, 06 November 2013

Berlijn X

Storkwinkel, weinig taxichauffeurs kennen het straatje. Er zit een hoek in tussen de apotheek en het centrum voor zwakbegaafden, als je daar linksaf gaat ben je nog steeds in dezelfde straat. De DAAD  heeft al vele decennia zeven woningen op nummer 12. Soms gaat in een van de appartementen de telefoon en vraagt een Russische stem in het Engels of hij Arvo Pårt te spreken mag krijgen. Wie heeft er niet gezeten, Gombrowicz, Handke, Mayröcker, Anne Veronica Jansen. Susan Sonntag was er jaargenoot van Breyten Breytenbach.  Ooit was dit de rafelachtige rand van de Kurfürstendamm, vertelde redacteur Wil Hansen. Je had er barretjes en cabarets. Nu is er een tankstation, er zijn winkels met auto-onderdelen, kantoren. Aan de ene kant van de Storkwinkel hoor je de piepende remmen van de wagons op de Ringbahn, aan de andere kant loopt de ringweg rond Berlijn. Vanuit de hoger gelegen appartementen kijk je op vrachtwagens in de file. Er is nog een café, de Wolfs Inn, en het verhaal gaat dat geen van de DAAD-gasten er ooit naar binnen durfde. Wolfs out, mompel ik als een brullende man naar buiten komt. Hij is te dronken om me te verstaan.

Nabokov had de pest aan Berlijn, misschien was het alleen maar Nostalgia. Er is ooit een Chinees in Storkwinkel van het dak gesprongen, Yang Lian schreef er een gedicht over met allerlei draken en spoken in het donkere trapportaal. Als je bij S-Bahn Halensee de brug over gaat, heb je de eerste warenhuizen van de Ku’damm. Op zondag lopen er Russen in bontmantels die elkaar begroeten en een praatje maken voor de gesloten rolluiken, die elkaars familie nog blijken te kennen uit Leningrad. De KDW, het Kaufhaus Des Westen, helemaal aan het einde, heeft iets van een terminal van een groot Oost-Europees vliegveld.

Charlottenburg wordt Charlottengrad genoemd omwille van de hoeveelheid Russen die in de meest Westelijke wijk van het centrum van Berlijn wonen. Op de speelplaatsen zie je Russische kinderen met hun moeders, het gezicht onder de verf, of kindermeisjes uit de Oekraïne. Er hangt een plakkaat voor Else Lasker-Schüler, een straat verder woonde Paul van Ostaijen. Er zijn mensen die van Charlottenburg houden, de brede zijstraten met bomen, de schaatsers op de Lietzensee. Het is winter en landklimaat, ik heb nog nooit zoveel indrukwekkende mutsen en kragen en beenwarmers gezien. De Berliner Kindheit van Walter Benjamin is nog steeds te zien in de rijke achterhuizen en binnentuinen, de salons en de Berliner Zimmers met de statige grote tafels en dressoirs. Iedereen heeft hier zeeën van ruimte. In Storkwinkel heb je een fiets nodig om naar de badkamer te gaan.

De Wolfs Inn blijkt de typische Duitse Kneipe, doorrookt en met fruitautomaten en zoutstengels op de toog en een barman met vies plakkerig haar die commentaar geeft op je bestelling. Ik ben in Berlijn en heb een zoon gekregen. Als je bovenin bus 19 of 29 zit, de hele Ku’dam af naar het Europazentrum bij de Gedächtniskirche, stop je wel dertig keer voor de stoplichten. Mensen dringen naar binnen en naar buiten, geven elkaar grif commentaar als ze in de weg staan. In de metro zag ik iemand in een rolstoel en een dakloze die op dezelfde plek wilde staan, de energie die bij die ruzie vrij kwam leek me genoeg om een gigantische dynamo mee op te laden, zo groot ongeveer als de krachtcentrale in Pernis. Ik kocht een maandkaart en sprak mijn eerste woorden Duits. Raar hoe dat is blijven hangen, iets van de schooltijd of van Mutter Courage of de Dreigroschen Oper, mijn vader die op de bank naar moderne dans op teevee keek  en de hele tijd ironisch stemmen nadeed. Und dan fragten wir der Pina… Und dan hatte Sie geantwortet. Het ligt prettig in de mond dat Duits, vooral als je het verkeerd uitspreekt, Ich habe es nicht gewusst, fragt mir warum ich so traurig bin, du weisst nicht warum ich weine. Na maanden denkt mijn vriend Matthias nog steeds als ik een beetje beleefd probeer te doen en meepraat dat ik de taal bespot. Thomas begint de meest idiote keelklanken te maken als ik aan een zin begin. Toegegeven, ik kan het niet, het lijkt te veel op iets anders. Nederlands is een dialoog tussen een Duitser en een Engelsman die beiden een sandwich eten. Ze vinden het allemaal zo schattig, dat Nederlands. Dat helpt ook voor geen meter.

‘Groot Berlijn is een relatief nieuwe samenstelling van verschillende steden die pas sinds 1920 bestaat,’ zo vertelt Thomas Geigler van het Literarisches Colloquium Berlin in een video aan Philip Huff. ‘Voor 1920 had je elf steden die vandaag Berlijn heten, waaronder Charlottenburg, Schöneberg en Zehlendorf, afzonderlijke steden, soms met meer dan 100.000 inwoners. Daarom is Berlijn altijd al multipolair geweest. Het hoort bij Duitsland maar het “tikt” anders, het functioneert anders. Dat heeft met zowel de West-Berlijnse als Oost-Berlijnse bohemien-cultuur van doen. Er zijn nog steeds vele niches waar je dingen kunt proberen, er zijn kelders, kunstenaars kunnen er voor weinig geld een atelier vinden. Veel is nog niet vast, veel beweegt zich. Dat maakt de stad spannend. Het wordt steeds steviger, maar hier is alles nog steeds op zand gebouwd. Dat is het zand van de grond, dat blijft nog wel even.’

Multipolair, men gebruikt het woord wel in politieke zin voor machten die door verschillende landen en culturen gelijkmatig gedeeld worden. Men spreekt ook van multipolaire neuronen, zenuwprikkels. Je kunt binnen in Berlijn van stad naar stad, van Charlottenburg over de Siemenssteg – een hoge industriële ijzeren voetgangersbrug – naar Moabit, de wijk met met de kleine industrie, fabrieken en Turkse rommelwinkels. Op het voormalig vliegveld Tempelhof branden vuurtjes en rennen vliegeraars. In Schönefeld zit een enorm grote en zachtaardige man in het café op de hoek van zijn straat aan een laag tafeltje op zijn kleine laptop gedichten te typen. De barvrouw wijst je meteen door naar het zijzaaltje waar hij bureau houdt. Het is Ulf Stolterfoht, hij wil op termijn een zilveren naamplaatje aan de zijkant van die tafel. Aan de Weissensee in het oosten heb je de strandjes waar kinderen in het water spelen en hun ouders grote glazen bier drinken en naar ze kijken. In Friedrichshagen heb je een lange straat naar de Große Mügelsee met aan weerszijden lage huizen, maar een verdieping hoog, met bioscopen en bakkerijen. De markthallen in Kreuzberg, de dubbele brug voor spoor en auto’s over de Spree. Overal zie je Letten, Estlanders en Litouwers, met dat beetje Russisch en dat beetje Scandinavische in hun voorkomen, het lijkt alsof de complete Baltische staten naar Berlijn zijn uitgelopen. In Clärchens Ballhaus staan Amerikanen en Hollanders te dansen op discohitjes uit de jaren zeventig. In het Berliner Ballhaus staat op elke tafel een zwart bakelieten telefoontoestel, waardoor de heer met de hoed van tafel 17 een martini met kers kan bestellen voor de vrouw met de sjaal aan tafel 34. Je hebt in Prenzlauerberg de easyjetset in de hippe cafés met de zorgvuldige afgebladderde muren en de kitscherige lambrisering, totaal identiek aan de cafés aan de Rue Saint Maur in Parijs begin jaren negentig en daardoor toch een beetje karakterloos. It’s one big Euro city but I don’t care, zoals Steven Brown van Tuxedomoon zong in ‘Some Guys’, het nummer dat in de opening van Wim Wenders Himmel uber Berlin gespeeld wordt als de filmcamera de flats in- en uitgaat. En zo is het ook. Berlijn is geen stad.

Ik zit in de schaduw van de Ludwigkirch en hou met een schuin oog mijn dochter in de gaten tussen de kinderen op de speelplaats. Berlijnse kinderen zijn stoer, ze staan rechtop op de schuine daken van de speelhokjes. Ze zitten goed in hun vel, zoals de kindertherapeutin van de Kita, het kinderdagverblijf, het noemt. Om de hoek kocht ik bij Shakespeare & Co de bundel Geistersehen van Marion Poschmann. Als je het leest, snap je het wel, dat Duits. Zo lang als je je mond maar houdt.

 

___________________________________

(foto: Bosz de Kler) 

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

Eén reactie

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog