, 01 Oktober 2013

Berlijn VIII

Ik lig tijdens de middag in Berlijn languit in bad en lees zo lang als mijn dochter slaapt The Cat’s Table: A novel van Michael Ondaatje. Het is een mooi boek, het grijpt terug op zijn vroege werk zoals Running in the family maar heeft zijn oudere vertelstem. Een vriend en meelezer kopieerde drie pagina’s uit het boek voor ik uit Nederland vertrok. Volgens hem bevatte die passage een oplossing voor het boek waar ik aan bezig was, Naar Whitebridge.

Het gaat om het vertelperspectief. Ondaatje zet een jongen neer in de derde persoon enkelvoud. Zijn ouders zijn naar Engeland afgereisd, hij leeft bij zijn oom en tante. Dan brengen die hem naar de boot, hij zal zijn ouders achterna reizen. In de auto is hij stil en kijkt naar buiten. Als ze bij de haven zijn, stapt hij uit en blijft staan naast de warmte van de auto. Hij is elf die nacht. In films omhelzen mensen elkaar, wenend wenden ze zich af uit de omhelzing . Maar hier is het anders. De jongen beklimt de loopplank, gaat naar zijn hut, eet een paar sandwiches en gaat klaarwakker op zijn brits onder het laken liggen. Hij loopt niet naar de reling zoals de andere mensen om naar de wegbrengers te zwaaien, om aan hen die hun uitwuiven te verschijnen. Dan schrijft Ondaatje:

‘I don’t know, even now, why he chose this solitude. […] I try to imagine who the boy on the ship was. Perhaps a sense of self is not even there in his nervous stillness in the narrow bunk, in this green grasshopper or little cricket, as if he has been smuggled away accidentally, with no knowledge of the act, into the future.’

Say no more, we weten met deze passage genoeg. De schrijver is de jongen geweest. Vanaf nu, pagina vier van het boek, heeft hij de ruimte om te laveren naar toen en naar nu, om de schrijver te laten reflecteren op de jongen van elf. Volgens de medelezer had ik een dergelijke truc nodig om mijn jongen, die van Den Haag via Hoek van Holland naar Harwich en Londen en Schotland gaat, tegelijk neer te zetten en afstand van hem te nemen. I don’t know why the boy chose this solitude.

De drie pagina’s waren me niet genoeg. Zo snel ik de kans had liep ik even over in Nederland onder Daans raam bij Athenaeum door en stak over naar The American Bookstore om het te kopen, en hield het in het papiertje toen ik later met De Revisor kroketten at in De Doffer.

The Cat’s Table schreef Ondaatje op verzoek van zijn kinderen. Waarschijnlijk vertelde hij veel over de reis die hij als kind maakte en de avonturen en de transformatie die hij doormaakte tijdens de weken op de boot. In de hut waar de jongen slaapt, komen ’s nachts een aantal kaartspelers bijeen. Ze zijn zacht vanwege de slapende jongen, behalve dan Mister Babstock, die zijn woede niet kan verbergen als hij verliest.

Michael Ondaatje kiest namen niet voor niets. Ken Babstock is een Canadese dichter en een vriend van hem. Hij is tegelijk met mij resident bij de DAAD, woont in een andere flat, hij stipendiaat van het jaar ervoor. Ons verblijf overlapt. Volgens Ken zijn vriendin is Michael Ondaatje in Berlijn vanwege de vertaling van zijn roman, Katzentisch. Ik hoor het net te laat en mis de presentatie.

The Cat’s table is vernoemd naar de achterste tafel in de eetzaal op het schip waar niet de voorname stellen geplaatst zijn, maar de randgevallen. Drie jongens zonder begeleiders. Een weduwnaar en een oude vrijster. Spannende figuren zoals een jazzmuzikant die de drie jongens inwijdt in de geheimen van het leven. Het schip is enorm en de jongens kruipen overal tussen, ook in verboden gebieden.

Ik ben me op dat moment nog niet bewust van het bestaan van de Nederlandse vertaling, Kattentafel. Zijn vroegste werk ken ik wel in vertaling, ook het hilarische gedicht Billy the Kid, en natuurlijk The English patient en de romans daarna. Graa Boomsma besprak The Cat’s table in De Groene Amsterdammer voor de vertaling uitkwam. En ook mijn meelezer gaf me kopieën uit het Engels.

Het jaar in Berlijn neem ik twaalf keer een vliegtuig. Een aantal maal voor festivals in andere landen, een paar keer om naar Nederland te gaan en eenmaal om naar Schotland te vliegen voor mijn boek. Ik wil me herinneren hoe het er ruikt, wat er op de paden ligt van het landgoed. Ik ben in Berlijn maar ik schrijf Whitebridge, eigenlijk ben ik in Schotland als ik werk. Aan de hint van Ondaatje heb ik uiteindelijk weinig. Mijn redacteur bij De Bij is geen liefhebber van tijdsprongen en sommige dingen kan maar beter alleen Michael Ondaatje zich veroorloven.

In de allerlaatste alinea van The English Patient zegt Ondaatje dat hij nooit al te veel vat heeft gehad op zijn heldin, de verpleegster, en als zij terug is in Canada weet hij dan ook niet wat er met haar gebeurt, al gelooft hij dat ze niet erg gelukkig in de liefde zal zijn. Het leest volstrekt natuurlijk en toch is er maar een schrijver die dat kan maken en dat is Ondaatje: sorry hoor ik weet het verder niet met haar: doei-doei, over en uit. Er moet een boek van hem bestaan waar hij pas na 200 bladzijden iets over de achtergrond van zijn hoofdpersonen begint te vertellen, alsof hij dat al die tijd is vergeten.

Er zijn vele passages in zijn succesboek The English Patient die me gestolen kunnen worden. Het overspel tussen de vrouw van de vliegenier en de woestijnverkenner is clichématig neergezet, gedrenkt in niet-aangelengde limonadesiroop, alles is constant zoete schuld en bittere liefde. En toch is het een prachtig boek. Als de Sikh die in Italië mijnen ontmanteld hoort dat er een bom op Hiroshima is gevallen, staakt hij zijn werk en rijdt razendsnel weg, de hele laars van Italië af en de boot op terug naar India. Hij rijdt zelfs even in een rivier. In het boek snap je waarom. Hij is in plaats van zijn broer het leger ingegaan, die zit gevangen omdat die niet voor westerse troepen wilde werken. Het dringt meteen tot hem door dat de Amerikanen nooit een bom op een blank land hadden gegooid. Als hij dat door heeft, moet hij als de sodeflikker weg uit Europa. En ook als lezer weet je meteen dat Ondaatje gelijk heeft. De film die naar het boek is gemaakt, mist die achtergrond. Bij het karakter van de Sikh weet Ondaatje wel hoe hij eindigt: als dokter.

Michael Ondaatje is een gulle schrijver. Het is een schrijver van scènes, verhalen die over de rand van het bord lopen en in elkaar overvloeien. Het is van een heerlijke en jaloersmakende slordigheid. Ik vind het niet erg hem in het Engels te lezen en al helemaal niet in bad in Berlijn.

Bij de vergadering van De Revisor hebben we het over de kopij. Het lukt eigenlijk nooit iemand goed om een seksscène te schrijven, merken we op, het heeft altijd iets krampachtigs. Ik denk aan Ondaatje. Als de jongen op het schip bij een ouder meisje op de hut is en haar nachtpon openvalt en hij haar boezem ziet, dan is het alsof er iets scheurt tussen hem en de wereld dat nooit meer gehecht zal worden.

Later tijdens het jaar komt in Berlijn een ander boek ter sprake, Parallelle geschiedenissen van Peter Nádas. Dat is niet vertaald in het Nederlands. Hoe komt dat, is het uit met Nádas en Nederland? Of heeft de uitgever het budget er niet meer voor? Het is een fikse roman. Misschien is Nádas minder in vogue, misschien is het vertaalbeleid van de Nederlandse uitgeverijen er niet meer naar.

De directrice van het Berliner Künstlerprogramm vertelt me over het boek in de trein naar Frankfurt. Ze vertelt me er een uur lang over, onafgebroken. Er komt een seksscène in het boek voor die honderd pagina’s duurt. Ze maakt me verlegen door die na te vertellen, naast me in de trein.

In de loop van het jaar raak ik bevriend met een jongen die voor Literaturwerkstatt werkt. Het is aanvankelijk een verlegen jongen, het lijkt alsof hij zich tien jaar in een kamer heeft opgesloten en alleen maar boeken heeft gelezen. Naarmate ik hem beter leer kennen, komt hij steeds meer los. Hij zal mijn beste vriend in Berlijn worden. Ook hij vertelt over de Parallelle geschiedenissen van Nádas, ook precies een uur, op de radio.

Peter Nádas, ik herinner me hem op televisie, in gesprek met Wim Kayzer. We verzamelden zijn boeken die in vertaling verschenen bij Van Gennep. Hij was een van de jongste die Kayzer interviewde en hij is blijven schrijven. En nu is zijn meesterwerk er, dat boek van duizend pagina’s, en het wordt niet meer vertaald. Het is alsof men een voordeur maakt, fundering, muren, ramen, maar vergeet het dak op het huis te zetten. Het regent naar binnen. Een onvoltooid auteurschap. In Holland staat een ruïne.

In welke taal moet ik het boek lezen? Lukt me dat, die duizend bladzijden? Kan ik niet beter in Berlijn blijven en Duits leren in plaats van terug te gaan naar een land dat in zichzelf keert?

___________________________________

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

Eén reactie

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog