Ondanks of dankzij een bepaalde vaagheid: Oek de Jong, Pier en oceaan

Het subjectieve object

Momenteel lees ik een zwervend bestaan. Ik bedoel: niet onder bruggen en in parken, maar van boek naar boek, zonder lijn, nu eens een roman even laten liggen, dan weer terug. Om u een beeld te geven: ik was begonnen in Oek de Jongs Pier en oceaan, kwam tot een kwart, moest toen Thomas Rosenbooms De rode loper lezen (voor een recensie), vervolgens Daan Heerma van Voss' Een zondagsman (voor een avond en een blogje), snackte P.F. Thoméses Het bamischandaal tussendoor en heb nu ook Kees 't Harts Hotel Vertigo gelezen, met nog steeds de intentie om terug te keren in De Jongs Zeeland. Ondanks allerlei storende zaken - perspectiefwisselingen, bijvoeglijk naamwoorden, archaïsmen, vaagheden - wil ik doorlezen. Waarom? De Jongs 800 pagina's dikke boek is trager, moeizamer dan elk van de andere boeken waar ik langszwierf de afgelopen maand. Maar toch.

Uitzonderlijk groot

Pier en oceaan is, daar lijkt de eerste lezing althans op te wijzen, een coming-of-ageroman die ergens in de jaren vijftig begint. Centrale personage is Abel, een gevoelig jongetje. De verteller blijft heel dicht bij hem, het is zíjn kijk op de wereld die het verhaal bepaalt. Maar af en toe dwaalt hij af, zodat je soms bij iemand anders zit - en dan weer terug:

'Mevrouw Houttuyn begon “te verlangen naar haar Schepper”, zo­ als dat werd uitgedrukt in de prekenbundels die ze altijd graag had gelezen.
Ze streelde het haar van haar kleinzoon, zijn wangen, zijn arm en laafde zich nog een ogenblik aan zijn jonge lichaam. Met tegenzin onderging Abel haar streling, verlegen, niet in staat iets te zeggen. Zijn grootmoeders handen waren overdekt met kleine, bruine vlekken. Door haar witte haren heen zag hij haar hoofdhuid schemeren. Haar krachteloze handen beefden. Algauw verschoof hij ongeduldig een voet.
“Mag ik naar de schelp kijken?”
“De schelp? Natuurlijk, kind.”
Achter haar fauteuil stond op hoge poten een glazen kastje, waarin een schelp werd bewaard. Hij was aan de andere kant van de aardbol uit de oceaan opgedoken en door meneer Houttuyn bij zijn antiquair gekocht. In de zitkamer was dit het voorwerp dat de jongen het meest aantrok en intrigeerde. De schelp was uitzonder­lijk groot. Hij wist niet dat er zulke grote schelpen bestonden.'

We beginnen dit citaat bij de grootmoeder van Abel, het is haar werkelijkheid waarin ze Abel naar zich toehaalt. Pas bij die tegenzin komen we in zijn hoofd terecht. Maar denkt hij dan dat haar handen 'krachteloos' zijn? Gek woord voor een jong kind, al passen clichés van ouderdom beter bij een kind dan bij een vrouw die zich in prekenbundels heeft ondergedompeld. En: iets trekt de jongen aan, maar 'intrigeert' iets op zo'n leeftijd? 'Hij wist niet dat er zulke grote schelpen bestonden.' Een kinderlijke gedachte. Maar dan: 'uitzonderlijk groot'?

Of neem deze twee zinnen, kort daarop. Van de ene op de andere zin ben je van grootvader naar Abel.

'Zo groot en roerloos als zijn grootmoeder was, zo klein en be­weeglijk was zijn grootvader. Zijn kale en glanzende hoofd, dat de kleur had van oud ivoor, imponeerde de jongen. Passend bij die glanzende kaalheid leken zijn fonkelende brillenglazen en de kromme neus, waarover de huid strak spande. Hij had grote, vlezige oren.
Om het kind te vermaken boog meneer Houttuyn zich voor­ over en liet hem zien dat hij zijn oren onafhankelijk van elkaar kon laten bewegen. Op en neer gingen ze aan dat kale hoofd.'

'Onafhankelijk', en dan: 'op en neer'. Ik vind dat gek, storend. Maar misschien meer omdat ik het prijzenswaardig vind dat auteurs hun perspectiefgebruik consequent houden, dan dat het daadwerkelijk verwarrend is. Ben ik te veel aan het strepen, te weinig aan het lezen? Laat ik me niet voldoende grijpen en meeslepen, blokkeert de onwil van de criticus mijn leesplezier? Of zit het probleem in mijn analyse? Is die Abel een wijs mannetje dat zich perfect in anderen verplaatst? Of heeft De Jong in zijn historische roman gewoon een passend ouwelijke alwetende verteller in huis gehaald?

Knagende onrust

Wijs, ja, en gevoelig. En dat wordt dan uitgespeld. Het doet uitleggerig aan als er staat dat de hoofdpersoon 'er niet van hield om onderwezen te worden', 'ontstemd' is, en de laatste loot is uit een geslacht van 'mannen die hardnekkig het opvallend blauw van hun ogen doorgaven, de vorm van hun handen, een lange gestalte en een altijd knagende onrust'. Dat is heus wel mooi gezegd, maar die onrust is evident uit al het andere wat De Jong schrijft over de grootvader van Abel.

Maar meteen komt daar de nuance bij. Die laatste zin — ik citeer hem hier even voluit:

'Het waren mannen die hardnekkig het opvallend blauw van hun ogen doorgaven, de vorm van hun handen, een lange gestalte en een altijd knagende onrust.'

— heeft wel een prettig rustig ritme, en die psychologische duiding, na een drietal fysiekere zaken (al is 'lange gestalte' natuurlijk meer uitstraling, presentatie dan simpelweg 'lengte'), maakt een mooie uitsmijter van deze zin. En zinnen die zo lopen, helpen je dan ook om door te blijven lezen.

Iets wonderbaarlijks

Iets anders wat helpt, is de spanning die erin zit. Niet plotgerelateerd, er is geen kwestie van whodunnit of whatsup, maar een spanning zoals er tussen mensen kan zijn. Tastbaar, fysiek, hier erotisch, daar bijna holistisch. De samenhang tussen woorden, mensen en de natuur, tussen je gedachten en herinneringen, zoiets suggereert De Jong.

'Toen hij zich op de weg naar de stad nog eens omdraaide, zag hij vlak boven de weg de rode bol van de ondergaande zon. Hij stond stil en keek ernaar. Precies aan het einde van de weg, waar de lijnen samenkwamen, lag die vuurrode, uitdijende en aan de randen trillende zon, die van onder de wolken kwam zakken aan het eind van een grauwe dag. Hij had zoiets nog nooit gezien en beschouwde het als iets wonderbaarlijks, zoiets als de vuurkolom die de Israëlieten was voorgegaan door de woestijn. Vagelijk herinnerde hij zich zijn grootvader, zoals hij hem op de divan had zien liggen, en het was of hij in de stilte van de winteravond het getik van zijn horloge kon horen.
Lopend over het pad achter de huizen begon hij het al te voelen, en toen hij bij de schuur het tuinpad op kwam, zag hij achter het verlichte raam zijn vader en moeder zitten. Het was of in één enkele seconde zijn uit het lood geslagen wereld zich herstelde.'

Zoiets. Ik verontschuldig me meteen voor mijn vage taalgebruik, ik krijg er moeilijk greep op. Want om achter het toneel te komen, moet je door een paar gordijnen heen.

  • Er wordt wel erg veel gekwalificeerd. Die zon. Die dag. Die stilte. Allemaal is er iets mee, een kleur, een verschijningsvorm, een klank, en dan wordt het nog uitgebreid herhaald. 'Vlak boven de weg de rode bol van de ondergaande zon' zet uit tot iets bovennatuurlijks in een geometrisch lijnenspel.
  • En hoe dicht De Jong je ook bij zijn personages haalt, tot diep in hun droomachtige overdenkingen, zijn idioom schept afstand, tussen personages en lezer, tussen personages en werkelijkheid. Hier doen dat ouwelijke 'beschouwde' en 'wonderbaarlijks' het. De Statenvertaling is wel erg aanwezig opeens.
  • Ten slotte is er dat mengsel van preciserende en vervagende termen - 'precies', 'zoiets', 'vagelijk', 'het was of', één enkele seconde' - dat een halfzekere-onzekere scène schept.

Het grote ondanks en het grote ontbreken

Ondanks dat is er een spanning, sfeer, suggestie in dit fragment, ondanks alles werkt het voor mij.

Ondanks, of dankzij? Die uitgebreide kwalificaties geven de beelden massa. Die herhaling zit erin, dat is zo, maar de eerste zon is van de tweede gescheiden door een heerlijk simpel, kinderliedachtig zinnetje als 'Hij stond stil en keek ernaar'. En De Jong neemt direct een volgende afslag, hij associeert weg van de werkelijkheid. Genesis. Nog een associatie: zijn zeer religieuze grootvader. Stilte. Tijd. Even heel concreet - het pad, de schuur, het tuinpad, het raam - nog steeds in een trage opeenvolging van lettergrepen. En dan die plotselinge ervaring.

De Jong associeert een eind weg, dat vind ik mooi, en daardoor ontstaat er een grotere werkelijkheid; hij verbreedt en verdiept een simpele observatie tot een ervaring die tegelijk bijbels als persoonlijk is. Door het telkens weer afslaan van het kale beeld naar het aangeklede beeld naar het Bijbelse beeld naar de vertegenwoordiging daarvan op aarde - zijn grootvader - verbindt hij totaal verschillende wereld, en brengt ze samen. Hij brengt er diepte in met het mythische van de vuurkolom, mystiek met de stilte en het tikken, en een confrontatie met de fysieke werkelijkheid door het lopen, het voelen, het komen, het zien.

De Jong verzamelt en verbindt, zonder erin weg te zinken. Hoewel het traag overkomt, de woorden de tijd nemen, schakelt De Jong snel. De manier waarop hij het doet, creëert een roes die allergieën wegduwt.

Roes, spanning, sfeer - het zijn zaken die ik miste in de andere boeken van deze leesronde, Kees 't Harts roman uitgezonderd (al speelt hij een spel met de vaagheid en het ongemak, dat is een veel uitgesprokener spanning). Als ik De Jong lees, begrijp ik waarom de nieuwe Rosenboom teleurstelt. Alleen daarom al lees ik door.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog