, 07 September 2013

Berlijn VII

Berlijn is een lelijke stad met fraaie resten. Dat noteerde Jaap Harten in Het verwoeste Berlijn, over een verpleegster die na het bombardement in het Volkspark op een granaat trapt die een deserterende soldaat had achtergelaten. De restanten van de vrouw zijn onherkenbaar, alleen haar horloge ligt ongeschonden in het gras. In de cult-roman De getatoeëerde Lorelei noemt de Haagse dichter Harten de stad ‘een puinlandschap onder rookzwammen’. Dat bleef er van over na de oorlog.

Ook Frans Kellendonk komt voorbij in het boek Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor van de vrolijke wetenschapper Jan Konst aan de Freie Universität. Een mooie gids met citaten van Nederlandse en Vlaamse schrijvers over Berlijn. Eerder beschreef ik hoe Herman Heijermans in een fragment als een Gunther Wallraff avant la lettre undercover ging in 1908 in een armenhuis in het straatarme Prenzlauerberg. Hij schreef er woedend over, vol afschuw. Tijd voor het tweede deel van het boek, na de oorlog en de herrijzenis van de muur.

‘Bewezen is dat een stad, als een lintworm, gerust in twee moten kan worden gehakt. Wat historisch half is blijkt in het platte vlak van het heden een compleet organisme. De Berlijnse Muur, die historisch een litteken is, wildvlees, is langzamerhand geworden tot een natuurlijk barrière, evenzeer een feit als de rivieren die Minneapolis van St. Paul, Dordrecht van Zwijndrecht scheiden. Aan de ene kant ligt een glas-en-betonstad zonder centrum, zoals er op het Noordamerikaanse continent honderden zijn; aan de andere kant een schilderachtige Middeneuropese puinhoop. En precies in het midden een taxfree shop.’

Kellendonk, die bovenstaande alinea schreef in de reportage ‘Langs de muur’, verbleef in een andere residentie dan de daad en wel die van de Akademie der Künste. Opstaphalte voor die residenten is het romantische stationnetje Bellevue. De S-Bahn is in de tijd van Kellendonks bezoek (1984) op sterven na dood, in handen van de Oost-Duitsers. West-Duitsers kopen er geen kaartjes voor, daar kopen die Ossies toch alleen maar prikkeldraad van (wat dan weer door de West-Duitsers wordt geëxporteerd, weet Kellendonk). Typisch is hoe hij de norse loketbeambte beschrijft die hem eerst een kaartje verkoopt om dan als de trein is gearriveerd en weer wil vertrekken door een zender ‘zurückbleiben!’ commandeert.

'Zurückbleiben!' - het klinkt nog steeds in de S-Bahn iedere halte, het is het Duitse woord dat ik misschien wel het vaakst heb gehoord, meestal uitgesproken met de kiezen op elkaar: zrckblbn! In the beginning was the word and the word was zurückbleiben. Ik kreeg de neiging om een keer terug in Nederland het zomaar tussen wat gedichten door te laten klinken. Kellendonk verstaat er iets anders in: ‘Ga weg achter mij, Satan!’

Kellendonk beschrijft een andere ruïne: de Anhalter Bahnhof, een stapel roodbruine bakstenen van het station waarvanuit de Joden in de oorlog gedeporteerd zijn. In de straat erachter is in Kellendonks tijd Strapsharry’s Autodrom gevestigd, een terrein waar je zonder rijbewijs voor 20 mark per uur in een auto kan crossen, tussen dijken van oude autobanden door. Het wordt beheerd door de travestiet Strapsharry, ‘de weeromstuit van Marlene Dietrich’, die met een act in diverse nachtclubs optreed waarvan hij ook al eigenaar is. Pal onder de Autodrom zijn nog steeds de folterkamers van de Gestapo. En er stond het Hotel Prinz Albrecht, waar Himmler de concentratiekampen ontwierp.

Er is niets van over, de Autodrom, de beheerder is alleen nog maar een illuster personage in een verhaal van Kellendonk. Op de Nollendorfstrasse wijst Kellendonks personage hem het voormalige huis van Christoph Isherwood aan, op nummer 17. Ook David Bowie en Iggy Pop woonden er samen. Nu, in 2013, woont er Rosemarie Still, de legendarische en gestrenge Duitse vertaler van Faverey, Lucebert, Kouwenaar en Claus, die de Berlijnse notities van Nooteboom vertaalde direct nadat hij ze schreef als gast van de daad. Het is niet verwonderlijk dat Duitsland voor de eenwording een Nederlander uitkoos hun journaal te schrijven. De hereniging van een Midden-Europese grootmacht kan maar beter door een buitenstaander bezongen.

En ook daarvan een fragment in het boek van Jan Konst, het titelfragment. Nootebooms notities lezen alsof je naar een oud polygoon journaal luistert: een onderkoelde stem die vooral tot emotie oproept. Dat uit zich in zinnen als ‘nu zijn ze hier en ze hebben hun leiders thuisgelaten’. Evenmin als gisteren is er iets te lezen in de gezichten van de douaniers, schrijft Nooteboom. Hij ziet jongens, dansend in de waterstralen van de grenspolitie op de muur, ‘een levend standbeeld in een aura van wit verlicht schuim’. De taxichauffeur die Nooteboom er heen rijdt, zet de meter af.

Is er nog een muur? Ja, maar een andere. In zekere zin herken je de muren rond de voormalige steden die samen Berlijn vormen. In Estland werd het geld van de Europese Unie gebruikt om in het hele land, ook in de bossen, hoogwaardig en gratis internet te brengen. In Estland werd skype uitgevonden, het gratis communicatiemiddel. Volgens dichter Katlin Kaldmaa, tevens voorzitter van de Estlandse schrijversvakbond en vaak onderweg, is skype de grote vredesstichter van de aarde die zorgt dat vele koppels op afstand bij elkaar blijven. Berlijn heeft iets heel anders met het geld gedaan. De U-bahn en de S-Bahn werden aan elkaar geknoopt en Berlijn werd omsingeld door een handige Ringbahn. Al moet je nog steeds op plekken de stations van de U uit om hetzelfde station van S te vinden. En de internetverbinding sucks in heel Berlijn. Wil je een bestand verzenden, dan neem je beter eerst de trein naar Hamburg, of een andere beschaafde stad.

Oscar van den Boogaard, daad-gast in 2003, heeft aanpassingsproblemen. Tegen De Morgen zei hij later: ‘Het liep niet zo vloeiend in het begin.’ En dat lag aan de Duitsers. ‘Ik wil het hier prettig hebben, dus als ik lach, moeten jullie teruglachen.’ Dat doen ze niet en daar ontstaat discussie over. Later leert Van den Boogaard dat je ook zelf kortaf kan zijn en niet altijd aardig hoeft te doen. Hij is er blijven wonen, zoals vele daad-gasten. Toch bundelt Konst met reden Van den Boogaards eerste ontmoetingen, uit Inspiration point:

‘Ik ben te ver gegaan, ik word in het nauw gedreven in de Mommenstrasse door een dikke Mercedes, de chauffeur scheldt me uit door zijn raampje, omdat hij er niet langs kan, ik kan niet opzij omdat er aan twee kanten bumper aan bumper auto’s staan geparkeerd, de man in de Mercedes blijft toeteren, hij raakt met zijn bumper bijna mijn spatbord, ik stap af, hij raakt mijn spatbord, toetert, ik roep: nazi!
Het moet er één keer van komen.
Het lag al een tijdje op de punt van mijn tong.
Ik dacht dat het daar op het puntje zou blijven.
Maar het laat los.
Nazi!
Ik zeg het nogal hard.
Misschien heb ik het geroepen.
De mensen van het terras van restaurant de Einhorn waar ik iedere middag lunch, kijken op.
Dat woord nazi weergalmt tussen de gevels van de Mommenstrasse en vermengt zich met de weeïge lucht van de lindebomen.
Nazi!
Omdat ik in het nauw gedreven ben.
Omdat ik geen claxon heb op mijn fiets.
Omdat mijn fiets geen dikke Mercedes is.
Omdat ik me bedreigd voel.
Nazi!
Ik zei het maar één keer maar intussen blijft het weerklinken.
In mij, in hem.
Het is stil.
Ik fiets naar hem toe en zeg dat het me spijt, maar ik kijk in zijn kille ontevreden gezicht, en ik denk, nee, het spijt me niet, en ik herhaal: het spijt me heel erg.’

Op 15 augustus 2012 til ik Leon Lucas Lindner voorzichtig uit de auto in een maxicosi, hij is dan een paar uur oud, onder constant getoeter van het busje pal achter me, waarvan de bestuurder het raampje heeft opengedraaid en er uithangt en roept ‘Ich muss vorbeigehen!’

Literatuur beschrijft niet of het ergens goed toeven is of niet. Literatuur is geen reisgids. In de Braziliaanse brieven beschrijft August Willemsen gepassioneerd de misstanden en de bureaucratie en de onmogelijkheid om in São Paulo aan een huurwoning te komen, woedend en liefdevol, gedreven op een cocktail van simultane heimwee en fernwee. Het is een van de mooiste boeken die ik ken. De bestemmer van zijn brieven kan niet anders dan een dierbare vriend zijn die hij precies wil uitleggen wat er met hem daar gebeurt. Op zekere wijze is de keuze van Jan Konst eraan verwant. Men wil naar Berlijn, om zich ongemakkelijk te voelen.

___________________________________

(foto: Bosz de Kler) 

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog