500 à 1000: Mus

Het is al laat als ik de bus naar de wasserette neem. Ik denk aan de keren dat ik met mijn moeder ging tot ze raar begon te doen, fluisterend vroeg of ik dacht dat in de trommel een mensenlijf paste. We hebben het nooit uitgeprobeerd. Ik heb haar hond gekregen, sieraden en de hooivork waar mijn vader haar altijd mee achterna zat. Nu woon ik alweer een tijdje in de stad, kocht een twijfelaar om verder te kunnen gaan en een legerjas zodat ik ruwe verhalen kon verzinnen. Op de teevee linksboven in de hoek zie ik grappige baby’s met sultanamoeders. Ze bewegen ongecontroleerd met hun lippen en lachen gemaakt. Ik zou ook wel in beeld willen komen terwijl ik me begeef in een wereld van wasverzachter en kruimels tussen suède lakens. De deur piept, meestal komt hier alleen de achterbuurvrouw die last heeft van huismijt.

Een jongen loopt langs me heen, zijn ogen staan zoekend alsof hij zich afvraagt waar hij nu is terechtgekomen. Hij trekt zijn afhangende spijkerbroek omhoog en neuriet een melodie van de Rolling Stones. Zijn neus is oranje. Mus, denk ik, zo moet hij heten. Ik heb besloten hem niet aan te spreken, op teevee zijn het de mannen die dat doen. Ik heb altijd al in een film willen leven. In een wereld waar het snel donker wordt en binnen vijf seconden weer licht. Daar slaapt niemand, alleen hier weet de scriptschrijver zich ’s nachts geen raad met de lege tekstballonnen als zijn acteurs indommelen achter de coulissen. Het is sneu, maar zo is het. De jongen stelt zich wel voor. Ondertussen denk ik aan seks en aan de kip tandoori die in de koelkast staat te wachten. Het loopt door elkaar heen, het zou allebei kunnen. Ik begin met kip tandoori.

Mus, zegt de jongen alsof hij een proefpersoon van het toeval is en trekt een schone trui aan. Door de gaatjes van de wol kijken is vergelijkbaar met een telescoop, zegt hij. Lola, knik ik en pak zijn hand. Ik krijg een warm dropje dat aan de binnenkant van zijn broekzak kleeft, buiten regent het de laatste tijd als het niet waait. Hij vraagt of ik koffie wil. Ik zie nergens een automaat. Hij vraagt het omdat het normaal schijnt te zijn als je elkaar ontmoet. Ik denk dat ik hem op dat moment leuk begin te vinden maar het kan net zo goed eerder of later zijn geweest. Hij woont al jaren in de stad en is metronoomliefhebber. Zijn hele huis staat er vol mee, het geeft rust als tenminste iets van het leven in de maat loopt.

We hebben het over kinderen, de mijne zijn er niet gekomen, de zijne zijn weggegaan. En over bier en sushi, waarom je het allebei moet leren consumeren alsof het een surprise ei is waarvan je de inhoud eerst in elkaar moet zetten om te zien wat je ermee kan doen. Soms ontdekken we een gelijkenis, vragen we vragen als een CD met krassen, in het begin gaat het altijd zo. Ik vertel hem dat ik mijn sokken iedere keer nieuwe tweetallen laat vormen, zodat ze nooit in paniek raken als er één vermist wordt. Hij knikt bedachtzaam en wrijft een slaapje uit zijn oog dat aan zijn wenkbrauw blijft kleven. Ik zeg er niets van.

Urenlang kan ik naar het gedraai kijken, net als naar mijn vissenkom. Een week geleden heb ik nog een zwemvest voor Vliesja gebreid. Ze blijft nog steeds drijven. Mus zit met zijn knieën tegen elkaar op de rand van mijn bed omdat de stoelen bezet zijn met kat, gewassen jurken en onderbroeken. Gelukkig mijn mooiste. Een lok plakt op zijn wang als een komma, de punt hangt in zijn mond. Ergens heb ik de behoefte om te happen en er even op te zuigen als bij een spaghettisliert. Zijn lege bierflesje zet hij op de grond en kijkt me met een loden blik aan, het is immers mijn bed. Ik glimlach, tenminste, ik voel iets rond mijn mondhoeken trekken. Het wordt een vraag over de grootste schoenenmaat en waar het diepste dal van de wereld zich bevindt. Hij zucht zoals alleen een hond kan zuchten. Zoekt diep in zichzelf, schudt treurig zijn hoofd, alsof we alleen uit water bestaan. Inmiddels zit ik aan een Whisky-cola en twijfel of hier borrelnootjes bij horen. Zo’n jongen is het niet. Meer iemand die leeft van stukken heelal die alleen rond middernacht naar beneden komen als niemand het ziet. Of in de winter van wolkjes afkomstig uit warme monden.

We praten over konijnen en andere knaagdieren. Hij heeft een cavia en twee parkieten maar daar heeft hij weinig mee omdat ze ’s nachts slapen. Hij zegt dat eenzaamheid naar lasagne ruikt uit te grote ovenschalen. Opgewonden benoem ik hem tot mijn lotgenoot. Zo iemand die in boeken meestal traag sterft en de wereld achter laat met enkel vergeelde herinneringen van een dode. Zijn kratje met was staat bij de deur. Soms is er een moment dat het lijkt dat we gaan zoenen. Hij zou mijn zoon kunnen zijn. Misschien is het daarom juist niet erg. Dus zoen ik hem. Eventjes lacht hij zogenaamd verbaasd en duwt me dan al gauw tegen het matras aan. Zijn ademhaling gaat steeds sneller. Hij klinkt als een voetballer onderweg naar het doel. Ik kan het weten, heb daar jaren rond gehangen en broodjes bal gegeten omdat ik de keeper zo leuk vond. De laatste week voor de zomerstop betrapte ik hem met een Nina in de kleedkamer. Ze keken geschokt maar ergens vonden ze het ook wel lekker.

We liggen samen op mijn twijfelaar, ik vraag me af of je verwachtingen gratis bij de aankoop van een matras krijgt. Ik weet het niet en denk aan de sluwe verkopers, misschien gunnen ze het de ene wel en de andere niet. Het zou een hoop kunnen verklaren. Mus vindt het warm hier maar eigenlijk moet ik me gewoon uitkleden. We tellen tot vijf en trekken dan snel alles uit. Zijn voet tikt tegen de rand van het bed, een metronoom die aftelt wanneer we mogen beginnen. Bij tien tikken zegt hij: Nu. En wrijft zijn lijf over de mijne heen. Je hebt leuke borsten, zegt hij, verandert het gauw in lekker als ik frons met mijn wenkbrauwen. Dat heb ik van mijn moeder, fronsen.

We hijgen elkaars namen. Lola. Mus. Lola. Mus. De lattenbodem piept, het bed schuift tegen de muur. De buurvrouw klopt op de muur en roept Joehoe. Ze herhaalt het drie keer en zet dan de stofzuiger aan. We bijten in elkaars schouder als we komen. Zijn magere lichaam glijdt van mij af en rolt naar de kant van de deur. Voor deze keer mag het. Ik streel langs zijn ruggengraat en vraag naar zijn andere liefdes. Zijn ademhaling is weer normaal, hij slaapt. Hij is net als alle andere. Enigszins teleurgesteld kruip ik uit bed en scharrel wat wasgoed bij elkaar. Ik wacht nog even, hoop op een vraag. Mijn naam desnoods. Het blijft stil. Ik aai de kat die morgen jarig is en vraag mij af hoe je dat viert; een kattenverjaardag. Ik ben er nog niet uit en neem een bus naar de wasserette. Er is een man met een blocnote en een rode pen. Droevig kijkt hij op als ik binnenkom. Hij ruikt naar Ikea en ziet eruit alsof hij gered wil worden. Ik stel me niet voor. Hij wel.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog