Een tros bleekblauwe worstjes. Over literaire bevallingsscènes (1)

Het objectieve subject

Lezen is vergelijken. Je ziet invloeden, tijdgeest, overeenkomsten in karaktertekening, humor, stijl. Je plaatst een boek in de actualiteit, naast de biografie, herkent emoties en beaamt redeneringen. Je ziet het allemaal, maar het zijn appels, peren en ananassen, de vergelijking levert geen meetbare standaarden op, geen schaal van literaire waarde of toepasbaarheid. Dus als ik voor een volgend essay op zoek ga naar literaire bevallingsscènes, dan ben ik niet op zoek naar de overeenkomsten, naar het realisme, naar de trauma's van een auteur. Ik wil bijvangst.

Dit is de vis: een levensgrote gebeurtenis, waarbij een vader wacht en wacht en toekijken moet, en een moeder wacht en pijn heeft en in een roes raakt. Uitstel en observatie bij hem, intense aan- en afwezigheid bij haar. De bevalling is zo'n kernmoment in het leven van mensen, het kan in romans ook personages tekenen en verhaallijnen in gang zetten. Hoe doen A.F.Th. van der Heijden (op drie plekken), Joost Zwagerman, Anna Enquist, Kristien Hemmerechts, Heleen van Royen, Hella Haasse, Ronald Giphart en al die andere auteurs dat? Kunnen we in de vergelijking toch iets vangen van hun vakmanschap en kunstenaarschap? Maar de eerste visjes zijn de fictionalisering van de geboorte van Tonio in Het leven uit een dag, de parallelle geboorte van kind en boek bij een viertal auteurs, en een arm die uit een schaduwprop steekt.

Eerste fase

Ik zit nu in de lange eerste fase van het schrijven van een essay. Ik verzamel materiaal. Via Facebook en Twitter kreeg ik een boel suggesties, waaronder het uiterst nuttige Nieuw leven. Geboorte in fictie, en uit de database van Ewoud Sanders kwamen nog een stel titels. Daardoor ben ik in de gelegenheid ook een paar scènes uit streekromans te bekijken.

Wat heb ik nu? Tangbevallingen, dode baby's en dode moeders, ongeduld en ongeluk en - een enkele keer - blijdschap. Artsen, verloskundigen, maar vooral veel vaders en moeders. Van deze auteurs heb ik al materiaal: Belcampo, Kees 't Hart, David Mitchell, Marieke van de Pol, Gustaaf Peek, Thomas Rosenboom, Menno Lievers, Gerard Reve, Laurence Sterne, Jeroen Brouwers, A.F.Th. van der Heijden, Joost Zwagerman, Ronald Giphart, Arie Storm, Hella Haasse, Ferdinand Bordewijk, Anna Enquist, Kristien Hemmerechts, A.F.Th. van der Heijden, Rosan Hollak, Hans Münstermann, Heleen van Royen, Gerda van Wageningen. En meer, maar ik heb niet alles gelezen. Hoe dan ook: de vlieger die ene Alison Mercer vorig jaar in The Guardian op tafel legde - in romans komen geen bevallingen voor - gaat voor de Nederlandse literatuur niet op.

Fase twee: vergelijken. Drieënhalf keer Van der Heijden

Lezen is vergelijken, en dat levert de eerste, onbeduidende visjes op. '"Hee, niet bijten!" Dat riep die gevangenisverloskundige die ik bijna in haar pols had gebeten toen er een heel erge kwam. Echt een hele erge. En, wat dacht je, misselijk was ik ook behoorlijk. Toen de vroedvrouw een slok koude koffie had genomen, schijn ik alsmaar te hebben geroepen: "Weg met die koffie. O, het ruikt zo erg naar koffie. Het stinkt. Ik kan er niet tegen,' staat er in Gini's brief aan Benny over de bevalling in Het leven uit een dag.

In Tonio zegt de verloskundige ook: 'Hé, niet bijten!' En dan: 'Puffen! Niet bijten!' De auteur, die op het punt staat een zoon te krijgen, krijgt even later wat te drinken. 'Met de koffie ging ik op een kruk naast Mirjam zitten. Ik nam een slok, en boog me voorover om haar iets bemoedigends toe te fluisteren. Eer ik wat had kunnen zeggen, riep ze: "Weg, alsjeblieft! Weg met die koffie! Het stinkt zo... ik ben misselijk... ik kan er niet tegen..."'

Over het vruchtwater, in de fictie van 1988: '"Als het wat rood ziet komt dat doordat er wat bloed bij zit." Slagzin: wij doen niets buiten de patiënt om.' In de requiemroman van 2011: '"Als het wat rood ziet, komt dat door een beetje bloed." Het was zo'n afdeling waar niets buiten de patiënt om gedaan werd.' Er is meer, maar dit was het pregnantst bij herlezing: 'Jij bent, als vader, vast beledigd als ik zeg dat wat ik daar tegen me aan gegooid kreeg me nog het meest deed denken, met al die gezwollen, zwaar neerhangende ledematen, aan een bos peen, of meer nog aan een tros bleekblauwe worstjes die ik een keer bij de slager in de etalage zag hangen.' Diezelfde woorden vind je in een dagboekaantekening die Van der Heijden in Tonio aan de geboorte wijdt.

Hoewel Het leven uit één dag zijn oorsprong vond in 1986, zoals Van der Heijden in een radio-interview zei, heeft het boek, dat 28 september 1988 verscheen, dus nog een belangrijke scène ontleend aan een grootse gebeurtenis van slechts enkele maanden eerder: 15 juni 1988.

Overigens was Van der Heijden op dat moment al bezig met Advocaat van de hanen, dat twee jaar later zou verschijnen, en waarin de bevalling juist niet beschreven werd (maar de verloskundige de bevallende vrouw net als in Tonio en Het leven uit een dag al heel familiair 'meid' noemt). Maar om deze vergelijking af te maken: in 2008 verscheen bij de ECI in de reeks Schrijvers van Naam De liefdesbaby, waarin Van der Heijden de geboorte van de hoofdpersoon van de Homo Duplex-reeks ensceneert. Zora's zwangerschap is onopgemerkt gebleven, en nu bevalt ze thuis, ongecompliceerd. Haar moeder schiet te hulp. De dodelijke ernst van de bevallingen uit 1988, waarbij de onzekerheid van de vader in fictievorm een volstrekt logische totalitaire context krijgt, is weg. Dit is literaire slapstick:

'"Wee! Wee...!"
"O wee...!"
"Wee, ach...! Ach, wee...!"
"Wee mij! Wee Witlox...!"
"Wee! Wee! O wee...!"
"Wee mama! Wee papa!"
"Wee Twanny! O wee...!"
"Wee Zoor! Wee mij! Wee kindje...!"
"Weh dir!"'

En nu wordt geen bundel worstjes meer geboren, maar 'een opgevouwen consumptiekip'. 'Om de kip zaten geen touwtjes, hij sloeg pootjes en vleugeltjes uit, en bracht z'n eerste schorre gekrijt voort.'

Meer vergelijken: jonge vaders en geboorteromans

Waar Van der Heijden een scène uit het ware leven haalt,  zo kort na de bevalling, zo hebben Jeroen Brouwers en Joost Zwagerman ook inspiratie opgedaan uit de zwangerschappen en bevallingen die ze van nabij meemaakten. Ronald Giphart wijst daarop in zijn bijdrage aan Nieuw leven. Geboorte in fictie. Giphart zelf betrok de zeer gecompliceerde afloop van de bevalling van zijn jongste zoon in IJsland. Waar Van der Heijden in zijn fictionaliseringen de moeder centraal stelt, kiezen Brouwers, Zwagerman en Giphart voor de vader (in spe). En ook bij het overlijden van kinderen komt de bevallingsscène terug: lees Van der Heijden elders, Enquist, Brouwers elders. En die schrijver die ik sprak, die een roman binnen de tijdspanne van een bevalling aan het schrijven is? Hij put uit eigen herinneringen.

Giphart wijst er dan ook op in zijn stuk, hij citeert uit een reisverhaal (uit KortVerhaal) van Henk Romijn Meijer: 'De verbeelding moet door ervaring worden gevoed. Pas dan kan hij een hoge vlucht nemen en onmogelijke sprongen maken in een mogelijk gebied.'

Fase drie: doorlezen, herlezen. Van het pad af

Interessant, maar waarover leren we nu iets? Het vergelijken tussen literatuur en leven levert meer inzichten op over het leven dan over de literatuur. Human interest is het, en daar wil ik geen essay over schrijven. Evenmin over hoe Zwagerman door Brouwers geïnspireerd is (zijn hoofdpersoon heet ook Joris), of hoe raak of niet Van der Heijdens angstige verwijzing, net na Tonio's geboorte, naar Ferdinand Bordewijks Karakter is:

‘Het vlotte met de geboorte allerminst. Het kwam den dokter vreemd voor. Zulk een kerngezond meisje. Maar hij stond voor het feit. Ten laatste besloot hij tot een operatie, Joba werd weggereden.
De dokter had op dit gebied al veel ervaren. Toch zou hij het geval nooit geheel vergeten, in den kring van vakgenooten sprak hij er meermalen over, nog jaren nadien. Hij zag onder zijn instrumenten het bedwelmde meisje verwelken. Zij sloeg in een uur het tijdperk der volwassenheid over, hij vreesde voor het hart, maar het hart bleef heel gezond. De zieke deed niets dan snel verwelken, gelijk een bloem in gifgas. Tegen alle zekerheid hoopte hij dat het bij zou trekken. Niets daarvan. Ze had alleen den fellen, ernstigen, den ras-blik gered uit de ruïne van haar jeugd.’

Krachtige zinnen! Treft Tonio's moeder dit lot? Niets daarvan, goddank. Veel raker en aangrijpender is Van der Heijden als hij de ziekenhuisgeboorte en -overlijden van zoon naast elkaar legt.

Ook geen literaire verwijzingen dus, maar liever de vraag wat Van der Heijdens opmerking over vruchtwater in de oudere roman krachtiger maakt dan in de nieuwe. De ietwat verouderde term 'slagzin' wellicht, de directe rede. Of Bordewijks 'een bloem in gifgas' nog dezelfde kracht heeft als in 1938. Vandaag wel, nu een week terug een gifgastragedie in Damascus het nieuws haalde, maar straks, over een paar maanden, als het essay gepubliceerd is?

Liever de vaststelling dat de bevallende vrouw in Het leven uit een dag, Gini, zeer opmerkzaam is, en dat Van der Heijden daar zijn kwaliteiten toont. Die ligt niet per se in het verwerken van eigen, al te nabij materiaal, maar in het beschrijven op afstand. Gini bevalt en kijkt door de tralies naar buiten, naar de binnenplaats.

‘Acht lange meiden speelden basketball. (Tralies doen me altijd denken aan de dwarsstrepen op een notenbalk, waardoor ik herinnerd word aan jouw pianospel op mijn vingers in de bar. Blijkbaar, Benny, loopt er een weg van de eerste paar maten van een smartlap via de balie in de rechtszaal naar een gevangeniscel. Al zijn we hem zelf ingeslagen, pas achteraf blijkt het ook echt een weg te zijn.) Van eentje sprongen telkens de zware borsten omhoog, alsof dié het netje in wilden in plaats van de bal. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd dan op het spel te letten. De weeën gingen door.
[... Hier volgen het bijna-bijten, de koffie en een stethoscoop op de buik - DS]
Gek, maar die weeën maakten me eng helder. Achteraf bleek ik een heleboel details in me opgenomen te hebben. Die lange balmeiden bij voorbeeld. Op een gegeven moment kregen ze ruzie en moesten ze door de ordedienst uit elkaar gehaald worden (denk niet dat ze niet kunnen bijten en krabben, want dat kunnen ze, die langgestraften). Toen niet — niet bewust, bedoel ik — maar nu, veel later pas, zie ik ze staan ruziën. Wat ik vooral voor me zie zijn die rare schaduwen tussen hun voeten. Alsof het de schaduwen van tot een prop verfrommelde lijven zijn, waaruit af en toe een arm losschiet.’

Wat zie ik? Onderbrekingen tussen haakjes (die doen mij niet zo functioneel aan), een wat abrupte stap terug naar de bevalling, een scherpe constatering ('Gek, maar die weeën maakten me eng helder.') en goede anekdotes. De opspringende borsten zijn een ongepaste seksualisering op deze plaats, maar niet in een roman waarin de herhaling van de liefdesdaad het doel is. En het mooist, want het verrassendst zijn de prop verfrommelde lijven en af en toe een arm - als een voorschot op de bos ledematen die Gini straks in de armen geworpen krijgt.

Fase vier en nul: de roes en de grote lijnen, het begin en de urgentie 

Nu nog meer lezen. Volgende aflevering hopelijk meer roes, meer directe verslagen van de bevallende vrouw, meer over hoe iets onbewusts subtiel (of juist helemaal niet) beschreven kan. Volgende keer ook kort terug naar fase nul, naar de urgentie van mijn vragen, naar wat dit alles drijft.

twee reacties

L. Arts

Ben bij het lezen van (3) naar (1) gegaan.
Goed onderwerp, mooie behandeld!
dank Daan Stoffelsen.
L. Arts

L. Arts, - 12-11-’13 15:02
Daan

Ha Lucy,

Dankjewel! Het essay is af, en verschijnt in ons decembernummer.

Alle goeds,

Daan

Daan, (URL) - 13-11-’13 11:20
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog