, 30 Mei 2013

Berlijn IV

“Gedichten-op-muren, gedichten overal, behalve in boekenkasten, laat staan in hoofden van de mensen,” aldus Anton Korteweg. Ik moest daaraan denken toen de Nederlandse ambassade me halverwege het jaar in Berlijn meldde dat er op de gevel een gedicht zou komen, iets waar ik in mijn online column voor De Groene iets mee zou kunnen doen.

Korteweg deed zijn gevleugelde uitspraak in de NRC in 2006 toen vijftig dichters aan de tand werden gevoeld over het schrijven in opdracht, het werken in een dwangbuis. ‘Beter ergens dan nergens,’ voegde Korteweg aan zijn antwoord toe. De muur, net een graadje hoger dan de prullenbak.

Gedichten op de muren en je waant je meteen in Leiden. Ik merk bij mezelf een steeds grotere irritatie bij poëtische reclames, vindingrijke logo’s (‘gewoon kaas’ heet de kaasboer om de hoek), literaire namen van belegde broodjes die je eetlust doen vergaan.

De medewerker van de Ambassade meldt dat het gedicht op de muur bijzonder is vanwege de ruwheid van de betongevel en de tijdelijkheid van het kunstwerk. Het gedicht is aangebracht op een gevel naast een bouwput, er zal een hotel komen te staan. Als de bouw stukje bij beetje vordert, wordt het gedicht onzichtbaar. Tenzij er een aardbeving komt die het ene gebouw doet instorten. Of een precisiebombardement, maar dat verwacht je eerder op een ambassade dan een hotel.

Het maakt me nieuwsgierig, maar ik kan er vanwege de inschrijving van mijn zoon voorlopig niet heen.

Het antwoord van Korteweg is complex. Gedichten op muren hebben niet zoveel te maken met gelegenheidsgedichten. Het is eerder een gelegenheidsbestemming. Bovendien kan een gedicht op de muur best in je kop gaan zitten als je er vaak langsloopt, ook als je er geen zin in hebt. Hij zegt dan ook in het interview: ‘Het past in dezelfde trend.’ Hij noemt ook dichters aan huis en dichters in tuinen en op boten.

Wat moet zo’n klein kutlandje met een gigantische ambassade aan de Spree, vraagt mijn altijd wat knorrige Duitse vertaler als we er te gast zijn op een avond rond Voskuil. Onwillekeurig moet ik om haar lachen, al is het maar omdat de cultureel attaché een kleine rol speelt in de sluiting van het Institut Néerlandais in Parijs. Schaffen zij de cultuur af, dan wij de diplomatie. Ik vergeet helemaal op de gevel te kijken en weet ook niet aan welke kant dat gedicht zit. Aan een kant in ieder geval niet, dan valt het hotel in het water.

Je zou maar in een huis wonen met een gedicht op de muur. En er dan gedichten in schrijven.

Die opmerking over Nederlandse kleinheid in Duitse ogen kom ik vaker tegen dat jaar. Bij de zomerborrel van Matthes & Seitz wil de directrice van het literaturhaus Köln niet geloven dat er in Nederland lezers zijn die niet van het werk van Nooteboom houden. Dat er in de Frankfurter Algemeine kritiek is op zijn Brieven uit Poseidon, oké. Maar dat zo’n grote schrijver uit zo’n klein pokkeland in eigen land niet gewaardeerd zou worden, dat kan toch niets anders zijn dan Eifersucht.

Il faut être roi dans son pays, zei Philippe Beck.

Vertalers worden anders gewaardeerd in het land van de brontaal dan in het land van de doeltaal, is mijn ervaring.

Op een van de laatste dagen van het jaar loop ik als bij toeval langs het gedicht. Het schemert. Het gedicht is net leesbaar, ook de Duitse vertaling van Ard Posthuma. Raar genoeg doet het afgebeelde gedicht me wat. Het is hoe de dichtregels binnen het raster van het stucwerk vallen, overwacht monumentaal, industrieel. Dit is beslist geen Leiden.

Nederlanders verkopen alles, dat is bekend. Zojuist is bekendgemaakt dat het Nederlandse leger om nog enig betekenis te hebben samengaat met het Duitse. Wie weet verkoopt Nederland binnenkort zichzelf wel. Aan Duitsland bijvoorbeeld. Al is het maar vanwege de economie. Dan hebben zij gelijk wat meer strand.

Wat opvalt is dat Posthuma ‘De morgenlucht’ vertaald heeft als ‘Der Morgen’. In het Duits moet het korter. En de ‘ontverfde’ vrouw heet ‘abgeschminkt’.

De medewerker van de Ambassade bericht dat ze het gedicht aan de stad willen aanbieden zodat het op een meer zichtbare plek kan komen te staan.

‘Berlijn / De zon is geel,’ dichtte Hendrik Marsman.

Ergens in een stad nam een vreemdeling intrek in een hotel. Hij legde zijn koffer op het bed, draaide de warme kraan van het bad open en keek naar de verbrokkelde muur. Hij pulkte gruis en behang weg. Er werden woorden zichtbaar in een taal die hij niet thuis kon brengen, uit een land dat misschien wel nooit heeft bestaan waar dichters gelegenheidsgedichten schreven. Hij maakte er een foto van, die hij nooit heeft afgedrukt.

___________________________________

(foto: Bosz de Kler) 

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

drie reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog