, 15 Oktober 2012

500 à 1000: Het raam

De vrouw gaat hem voor de trap op. Bij elke stap naar boven krijgt hij het warmer, er lopen zweetdruppels langs zijn oksels. Op de overloop stopt ze zo plotseling dat hij bijna tegen haar op botst. Ze trekt een deur open en knipt het licht aan. De gemeenschappelijke wc en douche, smerig en oud. Hij bekijkt ze terloops en volgt haar verder omhoog. Op de bovenste verdieping opent ze de deur van de kamer. Zijn buik schampt de hare als hij naar binnen loopt. Het eerste wat hij ziet zijn de ramen, ze zijn van helder glas in lood en werpen een scherp afgetekend patroon op de planken vloer. Hij stapt in het zonlicht en voelt de warmte op zijn handen, zijn gezicht. De flats verderop staan in het felle licht en de bakstenen van de oude huizen aan de overkant lijken roder dan hij ze ooit gezien heeft. Zijn bezwete handen veegt hij af aan zijn broek.
‘Nou, wat doen we ermee?’ zegt de vrouw.
‘Ik neem hem,’ zegt hij.

Ze geeft hem een papier waar ‘Contract’ boven staat en dreunt de regels op. Alleen contante betaling, uiterlijk morgen, en verder elke laatste vrijdag van de maand. En er is iets met stookkosten, een of andere verdeelsleutel of zo. Hij knikt maar wat, krabbelt zijn handtekening neer en geeft haar het ondertekende papier. De huur is te hoog, net als de borg, maar hij blijft bij zijn besluit.
Terwijl de vrouw de trap afstommelt, draait hij zich naar het raam en naar de oude huizen aan de overkant. Het huis van zijn moeder staat helemaal links. In de keuken krioelen de kakkerlakken en daar, op de eerste verdieping is zijn kamer, bij het raam met de kapotgetrokken luxaflex. Op dat raam had hij vorige week een kruis gezet, terwijl hij keek naar deze kamer en het kartonnen bord aan de gevel met ‘Te Huur’.
Het muntgeld verdwijnt rinkelend in het binnenste van de stationskluis zodra hij de sleutel in het slot omdraait. Hij haalt zijn tas eruit en gaat ermee de straat op. De straatlantaarns gaan aan. De pislucht in de portieken, het grof vuil langs de kant van de weg, hij komt hier al zo lang, toch is het alsof hij hier voor het eerst loopt.
In de onverlichte kamer zet hij de tas op de grond. Op de vloer is het patroon van het  glas in lood veranderd. Zachter geworden. Zijn maag rommelt, maar hij negeert het. Hij schuift het bed in de rechthoek van licht en tuurt over de donkere stad. Het huis van zijn moeder weet hij feilloos te vinden.         
‘Daar,’ zegt hij wijzend naar de keuken. Al die keren dat zijn moeder hem als kind aan de keukentafel had gevoerd tot hij kokhalsde. En daarna nog een bord, en nog een, tot het eten zijn strot uitkwam. Hij protesteerde nooit. Hij staarde naar de kakkerlakken op de muur. Er kwam een tijd dat hij ze probeerde te tellen.
Kan zijn emoties niet uiten, schreef de juf ooit in een rapport. Slaat alles op.
‘Ja, in die vette reet van je,’ zei zijn moeder er later thuis achter aan.
Het was waar. Hij at en zei niets terug. Al die jaren gaf hij geen kik, wat ze ook met hem uithaalde.
Gisterennacht was ze half uit bed gegleden, doodziek, broodmager. Ze riep hem, urenlang, maar hij stak zijn vingers in zijn oren en hield zich stil. Toen hij de volgende ochtend haar slaapkamer binnenkwam zweeg ze voor het eerst sinds zesendertig jaar. Ze was half uit bed gegleden, haar linkerhand raakte de vloer. Met dode ogen staarde ze dwars door hem heen. Hij ging naar zijn slaapkamer, pakte wat kleren in een tas en sloop de trap af. In de keuken greep hij een paar zakken chips. Met veel moeite trok hij de koelkast een stuk van de muur. Een golf kakkerlakken schoot in paniek weg over het zeil. Hij ving er een paar in een blik en sloot het deksel. In de woonkamer pakte hij een foto van zijn moeder. Daarna trok hij de voordeur achter zich dicht, zachtjes, alsof hij bang was haar alsnog tot leven te wekken. Een paar straten verderop begon hij stevig door te lopen.
Aan het eind van een doodlopende weg zakte hij op zijn knieën en groef met zijn blote handen een gat in de grond. Terwijl de riem van zijn broek in zijn buik snoerde ploeterde hij tot op het grondwater, legde zijn moeders foto in het gat en schoof met twee handen modder op haar gezicht tot de kuil vol was. Hij stampte het zand net zolang aan tot hij niet meer kon. Morgen zou hij hier terugkomen met de chips, de dag erna met het blik. Over drie dagen was hij overal vanaf.
Met zijn jas nog aan gaat hij op het matras liggen. Beneden in de badkamer heeft hij net een paar slokken water gedronken tegen het hongergevoel. ‘Wachten tot het overgaat',  zegt hij hardop, ‘niks doen.’ De maan komt achter een paar wolken tevoorschijn. Om het bed wordt de schaduw van het glas in lood scherper. Het maakt hem rustig, alsof er behalve hemzelf nog iets is dat grenzen stelt, en hij sluit zijn ogen. In huis draait iemand een kraan open, het reutelen van de leiding gaat over in tikken. Hij voelt zich voor het eerst sinds tijden niet meer zo alleen.
Later, hoeveel later weet hij niet, wordt hij wakker van krampen in zijn buik. Het is donker in de kamer, het raam lijkt een grijs gat. Hij ligt nog maar half op het matras, zijn slappe hand is gevoelloos en raakt de grond. Zo snel hij kan komt hij van het bed. In zijn tas woelt hij alles overhoop, het blik smijt hij op de grond, hij vindt de diazepam en slikt er twee. Het moet wazig worden in zijn hoofd, maar het gaat te langzaam, er komt een onstuitbare onrust naar boven. De chipszakken scheurt hij open en hij propt alles naar binnen. Dan grijpt hij het blik van de grond en wrikt het deksel er met zijn nagels af. De kakkerlakken op de bodem zitten doodstil, alleen hun voelsprieten bewegen. Plotseling, alsof er een signaal gegeven is, rennen ze over de rand. Een paar racen er langs zijn broek naar beneden en verdwijnen in de schaduw van de vensterbank, één laat er zich op de grond vallen en glipt vlak langs hem onder de plint. Hij zakt terug op bed. Onder hem, tussen de planken, kruipen de kakkerlakken bij elkaar. Tot ze over een paar dagen, hooguit een week, over de tegelwand van de badkamer kruipen, langs de muren in de kamers omhoog rennen. Eerst alleen als het donker is.

*

Naast poëzie en beschouwend proza brengt De Revisor nu ook nieuwe fictie exclusief online. Een kort verhaal in 500 à 1000 woorden, dat vragen we debutanten, én gevestigde auteurs. Geen column, geen blogpost, geen dagboeknotitie: fictie, op een voor internet geschikte lengte.

twee reacties

San Bos

Prachtig, beklemmend verhaal. Mooi dat zachter geworden patroon van licht op de vloer!

San Bos, - 16-10-’12 08:01
Milan van Opmeer

Goed geschreven, mijn complimenten.

Milan van Opmeer, (URL) - 18-10-’12 23:04
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog