, 23 September 2013

500 à 1000: Nina

Een jaar lang ben je elke woensdagochtend bij haar. Je went binnen een paar weken aan de stijl van jullie gesprekken, want je durft tot je eigen verbazing hiaten aan, en zelfs de geur op de trap zodra je bij haar de voordeur binnenloopt: de natuurwinkel, oud tapijt en twee of drie hoopgevende wolkjes luchtverfrisser.

Omringd door de tafel onschuldige doosjes kruidenthee, de Zen-fontein met nepstenen en de ingelijste posters van Monets waterlelies, hoor je jezelf eindeloos in herhaling vallen. Steeds blijft zij je verbazen, want geen moment herken je op haar gezicht een teken van verveling. Soms denk je van wel, maar dan blijkt dat ze moet niezen.

Je zag jouw verslavingen voorbij komen, meest recentelijk M&M’s, je terugkerende benauwdheid en af en toe, als gezellig thema tussendoor, een onbeantwoorde liefde. Toch slaag je erin elk gesprek dat jullie voeren samen te vatten met dezelfde vraag: wie zijn mijn ouders? 

Nina is niet de eerste die je hebt betaald om te luisteren. Er is Heleen, met de zachte stem en het therapeutisch tekenen. Als de kleurpotloden op zijn, zoek je Claire op. Volgens haar is er geen uitdaging die jij niet aankunt… door je cv bij te werken, of met een uurtje cardio.

Je zou liegen als je zei dat Claire geen bron van hoop is, maar toch kun je Nina meer waarderen. Het maakt haar niet uit of je wilt praten over periodieke gevoelens van weemoedigheid of ongediagnosticeerd astma. Bij haar spreek je vrijuit, zij zou je leven nooit reduceren tot een periode waar je doorheen moet.

Dit zijn jullie sessies. Als doorgewinterde verslaggever ga jij wekelijks op pad, op zoek naar jouw gezinsverhaal. Nina neemt de eindredactie op zich, wetend dat jij de woensdag daarop een nieuwe verhaallijn onderzoekt. Willekeur maakt plaats voor duiding.

Vroeger worstelde je met de verhalen. Je twijfelde over relevantie, objectiviteit en boven alles, de waarde van herinnering. Nina leert je dat zolang jij er betekenis aan ontleent, het echt is gebeurd.

Je moeder zit altijd in de keuken, haar verfkwast in de hand. Overdag rijdt ze het land door voor een organisatie die onderduikers uit de oorlog hun redders laat bedanken. Er zijn burgemeesters, lintjes en kopjes koffie met marmercake. ’s Avonds, aan tafel, gaat het over bloembollen eten, verraderlijke buren en fl. 7,50 per jood. Naast jullie huis ligt het bos en achter je moeder is alles donkergroen en bruin, maar haar doeken geven de kamer een warme gloed: paars, rood, bordeaux, oker. Ze schildert abstract, wat jou er nooit van heeft weerhouden te vissen.

‘Wat zie je zelf?’

Je kijkt naar het doek en herinnert jullie zomervakanties, in dat dorp in Toscane. De nachten zijn stil. Jij zit in de tuin onder de sterren en kan de lavendel ruiken. Je moeder kijkt verbaasd: ‘Zelf dacht ik aan Auschwitz.’

Je bent jaloers op klasgenoten. Na school fietsen ze naar huis, stel je je voor, waar een pot aardbei- of kaneelthee op hen wacht. ‘Vertel eens lieverd,’ zeggen de moeders van Den Haag in koor, ‘heb je een leuke dag gehad?’

De vraag kent een paar varianten, maar dit weet je zeker: Bij hen thuis zijn sterrenhemels nooit synoniem voor massamoord.

Na de oorlog groeit je moeder op boven de kledingzaak van haar vader. Ze wordt dagelijks getreiterd door haar broer, van wie je pas mag weten dat hij bestaat als je het huis uit bent. ‘Ik begin het te begrijpen,’ zegt Nina tijdens een sessie, ergens halverwege het jaar. ‘Er heeft nooit een grotere treiteraar bestaan dan Adolf Hitler.’

Je vader wordt geboren tijdens de oorlog, zijn ouders zijn voor de zwangerschap naar Zwitserland gevlucht. Hij herinnert zich alleen zijn jeugd in naoorlogs Benoordenhout, inclusief buitenspelen. Zo was hij vroeger, dit is nu.

Jij: ‘Het is heel eenvoudig. Vervang schommels en glijbanen door atheïsme en wetenschap, Classic FM op de achtergrond en het FD op zaterdag, met hier en daar een bezoek aan het Mauritshuis, en je bent bijgepraat.’

Nina: ‘Zou je willen dat het gecompliceerder was?’

In de klas begrijpen ze gelukkig dat er voor jou belangrijkere zaken zijn dan de Holocaust. Er is maatschappijleer, SOA-voorlichting en je bent een rund als je met vuurwerk stunt. Met plezier zal je thuis vertellen hoe het was op school, maar niemand vraagt ernaar. Je vader is wel benieuwd of je bij wiskunde al hebt geleerd wat het verschil is tussen het gemiddelde en de meridiaan. En je moeder zal graag wat meer te weten komen over je klasgenoten: zouden zij jou helpen onderduiken als het weer zo ver kwam?

Nina is altijd relevant, maar nooit zelfingenomen. ‘Heb je hier al eens aan gedacht?,’ vraagt ze vaak als de drie kwartier bijna om zijn. En dan kijkt zij je boven haar bril aan, zoals ze dat altijd doet wanneer je weet dat er iets belangrijks komt: ‘Je hoeft niet langer te boeten voor de zes miljoen.’

Haar zinnen zal je blijven herhalen, op de fiets, in bad of onder de dekens, en alleen tegen jezelf.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog