Pijn en jampotdeksels. Over literaire bevallingsscènes (2)

Het objectieve subject

Vorige maand pakte ik een nieuw essay op. Ik besloot dat het over literaire bevallingsscènes moest gaan, geprikkeld door een stuk in The Guardian (strekking: 'Er zijn amper literaire bevallingsscènes.') en ervan overtuigd dat beschrijvingen van een levensgebeurtenis als deze inzicht konden bieden in hoe auteurs omgaan met perspectief, stijl en sentiment, en hoe ze het verlies van controle beschrijven en inzetten. Ik zag overeenkomsten in boeken van A.F.Th. van der Heijden, maar goede voorbeelden voor mijn vragen vond ik nog niet. Vandaag gaan we verder. Met de focus op het moederperspectief, met Tsjechov, en vandaar naar Anna Enquist, Rosan Hollak, Kristien Hemmerechts, Heleen van Royen. En ik vraag me af: kun je over pijn schrijven zonder 'pijn' te schrijven?

Tsjechov: ‘Ze hoorde, zag, praatte soms, maar begreep niet veel en besefte alleen’

Ik kwam op Tsjechov via Greet Kuipers' essay 'Een harde dreun. Doodgeboorte bij Tsjechov', in Nieuw leven. Geboorte in fictie. Ze beschrijft de bevalling in 'Het naamdagfeest' (1888, deel 3 van de Verzamelde werken. Na een drukke, door ruzie en ongenoegen verstoorde feestdag krijgt een vrouw vervroegd weeën.

‘Door de pijn, het vele schreeuwen en het kreunen raakte ze afgestompt. Ze hoorde, zag, praatte soms, maar begreep niet veel en besefte alleen dat ze pijn had of straks pijn zou krijgen. Voor haar gevoel was de naamdag al heel lang geleden, niet een dag, maar een jaar, en duurde haar nieuwe, pijn lijdende leven langer dan haar kindertijd, haar kostschooltijd, haar studietijd, haar huwelijk en zou het nog heel lang, nog eindeloos doorgaan.
[...]
In de avond verrichtten twee dokters — de een benig, kaal, met een brede, rossige baard, de ander met een donker, joods gezicht en een goedkope bril — bij Olga Michajlovna een of andere operatie. Dat vreemde mannen haar lichaam aanraakten liet haar volkomen koud. Ze had geen schaamte meer en geen wil, en iedereen kon met haar doen wat hij wilde. Als iemand haar op dat moment met een mes had aangevallen, of Pjotr Dmitritsj had beledigd, of haar het recht op het kleine mensje had ontnomen, dan zou ze geen woord hebben gezegd.’ (vertaling Anne Stoffel)

Pijn en overschilligheid: dat zijn de ervaring en de reactie erop die Tsjechov zeer realistisch beschrijft. Dat merkt ook Kuipers op, die de fysiologische oorzaak van die reactie zoekt in het pijn-onderdrukkende hormoon endorfine. Zonder die kennis valt dit fragment ook te waarderen, vooral vanwege de beelden waarmee de intensiteit van eerst de pijn en daarna haar schaamte- en willoosheid voorstelbaar worden. Het is een pijn die alle tijd doet vergeten, en het is een onverschilligheid die zich uitstrekt tot haar leven, de eer van haar man en het recht op haar kind.

Als je vervolgens naar de taal kijkt, dan valt in de eerste plaats op dat Tsjechov veel benoemt, en vervolgens illustreert; hij vertelt én toont en kiest daarmee niet in de twintigste-eeuwse schrijftechnische tegenstelling. Wat beter werkt is het herhalen (wie voelt nog pijn als hij zo vaak pijn gezegd heeft?) en vooral het opsommen. De reeks persoonsvormen 'hoorde, zag, praatte, begreep niet, besefte alleen' versterkt de indruk van inactiviteit, de reeks 'kindertijd, kostschooltijd, studietijd, huwelijk' de levensgrootheid van deze gebeurtenis. En beide benadrukken de langdurigheid, die Tsjechov dus ook nog expliciteert met 'leven', 'eindeloos doorgaan'. Hoe zou deze tekst geweest zijn zonder die uitleg?

Hemmerechts: ‘Ik zit in een cocon van pijn’

Intiemer, denk ik, nog indrukwekkender. Kristien Hemmerechts' debuut Een zuil van zout (1987) is van bijna een eeuw later. Hemmerechts beschrijft hier de laatste fase van de eigenlijke bevalling; Tsjechovs afgestomptheid past bij de zogenaamde ontsluiting, Hemmerechts' vergrote activiteit bij de uitdrijving, het persen. We zijn nu dichterbij, ín de bevalling. Het terugkerende persoonlijk voornaamwoord, gecontrasteerd met die onbepaalde hand, en de korte zinnen geven de scène een grote heftigheid.

‘Mijn hele lijf zit in mijn onderbuik, elke zenuw, al mijn bloed. Ik ben pijn. Korte momenten van geen pijn tussendoor. Ademhalen. Iemand bet mijn gezicht. Iemand geeft me een hand. Ik knijp een hand. Samen met de hand ga ik de wee in. Laat maar zakken, laat maar komen. Ik zit in een cocon van pijn. Ik adem in stootjes, ik hijg, wee na wee. Ik laat zakken, duw zachtjes mee, zit in een cocon. Plots wordt de cocon meedogenloos opengescheurd. Energie gulpt door mijn lijf. Ik klem mijn tanden op elkaar, bal mijn vuisten, span mijn lichaam. Ik duw. Ik duw al mijn ingewanden naar buiten. Ik duw het bloed mijn aders uit. Ik vermorzel de hand in mijn hand. Ik word opengereten, opengescheurd. En dan is er geen pijn meer. Mijn onderlichaam davert tegen de bodem van het bad, mijn tanden klapperen, ik kan mijn lichaam niet onder controle houden. Ik laat de hand los en geniet van geen pijn. Het is erg stil.’

Ook Hemmerechts komt niet om het woord 'pijn' heen, maar opvallender is de herhaling van 'hand' en 'cocon', eerst tweemaal onbepaald ('een'), dan bepaald ('de'), alsof deze vreemde entiteiten eerst niet ter zake doen, en dan levensgroot zijn. En ten slotte een met het geweld zijn: 'Ik vermorzel de hand in mijn hand.' Groot woord, dat vermorzelen (net als 'meedogenloos' trouwens), maar het oudtestamentischeis enorm krachtig. Minder dan die cocon, dat met zijn associaties van veiligheid botst met 'pijn'. Ik twijfel of dat de juiste beeldbotsing op het juiste moment is, ik voor mij had fysiekere, even isolerende verwante termen als 'zak', 'vlies', 'bol' verkozen boven dat vlinderholletje. En waarom 'wordt' die cocon opengescheurd? Als we toch met tegenstellingen werken, laat die cocon dan maar zelf scheuren.

Maar de aanzet tot een alternatief voor de zeverige zorgtaal - 'de wee ingaan', 'laat maar zakken, laat maar komen' - is zeer te waarderen.

Ook hier: het kindje bleek dood.

Enquist: ‘Het kind wil niet, ik wil niet - en toch gebeurt het.’

Hemmerechts toont de drift, de drang veel meer dan Tsjechov. Maar niet de roes. Iets daarvan vinden we terug in Anna Enquists Contrapunt (2008), die heel compact de laatste fase van de bevalling beschrijft, zij het dat het kind nu niet op de natuurlijke manier komt. Ik neem even de ruimte om te citeren, want er is veel meer te zien dan het benoemerige en de willoosheid.

‘Het was natuurlijk de schuld van de vrouwenarts, een vervelende, arrogante vervanger van de haar vertrouwde dokter. Met geweld trok hij het kind uit haar. Tegen haar wil. Ineens leek de verloskamer met de intimiderende apparaten niet levensreddend maar vernietigend, het felle licht een waarschuwing voor hoe het was in de wereld. De vrouw, doodop al van urenlang pijn en onrust, had zich bedacht en wilde niet bevallen. Het kind zou veel beter af zijn in haar.
“Het is net het dekseltje van een jampot,” had de gynaecoloog gezegd terwijl hij met een zilveren voorwerp zwaaide. “Ik plaats het tegen het hoofdje, we zuigen het vacuüm en ik trek uw kind naar buiten. U werkt mee want nu moet het gebeuren.”
Ze had een gedekte ontbijttafel voor zich gezien in een landhuis op de Veluwe. Benen servetringen en zilveren deksels op de jampotten, met een inkeping erin voor de lange lepel. De gynaecoloog als klein, maar al volkomen bekakt jongetje op een hoge stoel aan tafel geschoven. Mééwerken, dat nooit. De inkeping maakte hij in háár, gewoon, zonder verdoving, met een schaar. Verbijsterd en verslagen had zij alles ondergaan. Op het laatst was ze ervan overtuigd dat ze op de verlostafel zou sterven. Het was in orde; doe maar, dacht ze. Het kind wil niet, ik wil niet — en toch gebeurt het.’

Dit werkt: dat een bevallende vrouw zich bedenkt. Dat ze een onbijttafel voor zich ziet. Dat zo'n gynaecoloog zegt: ‘U werkt mee want nu moet het gebeuren.’

De scène is compact, en daarom ontkomt ook Enquist er niet aan te schrijven óver 'pijn en onrust'. Maar door het drama waarmee 'de vrouw' reageert op de ingreep, met die overbodige accenten, en dat 'verbijsterd en verslagen', kom je op nog grotere afstand van de consequent in de derde persoon, naamloos aangeduide hoofdpersoon. Dit is een bevallingsscène die niet geschreven is om te beleven, maar om te verklaren. Om het hele van haar moeder afgescheiden en zojuist met een ongeluk beëindigde leven van haar dochter, om die zinloze verwijdering al aangekondigd te zien: ‘Het kind wil niet, ik wil niet — en toch gebeurt het.’

Hollak: ‘Dit kon niet, het kon niet, het kon niet’

Bevallen in de literatuur is nog onaangenamer dan in de werkelijkheid, zoveel is duidelijk. De babysterfte is hoog, de hoeveelheid kunstgrepen groot. En gaat het goed, dan blijkt achteraf dat het mis is, zoals bij Enquist. Nee, een voorspoedige bevalling zonder bijgedachte, daarvoor moet je een streekroman lezen:

‘Een zware deken van spanning leek die dag over het huishouden te liggen, schuchtere bedienden van vrienden kwamen naar de toestand van de huisvrouw informeren, hoofden werden bezorgd geschud naarmate de tijd verstreek en iedereen voelde mededogen met het bleke meisje dat het in het grote slaapvertrek zo ontzettend hard te verduren had.
Na lange, lange uren zou de spanning toch breken en de opluchting kende geen grenzen toen Beatriz het leven schonk aan een welgeschapen, flinke zoon.’

Zelfs in een roman waarin iedereen toeleeft naar de bevalling, Sanneke van Hassels Nest, blijft de gebeurtenis zelf buiten beeld. (Om niet te spreken over het gynaecologische hoogstandje in De ontdekking van de hemel, waarbij Mulisch de vaders maar laat kletsen in afwachting van een goed bericht.)

Laten we dus afsluiten met een geslaagde bevalling: moeder leeft, kind leeft. En een variant op de afleidingsmanoeuvres van A.F.Th. van der Heijden (basketballende meisjes), Anna Enquist (jampotjes), en iets natuurlijker A.P. Tsjechov (het uiterlijk van de artsen) en Kristien Hemmerechts (de cocon, de hand): Rosan Hollak laat in Scherptediepte (2012) een ander personage de pijn zien.

‘Toen het donker begon te worden, gilde ze dat ze bang was. De pijn. Het was te veel. Hoorde dit? Waarom wist ze dit dan niet? Ze begon te ijlen, bleef dezelfde woorden herhalen. Dit kon niet, het kon niet, het kon niet. Kruipend op handen en knieën. Echt bizar. Het werd een cadans, een ritme. De woorden begonnen zich in mijn hoofd vast te zetten. Di-ko-ni-di-ko-ni-di-koni. Goede beat.’

Om de appels en de peren te onderscheiden: dit is nog ontsluiting. Hollak beschrijft de trance van de kraamvrouw. De focus ligt bij de aanstaande vader, maar dat merk je in dit fragment aanvankelijk niet. De korte zinnen, geen woord te veel, de herhaling, maken de scène intens en intiem. Maar met 'Echt bizar' en vooral 'Goede beat' kadert Hollak het in, en dekt het af. Haar jampotdekseltje is de terugkerende gevoelloosheid van de man, die een weldadig contrast biedt bij de overweldigende angst en pijn, én die tegelijk die man neerzet als de laatste persoon die je in deze omstandigheden nodig hebt.

Het loopt dus goed af, en al wordt het kindje daarna ziek, een paar verhalen verder vernemen we dat het nog leeft, en de ouders uit elkaar zijn.

Van Royen: ‘Ik hoorde iemand gillen. Heel hoog en heel hard.’

Zo’n slappe zak portretteert Heleen van Royen ook in haar postnatale depressieroman De gelukkige huisvrouw (2000). Maar dit is de bevalling, de laatste fase, dokter Kallenbach moet een verlostang inzetten:

‘Ik probeerde mijn onderlichaam los te denken van mijn bovenkant. Het lukte me niet. Ik dacht aan mijn moeder, die tijdens drie bevallingen geen scheurtje had opgelopen: Je moet het deppen met natte watten. Dat deden ze bij mij. Nat houden, steeds nat houden, dan gaat het goed.
Toen kwam de pijn. Mijn kruis werd opengetrokken. De eerste lepel moest naar binnen.
Ik hoorde iemand gillen. Heel hoog en heel hard.

*

Mijn binnenste werd opengereten. Stukje voor stukje.
“Ik leg de tang nu om het hoofdje...”
“Knijp die tang dicht!” schreeuwde ik. Ik meende het. Hij mocht het hoofdje vermorzelen. Hij mocht het helemaal fijnknijpen en het eruit trekken.
Kallenbach zette zijn voet tegen het uiteinde van het bed. “Persen!” riep hij.
Twee verpleegkundigen doken op mijn buik.
Kallenbach rukte aan de tang.
Opnieuw de poepgeur. Een putlucht vulde de verloskamer. Onverwachte triomf. Ze mochten mijn stront nu allemaal ruiken.
Een tweede woeste ruk van Kallenbach.
De tang schoof uit mijn lichaam. Er zat iets aan vast. Het was blauw en bloederig. Het bewoog niet.
Ik sloot mijn ogen.
Het was dood.
Ik leefde.
Het was goed zo.
Hij of ik — hij was het geworden.’

Goed, die uitroeptekens gecombineerd met 'schreeuwde', 'riep', dat is iets te veel, dat 'opengereten' is tegelijk te vreemd (wie rijt er tegenwoordig nog eens een zakje open?) en te voor de hand liggend (Hemmerechts gebruikte het ook al), en de overdreven fecistische wraakneming ondermijnt het realisme. Maar hoe Van Royen opeens zichzelf vervreemdt (‘Ik hoorde iemand gillen.’), dat werkt, en het vermorzelen, de meest gewelddadige variant op Tsjechovs willoosheid en Enquists wens het kind binnen te houden, dat is ook erg goed. De gedachte dat het niet om nieuw leven, maar een strijd op leven en dood gaat, dat geeft ook gewicht aan zo'n scène.

Het was niet dood. Maar de moeder wil maar niet gelukkig worden.

Volgende keer: meer bevallingen, misschien dan wel uitsluitsel in de kwestie of pijn zonder 'pijn' kan, en meer jampotjesperspectieven en andere afleidingsstrategieën. Oh, natte watten helpen ook, heb ik begrepen.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog