Vuurtoren

Feuilleton: Hoe we licht meten IV

Als we een opzet hebben gemaakt voor ons project verlaten we de universiteit – de late zomerlucht is warm en ik begin te zweten. We kunnen met een taxi naar de stad, maar ze neemt liever de bus omdat ze het openbaar vervoer een goede manier vindt om een stad te begrijpen. Deze bus is vooral een goede manier om studenten te begrijpen, maar ze staat erop.

Ik check in met mijn Oyster Card en koop voor haar een kaartje. Ze loopt voor me uit alsof we dit iedere dag doen, houdt een plek voor me bezet. Onderweg kijkt ze uit het raam als een kind. Ze drukt net niet haar neus tegen de ruit, verheugt zich over alles wat ze ziet. Het valt me weer op dat ze zo levendig is, zo licht lijkt – we hebben alleen over het donker geschreven. Ik vraag er niet naar omdat ik bang ben om haar stemming te verstoren.

‘Daar zwom ik vroeger altijd. En daar kuste ik voor het eerst mijn grote liefde.’ We komen ook langs het gebouw waar ik ooit anderhalve dag op het dak zat omdat ik er niet af kon springen en ook de moed niet had om naar te beneden te gaan en mijn leven te hervatten. De enige die me kon zien was de conciërge, een magere kale man in een blauwe stofjas. Hij nam me de tweede avond zonder iets te zeggen mee naar zijn kantoor waar hij een borrel voor me inschonk en een taxi belde. Toen die er was, bracht hij me aan zijn arm naar buiten.
In de hal van het Tate Modern liggen miljoenen porseleinen zonnebloempitten. Omdat er meer stof vrijkomt dan verwacht als mensen er overheen lopen, mogen bezoekers er alleen nog vanaf een brug naar kijken. Ze lacht erom en pakt mijn arm. ‘Heb je een lievelingskunstwerk?’
Ik neem haar mee naar Disappearance at Sea I van Tacita Dean. De film laat de lampen in een vuurtoren van dichtbij zien tijdens de overgang van dag naar nacht, van daglicht naar kunstlicht. Soms is vooral het glas te zien, soms vooral de zee. Het is hypnotiserend en rustgevend om er een tijd naar te kijken – licht, donker, licht, begeleid door het geluid van een draaiende lamp. Steeds gebeurt hetzelfde, steeds gebeurt het net anders; het laat het verstrijken van de tijd zien door hem bijna stil te zetten. Het vertraagt de toeschouwer, de film vraagt om tijd, en tijd is misschien het belangrijkste dat we elkaar kunnen geven. De schaduwen veranderen met het licht van kleur, gaan van grijs naar zwart, van blauw naar dieper blauw.
Ik ga op het houten bankje in het midden van de zaal zitten, zij loopt een rondje voor ze naast me komt zitten. Haar ademhaling vertraagt tot we in hetzelfde tempo ademhalen. Als ik opzij kijk, zie ik het licht over haar gezicht gaan. Ze glimlacht, kijkt me niet aan. Ik voel haar been tegen het mijne.
Het is kort genoeg om per ongeluk te kunnen zijn.

*

Vanaf begin november verschijnt er wekelijks een deel in Eva Meijers tiendelige feuilleton 'Hoe we licht meten'. In het komende halfjaarboek verschijnt een op het feuilleton gebaseerd kort verhaal. Lees deel III en III. Dit project wordt ondersteund door het Nederlands Letterenfonds.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog