Vooral stijl (Pfeijffer, Schröder, De Nooy)

Het objectieve subject

Stijl. Wat is stijl? Scholieren moeten er vragen over beantwoorden, adviseurs van het Letterenfonds, recensenten. En wij, de mannen van het literaire tijdschrift, letten vooral daar op. Toch?

Goede stijl. Wat is goede stijl? Stijl is wat je niet ziet, stijl is een probleemloze opeenvolging van woorden - tot er iets geks gebeurt. Opeens een zin zonder werkwoord. Opeens lijken alle zinnen verdacht veel op elkaar. Opeens is het anders. Zat je lekker door te lezen als een trein, komt er boem, een tegenwoordige tijd. Dan is er iets aan de hand. Goede stijl is onzichtbaar en effectief. Goede stijl loopt (en wandelt, dwaalt in het algemeen niet - dat is een probleem in mijn wandelzinnenproject). Dat durf ik wel te zeggen. Maar zo beoordeel je ambachtelijkheid.

Is goede stijl, en ik heb het nu over stijl op zins- en alineaniveau, effectieve stijl, ook literair? Is een geslaagde zin kunst? Want daar gaat het toch om, in een literair tijdschrift. Ik kom erop terug. Deze week verschijnen de nieuwe romans van twee van onze voorgangers bij De Revisor, Ilja Leonard Pfeijffer (La Superba) en Allard Schröder (De dode arm). Een ambachtelijke analyse, met een uitstapje naar Richard de Nooys gestileerde stemmen in Zendingsdrang en een poging tot een antwoord op de vraag naar literatuur.

De taal krimpt, de wereld dijt uit

Schröders boek heb ik nog niet uit, daar begin ik pas net aan, maar de opening van het boek zet de toon (zo hoort het, ook dat durf ik wel te zeggen):

'Aan de bovenloop in de bergen was de rivier wild water geweest, koud en grijs, vol onrust zoekend, onzeker van steen naar steen glijdend; eerder al had ze zich daarboven wit schuimend van de klippen in het diepe geworpen om later, in hoog tussen de rotsen opschietende fonteinen, moeiteloos de horden van de cataracten te nemen, en verder, dieper, steeds dieper het dal in te stromen. In het eerste laagland gleed ze jong nog, maar niet langer koortsig kolkend en al broeierig met woelend water, langs naakte oevers en banken met blanke kiezel en zwarte elzen, over dwergengoud naar steeds lager land, waar ze breeduit voor het eerst met andere rivieren samenvloeide, ’s winters buiten haar oevers trad, over straten ging, in huizen zocht, tot ze uiteindelijk glinsterend A*** bereikte, waaraan ze, inmiddels oud en breed, voorbijging, aarzelend hier en daar – er was niemand die haar zei waar ze moest zijn – al niet meer wetend hoe ze daar was gekomen. Verderop verliep ze zich, bleef ze staan, koesterde ze haar oppervlak in de zon, begaan door een enkel schrijvertje; verstrooid verdwaalde ze en vond in dode armen vergetelheid en waterlelies; een van de oevers daar had een strand van grauw, slaperig zand waar alleen kinderen en libellen kwamen.'

Dit is ruim opgezet, lange zinnen vol bijwoorden en bijvoeglijk naamwoorden. Veel beeld, geen actie. Een rivier die menselijke eigenschappen verzamelt alsof het restafval is: onrust, onzekerheid, moeiteloosheid, jeugd, koorts, broeierigheid, aarzeling. Dit is mooischrijverij.

Maar er is over nagedacht. Kijk eens hoe de zinnen efficiënter, slanker worden naarmate de rivier uitdijt en verdwaalt. Die woordweelde is geen slordigheid, maar een bewuste kunstgreep om iets te zeggen. Wat precies? Je vermoedt, inhoudelijk, iets over de jeugd en volwassenwording van Ernst Elfkind Coltersteen beschrijft. Maar zegt de stijlverandering ook iets over het verloop van de roman?

Niet in ieder geval, blijkt in de hierop volgende zinnen, dat we meteen van de ruim gekwalificeerde beschrijvingen afzijn, zoals de 'oude, krom gegroeide eiken, welig opschietend struikgewas, geschoren gazons, bemoste rietdaken en vermoeide straten' en

'een buitenwijk met stralende ochtenden en bedauwde velden, lauwe regens, laaiende zomerhitte, waarin alles wat groeide tegen het eind van de dag grijsblauw van kleur kon verschieten, waar in de verte schelle kinderstemmen klonken en liedjes van toen, die over de liefde voor the boy next door gingen en werden gezongen door die licht hese maar meisjesachtige vrouwenstemmen, waarop de jongen altijd verliefd was'

Het blijft weelderig, een traagheid die de brede laaglandse rivieren meer past dan de bergbeekjes. Niet mijn smaak. Maar dan hoeft het niet ineffectief te zijn. Misschien werkt het wel goed. Dat moet blijken, en in het tijdsbestek van het schrijven van deze blogpost verwacht ik geen antwoord meer.

Onderwerp + persoonsvorm &c. x 5

Ook voor Pfeijffer is stijl van groot belang. Zijn opening ontbeert lyriek, maar compenseert dat met ritme.

'Het mooiste meisje van Genua werkt in de Bar met de Spiegels. Ze draagt dezelfde nette kleren als alle meisjes die daar werken. Ze heeft ook een vriendje dat haar af en toe opzoekt wanneer zij werkt. Hij heeft gel in zijn haar en draagt een t-shirt zonder mouwen waar soho op staat. Hij is een klootzak. Soms zie ik via de spiegels hoe zij elkaar stiekem zoenen in het hokje waar zij de hapjes voor het aperitief klaarmaakt.'

Ziet u dat ze - ze - hij - hij? Dat geeft tempo. Pfeijffer doet het even later ook met ik:

'Ik probeerde mijzelf bij te lichten met het lampje van mijn mobiele telefoon, maar het schijnsel was te zwak. Ik was vlak bij huis. Ik besloot het ding te verstoppen achter de containers met bouwafval en het de volgende dag te bestuderen. Ik was nieuwsgierig. Ik wilde eigenlijk heel graag weten wat het was.'

Deze eenvormigheid is wat suggestief, want er staat niet telkens iets vergelijkbaars. Net als in de eerste opvolging er opeens een 'klootzak' staat, staat er hier de bijna overbodige bekentenis over nieuwsgierigheid. Het geeft deze fragmenten iets vanzelfsprekend eerlijks.

Pfeijffer speelt met die vanzelfsprekendheid, het hele boek door. Hij speelt met bekentenissen, clichés, zuchten van schrijvers en personages, en dat ironische spel maakt La Superba erg onderhoudend. Er zit ook een zwaardere thematiek in, die wat minder goed naar boven komt. En een handvol van de tiental verhaallijnen wordt hier, in deze opening van het boek, al ingezet - net als ik dat van Schröders boek verwacht.

Maar stijl dus. Hier geen tierlantijnen, maar zinnen die werken. Korte, krachtige zinnen, variatie waar er iets geks gebeurt. Het schema klopt. Maar niet altijd. Want het is niet dat Pfeijffers boek niet literatuur ademt, door zijn vele (ongetwijfeld niet allemaal opgemerkte) verwijzingen naar andere boeken, of dat hij niet een enkele keer stilistisch uit zijn slot schiet:

'Vandaag. Vier lange bruine blote benen in een soort van broekjes die te klein zouden zijn om fris ontluikend schaamhaar te bedekken als ze zich niet hadden geëpileerd, met daarboven een vermoeden van een hemdje waarin minderjarige tietjes loerend hun kans afwachten. Koperen dijen zo dun als mijn polsen die een ronkende scooter omklemmen. Meisjes met maar vier dingen aan: een druppel Chanel, twee pumps en een fladderend zomerjurkje. Een klein aardbevinkje zou volstaan om elk van hen te laten klaarkomen waar ze bij zitten. Ik hoef maar een vinger uit te steken of ik zit in iets nats wat kreunt, terwijl er aan het belendende tafeltje de laatste doorzichtige niemendalletjes zuchtend worden uitgetrokken omdat het zo godvergeten gloeiend warm is.
Ik overdrijf een beetje. Ik zit mijn fantasie uit te leven. Laten we het een stijloefening noemen. Maar dat ik overdrijf, wil niet zeggen dat het onwaar is wat ik zeg.'

Laten we het een stijloefening noemen. Ja. Wederom: mijn smaak? Nee. Mijn gevoel voor humor? Ja. Het schema werkt: variatie heeft effect.

Een eerste poging tot een antwoord op de hamvraag: als stijl literatuur ademt, maakt dat die stijl literair? Als Schröders weelderige traagheid dwingt tot lezen, als Pfeijffer zijn teksten volstopt met verwijzingen, dan is dat literair. In ieder geval op een secundaire, functionele manier. Is het ook goede literatuur?

Ieder zijn eigen stem

Wat Pfeijffer minder doet dan Richard de Nooy, wiens Zendingsdrang vorige maand verscheen, is zijn personages een eigen stem geven. La Superba, dat wat aantallen personages betreft klassieke Italiaanse romans naar de kroon steekt, geeft daar voldoende aanleiding toe, en de drie 'grote' thematische verhalen, van een Marokkaanse, Engelse en Senegalese migrant, zouden wel een eigen klank verdienen. Toch sneeuwen die personages wat onder, ze blijken zich al te bewust van hun positie als personage en verteller, en dat ironische standpunt ondermijnt de tragiek en eigenheid van hun geschiedenissen.

Anders is dat bij De Nooy. In ons laatste nummer stond 'Sneeuw', een verhaal over een kindsoldaat dat terugkeert in Zendingsdrang. Ik geef u twee citaten uit twee grote verhalen uit zijn roman, en verwijs u naar de 'gewone' vertelstemmen in de voorpublicatie op Athenaeum.nl.

We moesten kogels en benzine en eten hebben en hadden een dorpje gekozen waar ik de naam niet meer van weet. Met hun verrekijkers hadden onze verkenners auto’s in het dorp zien rijden, en mannen die dezelfde geweren hadden als wij. Sommigen noemen zo’n geweer een Kalasjnikov of een Aakaa of een Vier-Zeven, maar wij noemen het Zeep. Het is het meest betrouwbare wapen in de wereld. ‘Je kunt hem begraven in het zand en op het zand pissen en hem de volgende dag opgraven en dan nog zal ie zijn werk doen,’ zei Meneer Unigwe. ‘En ik zal het bewijzen door je met datzelfde wapen dood te schieten als je zo stom bent om het te proberen!’

Mijn oudste broer Josip kwam me met de auto halen. De rit naar huis in het donker was een helletocht. Het was hemelsbreed maar vijftig kilometer door de bergen, maar we reden zonder licht over landweggetjes om de controleposten van de ‘Vijand’ te ontwijken. Het was alsof mijn broer ineens een compleet andere taal sprak, die bevolkt werd door mythische wezens, de een nog bozer en gevaarlijker dan de ander: Groenmutsen, Chetniks, Arkanovci, Martiæevci, Patriotten, Ustashas, Draken, Blauwhelmen, Šešeljovci, Specijalci, Vitezovi en ga zo maar door. Alsof ik in een boek van de Engelse schrijver Tolkien was beland.
‘Er ligt wat op de achterbank voor je,’ zei Josip.
‘De ring?’ grapte ik, maar Josip leek het niet te horen.
‘Zoran bleef maar zeggen dat we hem voor jou moesten bewaren. Dat je terug zou komen.’
Ik tastte in het donker en voelde door de deken het zware staal van een jachtgeweer. Heel even zag ik weer die eerste haas in volle vlucht tuimelen.

Twee moordenaars, de ene nog jong, de ander iets ouder, en doorgeleerd. Kijk naar de opsommingen, hoe De Nooy die heeft vormgegeven. Kijk naar hoe doordacht de tweede verteller is ten opzichte van de eerste. De kindsoldaat uit 'Zeep' begint bij het oordeel, 'het meest betrouwbare wapen in de wereld', de student uit 'Nazgûl' begint met een heel fysieke beschrijving ('het zwarte staal') en vervolgt met een beeld. Dat beeld grijpt terug op een eerdere scène en verbindt de verteller met het wapen, met het zelfvertrouwen in het schieten en met de kennis van de dodelijke gevolgen van zijn trefzekerheid. Minstens zo complex, maar even effectief.

Toch?

Wij, de mannen van het literaire tijdschrift, letten vooral op stijl. En of die stijl werkt. Hoe hij iets doet en iemand raakt. Of hij meer doet dan beschrijven. Of hij meer doet dan emotioneren. Of er iets op volgt, of dat urgent is, persoonlijk, verrassend. Of dat spannend is, geestig, tragisch.

Maar valt dit niet allemaal ook toe te passen op een goede journalistieke reportage? Is stijl ook niet iets eigens, iets wat buiten het effect omgaat? Is er niet goede stijl, en uitstekende stijl? En is dat dan subjectief? Want ja, er is verschil tussen wat de vorige redactie goed vond en wat wij goed vinden. Is dat smaak?

Dat is een tweede poging tot een antwoord, en daarmee komt een definitief antwoord verder weg te liggen. Een derde poging is: effect kan optimaal zijn, er staat geen woord te veel, maar elk van de resterende woorden zegt meer dan het betekent. Kijk eens hoeveel woorden meer ik nodig heb om uit te leggen waarom De Nooys zinnen met jachtgeweer en tuimelend konijn zo goed zijn, dat geeft al een indicatie van hoeveel suggestie die beschrijving van handeling en herinnering bevat.

Wij, de mannen van het literaire tijdschrift, letten op stijl. We zoeken het beste. En ik twijfel voort.

Eén reactie

July

Je epileert toch geen schaamhaar?

July, - 25-02-’13 12:18
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog