De Overtoom, en wat er gek is

Het objectieve subject

'Alleen de kapper is normaal,' dat is de titel van een recensie van Esther Gerritsens nieuwste, eind vorig jaar verschenen roman Dorst. Ik had het stuk niet gelezen, maar wel de titel ergens langs zien komen, en hij speelde door mijn hoofd toen ik Dorst las. Echt? Is iedereen zo gek? Objectief gezien, ja, zoals de vader in Christine Ottens nieuwe boek Om adem te kunnen halen in een gesticht zit. Maar die komt dan weer heel normaal over. Of de groetvrezende, door zijn voormalige cheffin geobsedeerde Isebrand in Het boek Ont. Niet normaal, toch? Toch?

Het lijkt me geen interessante vraag voor een recensie, want een goed beschreven gek is leuker en interessanter dan een plat normaal mens. Maar op een iets grotere afstand is het wel interessant, want vragen naar gekte leiden tot inzichten over de spanning tussen wat je vaststelt, diagnosticeert, en wat je voelt, ervaart.

Normaal is: de Overtoom, de regen

Dat spanningsveld tussen een objectieve en een subjectieve blik is pas zichtbaar als je daadwerkelijk afstand neemt, wat de recensente in het stuk van de kapper heeft gedaan. Maar ik, in dit geval een doodgewone lezer met interesse en geen andere motieven, lees het zoals het er staat. Dit is normaal: er is een moeder en een dochter en moeder is ziek. Dus dan gaat het zo:

‘Dus moet Elisabeth wel zeggen: “Ik heb een nieuwtje.” Gelukt. Haar dochter kijkt weer om.
“Wat dan?”
“Sorry,” zegt ze, “ik breng het helemaal verkeerd, het is niets leuks.”
“Wat dan?”
“Maar ik wil ook niet dat je het te zwaar opvat.” Langzaam tilt ze haar plastic apotheektas omhoog.
Met twee handen houdt ze de tas voor zich, het logo duidelijk zichtbaar. “Jij zult wel denken: waarom is ze niet op haar werk?”
Haar dochter kijkt niet naar de tas.
“Wat?”
“Ik kom net van de apotheek.”
“En?”
“Het is de dokter. Hij zegt het.” Ze laat de tas zakken.
“Wat zegt de dokter?”
“Dat ik het moet delen.”
“Wat, mama?”
“Dat ik misschien doodga. Maar we weten niet wanneer, hoor. Het kan nog maanden duren.”’

We staan midden op de Overtoom, in de regen. Deze twee spreken elkaar niet zo vaak, en ja, hoe breng je zulk nieuws? Hoe breng je groot nieuws, dat is een zeer realistische kwestie, die van eerste verliefdheden via huwelijksaankondigingen tot doodsaanzeggingen voor elke lezer en schrijver speelt. En dus ook voor menig personage. En juist omdat de kwestie zo waarschijnlijk is, ga ik er in mee, ook in deze gekke context, buiten, slecht weer, druipend van ongemak.

Gerritsen speelt met mijn goedgelovigheid. Ze laat het haar personage uitspelen, verkeerde woorden gebruiken ('nieuwtje', 'gelukt'), verkeerde bliksemafleiders kiezen (eerst het tasje, dramatisch en betekenisloos omhooggehouden, dan pas de omineuze dokter), relativeren. Elke stap is slechts onhandig, slechts ongebruikelijk, slechts ongemakkelijk, pas als het hele pad gelopen is, blijkt hoe door-en-door ongewoon deze dialoog is. En het was nog wel zo spontaan.

'Dat was exact wat Elisabeth zojuist had gedaan. Ze was gewoon begonnen, op het verkeerde moment, op de verkeerde plek, in de verkeerde kleren. Ze had het in één keer gedaan en nu moest ze alleen nog maar de troep opruimen en hopen dat het daarna beter was dan voor ze aan de klus begon.'

Normaal is: wie te groeten

Even realistisch is het groetprobleem van Isebrand.

Intuïtief had hij het idee dat zijn problemen met post, telefonie, werk, vrouwen enzovoort, slechts symptomen van een dieper liggende moeilijk­ heid waren, een kerntwijfel, die hij bij gebrek aan beter "het groetprobleem" had genoemd. In de bedrieglijk simpele basisvraag: Wie te groeten en wie niet? kwamen al zijn existentiële twijfels het meest pregnant tot uitdrukking. Wie te groeten en wie niet: het leek een probleem van niks, maar als je er langer over nadacht, zoals Isebrand gewoon was te doen, raakte je de draad makkelijk helemaal kwijt.

Maar waar de moeder van Gerritsen te spontaan is, denkt Isebrand hier te veel na. Het is een reëel probleem in kleine, kunstmatige gemeenschappen als Groningen, een letterenfaculteit, een feest. Wie ken je, wie niet, hoe goed moet je iemand kennen, hoe moet je die persoon dan aanspreken? Hoe zeg je iemand dat je doodgaat? Gerritsen en Valens strooien zout in de alledaagse open wonden van de samenleving. Want we voelen allemaal wel aan hoe het eigenlijk hoort, maar het gaat om zulke fundamentele zaken dat net mis helemaal mis kan zijn.

Hoe hoort het eigenlijk, een echo

Het goede aan zowel de roman van Gerritsen als die van Valens is dat ze die hoe-vraag herhalen. Als de dochter van Elisabeth, Coco, het vertelt tegen haar vriend, en vervolgens tegen haar vader en diens vrouw, schept ze daar een eigenaardig genoegen in. En ze zegt niets geks, echt niet mevrouw de recensente.

‘Coco vindt het ineens vreemd om te wachten met de mededeling tot het voorgerecht. Toch heeft ze al gewacht tot het woensdag was, tot ze hier waren, tot ze hun jassen uit hadden, tot ze zaten, maar nu het bijna zover is, vindt ze haar perfecte timing banaal.
“Ik denk Ti Pan tong”, zegt haar vader.
“Mama is ziek”, zegt Coco.
“Ziek?” vraagt Miriam. “Heb je haar gezien?”
“Kwam haar tegen op de Overtoom.”
“Wat heeft ze dan?” vraagt haar vader.
“Ernstig,” zegt Coco, “ik bedoel ernstig ziek.”
Haar vader en stiefmoeder leggen de menukaarten neer.
“Kind, wat is er aan de hand?” vraagt Miriam.
“Kanker.”
“Wat voor kanker?” vraagt haar vader.
“Nieren, geloof ik. Kan dat?”
Miriam zegt: “Jeetje, meisje, en dat zeg je ons nu? Sinds wanneer weet je dit?”
“Maandag.”
“Waarom heb je ons niet gebeld?”
“Ik zeg het nu toch.”
“Gaat ze dood?” vraagt haar vader.
“Ik denk het”, zegt Coco. Hans zit zwijgend naast haar als een reeds ingewijde die keurig zijn beurt om te spreken afwacht.
“Zegt ze dat?”
“Niet met zoveel woorden, maar ze wordt niet meer behandeld.”’

'Perfecte timing' - ze relativeert het meteen. Maar hoe ze de mededeling rekt, weliswaar zonder nieuwtjes en tasjes, dat is eigenaardig. Ziek. Ziek? De Overtoom. Hoezo de Overtoom? Wat doet de Overtoom hier? Hoe lang doet Coco erover voordat ze, en dan nog steeds in het vage, de doodaanzegging laat vallen? Alsof je een goede wijn nog maar eens door je mond laat rollen, om de slok uit te stellen. Geen gekke metafoor, Coco kan er zelf ook wat van:

‘Elisabeth de Wit – ook zonder naderend einde toch al verrukkelijk conversatiemateriaal – zal deze avond de gedachten van het gezelschap niet meer verlaten. De glazen zijn gevuld, de messen zijn geslepen. Coco glimlacht en kijkt tevreden voor zich uit, zich verheugend op een gesprek waarvan ze het verloop al kent, maar dat toch nooit ophoudt haar te vermaken. Hoe de verhalen ook zullen verlopen waarin zij zelf een rol speelt, zij is de jongste, zij is het kind, zij is de onschuld. Ja, zo voelt tevredenheid.’

Isebrand komt telkens weer terug op zijn probleem, al komt het in de praktijk niet zó vaak voor, Het Boek Ontheeft tal van verhaallijnen en personages. Maar essentieel is het in zijn omgang met de vrouw die hem ontsloeg, Manja van der Ziel, of eigenlijk, niet-omgang. Dit is de eerste ontmoeting in het boek:

Dat gehate gezicht tuurde nu naar hem (of was het inbeelding?) en leek, net als het zijne, te verstar­ren. Een fractie van een seconde grepen hun middellangeaf­standsblikken in elkaar en hielden elkaar woordeloos gevangen. Isebrand beleefde deze pico­tijdspanne in slow motion. In die summiere tijd leek haar mond open te zakken tot een perfect ron­de o­vorm, alsof ze moest gapen. Toen draaide ze, ogenschijnlijk langzaam maar feitelijk bliksemsnel, in ultra­slow motion dus, haar bleek oplichtende hoofd van hem weg, zonder een teken van eventuele herkenning af te geven, en vervolgde furieus trappend haar weg. De gelegenheid tot contact was kort, want vrijwel met­ een verloren ze elkaar weer uit het oog. De muis van zijn Lhand bloedde een beetje, maar hij voelde het niet.

Maar de tweede keer, weliswaar na lang twijfelen en voorbereiden:

‘Zogenaamd in gedachten verzonken stak hij over, precies op het moment dat zij, die weinig vaart maakte, eraan gereden kwam, en schrok zogenaamd op. Ze zagen elkaar recht in de ogen. Een fractie keek Manja enigszins verdwaasd, alsof ze hem wel herkende, maar niet meer wist wie hij was. Toen viel het kwartje en groette ze heel vriendelijk: “Dag, Isebrand. Gaat het goed?”
“Jawel, dank je, Manja, jij ook?”
Ze lachte naar hem. Haar wangen leken te gloeien. ”Ik ben moe en dronken, ik moet naar bed.”
“Ik ook.”
De woorden kwamen vanzelf. Manja riep nog een “Doei!”, die Isebrand echode, en daarmee was de uitwisseling alweer voorbij. Manja begon sneller te trappen, terwijl hij stil bleef staan en haar nakeek.’

Het gaat Isebrand helemaal niet zo slecht af, het spontaan normaal reageren op andere mensen, maar met alle bijgedachten erbij, met de geschiedenis van vernedering en onderhuidse emoties, met dat alles wordt het gek en ongemakkelijk.

En zo wordt dat ongemak rondom een conventie niet alleen iets wat de Elisabeth, Coco en Isebrand kleur geeft, maar ook de plot drijft. De begrijpelijke reacties op Coco's verhaal zetten haar aan tot het drieste besluit bij haar moeder in te trekken. De groet van Manja drijft Isebrand uit zijn probleem, hoe kort ook, en herstelt iets van zijn waardigheid.

Dichtbij of van afstand

Het is natuurlijk een wat kunstmatige toestand die ik hier blog na blog oproep: telkens de ontspannen lezer-voor-het-lekker contrastreren met de nauwkeurige, neurotisch-objectieve lezer. Maar ik ga liever verder dan simpelweg vaststellen dat iets grappig is of niet, absurdistisch, normaal, of spel. Ik begrijp liever hoe zoiets werkt. Bovendien: wat is er gek aan moeite met moeilijke mededelingen of groetproblemen?

Een zwart vacuüm

En wat is er mis met gekken? In Christine Ottens nieuwe roman, Om adem te kunnen halen, nu eens een serieus boek, is de vader een gek, een gediagnosticeerde gek, en de dochter bang om het ook te worden. Gekte is een gegeven, maar Otten speelt dat nu juist niet uit. Zij laat de vader, in een volstrekt sluitende, intelligente gedachtegang over literatuur, theater, relaties en liefde denken: 'Welk kind wil zijn ouder opzoeken in een psychiatrische instelling?' Het is een potsierlijke vraag, want hij lijkt niet relevant.

Op dat moment althans. Later in het boek beschrijft ze zijn wanen, en ze zijn levensecht, maar alleen doordat je weetdat het om diezelfde man gaat. Dit is echte gekte, en Otten laat ons de ruimte niet om te twijfelen over kappers en ex-cheffinnen, ze zet ons er gewoon in:

'Dit donker was anders, kouder, hermetischer, ondoordringbaar en definitief. En zo wilde hij het ook. Geen spatje licht. Geen sprankje lucht. Rolgordijnen naar beneden, overgordijnen dicht. Dekens opgetrokken tot aan zijn kruin. Zwart. Niets. De miljoenen onzichtbare dode huidcellen in zijn bed gaven een muffe grijze slaapgeur af die hij steeds opnieuw inademde, totdat alle zuurstof eruit verdwenen was.'

Objectief gezien krankjorem. Maar wie heeft dat verlangen naar afgeslotenheid, en zulke vergezochte associaties, nooit? Zelfs dat, mevrouw de recensent, is nog niet eens zo heel erg eigenaardig. Heb ik u wel eens verteld over die fase van halfslaap waarin een kubus in de kamer langzaam groter wordt, tot hij mij tegen de muren drukt?

Of hoe de grootste gek de lezer blijkt te zijn.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog