in je PS aansmeert.
Je kon ook het interview niet gelezen hebben (langere vakantie), en dan was er niets aan de hand. Dan leefde je verder in de echtheid van je illusie.
Mij lijkt het boek net dat aspect aan te kaarten: secundaire literatuur is secundair.
Groet – E.S.

E.S., - 04-06-’12 11:48
Daan

@E.S. Goed punt: het gaat om effect (van het boek) – zeker niet om intentie (van de auteur) – maar het interview doet dat effect te niet. Niettemin: het maakt Terrins punt des te poignanter.

Daan, (URL) - 06-06-’12 13:59
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog