Vertelchocola. Over A.F.Th. van der Heijdens De helleveeg

Het objectieve subject

Een nieuw boek van A.F.Th. van der Heijden is iets om naar uit te kijken. Er zijn weinig schrijvers die een simpel verhaal kunnen uitrekken en verdiepen als hij, en wiens zinnen blijven rollen. Ik las De helleveeg, er viel me wat op, en ik bedacht een theorie. Over oppervlakkige eenvoud, gif en roerloosheid, en stukken vertelchocola.

Als je de kritieken leest van de nieuwe roman van A.F.Th. van der Heijden, dan is het eerste wat je begrijpt, hoe hij zich verhoudt tot alle oudere boeken van Van der Heijden. Hoe vertrouwd de personages uit De tandeloze tijd zijn, hoe de toon anders is dan Van der Heijdens eerdere werk. Hoe alles in die cyclus zich verhoudt tot Van der Heijdens eigen leven. Hoe zijn werk zich tot Maupassant en Balzac verhoudt. Het is moeilijk wat aan deze besprekingen toe te voegen. Moeten we het dan echt over het boek zelf gaan hebben?

(Misschien dat het over de haakjes moet gaan. Maakte Van der Heijden altijd al zo gulzig gebruik van dit non-fictieleesteken bij uitstek? Hij gebruikt er zo'n negentig paar op 235 pagina’s. En niet zelden denk je: wat daar stond, had net zo goed achterwege kunnen blijven: ‘Normaal was: na je eenentwintigste op eigen benen, tenzij je op je achttiende (of iets later) trouwde, dan mocht je meteen het huis al uit.’ Of: ‘Merkwaardig genoeg sprak ze zich in geschrifte niet uit over het grote drama in haar leven, de engeltjesfabriek boven de viswinkel – wat in strijd was met mijn gewaarwording dat ze haar ongeluk liefst iedereen in het gezicht wilde slingeren, niet alleen de verantwoordelijken (die trouwens geen van allen meer leefden).’ Dat maakt lelijke stapelzinnen. Maar ach, een kniesoor.)

Giftige pijltjes

Laten we dit dan noemen: dat op het eerste hoofdstuk na De helleveeg een simpele, chronologische vertelling is, met een thrillerplot. Wat heeft tante Tiny meegemaakt dat ze nu haar ouders en haar zus het leven zuur maakt? Maar dat hij in dat eerste hoofdstuk wel zinspeelt op op complexere vertelstructuren.

‘Toen oom Hasje in Nieuw-Guinea diende, vertelde ze me spannende verhalen over Papoea’s. Het was Pasen. Ik mocht ’s morgens bij haar in bed, mits ik mijn grote chocolade paasei meebracht. Bij elke cliffhanger in haar vertelling eiste ze, bij wijze van onterugvorderbaar voorschot, een scherf van het ei, anders kon ik fluiten naar het vervolg. Aan het eind van de paasvakantie was de chocola op, en wist ik nog niet hoe het met oom Hasje zou aflopen, terwijl de giftige pijltjes uit de blaasroeren roerloos in de lucht waren blijven hangen. Dat alles, en nog veel meer, was Tientje Poets.’

Deze alinea besluit een opsomming van anekdotes rond Albert Egberts' tante. Het is een simpel lijstje, met enige variatie. Zo is de alinea hiervoor een veel algemenere karakterisering (‘O, Tientje Poets, die zo virtuoos kon liegen: dat ze zwanger was, of onvruchtbaar, of tijdelijk van de leg af, net wat de situatie vereiste.’). Maar ‘dat alles’ dus. Dat alles zijn de leugens en de onvruchtbaarheid, dat blijkt, maar dat alles is nog veel meer de roerloos hangende giftige pijltjes, een virtuoos, onopvallend beeld voor Tiny’s uitgestelde wraakpleging.

Simpele vertellingen

De helleveeg is een boek over uitstel en vertellen. Het gaat er althans óók over, zoals al het werk van Van der Heijden. En dus over leugens. De jonge Albert Egberts vangt al luistervinkend details op uit Tiny’s leugengeschiedenis, maakt hele moorden op uit bloedvlekken in haar bed, maar later grijpt hij terug op groteskere methoden om de waarheid te achterhalen. Het paasei is daarbij een van de rode draden.

‘“Ik kom wel weer eens een keertje,” zei ik. “Dan kun je meteen vertellen hoe het verderging met die Papoea’s. Of Joseph Luns geraakt werd door giftige pijltjes.”
“Breng dan wel een chocolade paasei mee.”
Ze wist het nog.’

‘Ze wist het nog.’ En nog veel meer. Albert zelf herinnert zich de schunnige geschiedenissen, die verder gingen dan de Papoea’s, maar al te goed, en in een perverse bui treint hij naar Breda om zijn tante te verleiden.

‘“Je had dat systeem van voorschotten bedacht,” zei ik. “Ik had een groot chocolade ei van oma gekregen, omdat ik dat jaar kort na Pasen ook nog eens jarig was. Bij elke wending in je verhaal eiste je een stuk van het paasei op. Anders zou je niet verdergaan. Blijkbaar vertelde je zo spannend dat de chocola er voor mij niet meer toe deed. En ja, het werd op den duur ook wel een tikkeltje obsceen allemaal. Ik genoot.”’

Het lukt hem haar in bed te krijgen — en niet. Hij geeft alleen maar, en krijgt niet, en de chocola krijgt een bittere nasmaak.

De verleiding is groot Van der Heijdens paaseibeeld figuurlijk te nemen voor een manier van vertellen. Zo geraffineerd schrijft hij wel, het zou kunnen. Dan zijn wij lezers jeugdige Alberts, en Van der Heijden de jennend zwijgende tante die steeds meer weggeeft. Maar tegen welke chocola? Onze aandacht? Onze gretigheid? Of duidt de constructie die ik me hier inbeeld op een sandwich van het zoete en het serieuze? Nee, eerder geeft Van der Heijden ons juist te veel chocola en verhaal: sensatie én perversie, zoet en misselijkmakend. Met achter elk volgend stuk paasei een nieuwe verrassing. Het ei is te groot.

Bekentenissen

Die verrassingen mogen gelden als de belangrijkste nuancering bij mijn opmerkingen over simpele structuren: De helleveeg heeft maar liefst vier bekentenisscènes als mokerslagen. Na de lange, wat droge aanloop van weinig sensationele familiescènes is er de chocoladeseksscène, het robijnen huwelijk van Tiny’s ouders, het ziekenhuisbezoek bij Alberts moeder, en ten slotte haar crematie. Een van die geheimen laat zich al vroeg in het boek raden, maar dat ene geheim, en Tiny’s vastbeslotenheid juist andermans onrechtmatigheden op te poetsen, brengt een keten van pijnlijke onthullingen op gang.

Zodat er op haar eigen begrafenis niets meer te melden is, en Albert, die als een oorlogscorrespondent al die tijd alleen maar observeerde en uitvroeg, en nooit bemiddelde, het lafjes laat bij wat anekdotes. Met: ‘Onvermijdelijk: het stukgeslagen paasei, dat scherfsgewijs opging aan voorschotten bij de cliffhangers van haar Nieuw-Guinese avonturenverhalen.’

Laat dit een eerste voorschot zijn. Lezen!

Of: hoe de gelegenheidsplezierlezer het niet kon laten en begon te snoepen aan een doordravende analyse.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog