, 09 December 2013

Berlijn XI

Een paar jaar lang werkte ik als chauffeur. Ik kreeg de lange afstanden, werkte voor kunstfestivals, personen en installaties brengen en ophalen. In Bazel laadde ik vijftig violen in en bracht ze met een nerveus pratende kunstenares mee naar Rotterdam. Drie gefingeerde portretten van tweelingen leverde ik af bij de juwelier Cartier in Parijs. Per stuk waren de foto’s een ton waard. Ik begon ooit bij het World Wide Video Festival, werkte vervolgens voor het Haags Filmhuis en ten slotte het langste voor V2, het centrum voor ‘instabiele media’ in Rotterdam. V2 waren de pioniers in de elektronische kunst. Van Schiphol haalde ik een chagrijnige Hongaarse filmer die van de chauffeur eiste alle sociologische gegevens van het land van aankomst op te dreunen. Een Duitse Europarlementariër die cultuur deed, laste in zijn openingsspeech een minuut stilte in nadat hij in de auto over dit gebruik had gehoord. De baas leende me zijn Alfa Romeo uit om hem terug te rijden, ik reed prompt bij de uitgang van de parkeergarage een van zijn koplampen stuk. Sjouwen mocht ik niet vanwege mijn slechte rug, alleen maar rijden. Rotterdam is een prettige uitvalsbasis, de brede straten, de snelle doorstroming van het verkeer. Ik had een huis in Den Haag, een uitgever in Amsterdam en een baantje in Rotterdam en begreep niets van de competitie tussen die steden, voor mij waren ze een grote stad. Als ik ergens vanuit het buitenland naar Marc bij V2 belde waar ik precies moest wezen, zei hij altijd: wat heb jij toch een leuk leven. Kwam ik afgepeigerd terug dan zei hij: had je maar niet voor de poëzie moeten kiezen maar iets waar je geld mee kan verdienen.

Ulrike Gabriel maakte robots. Ze was een cult-hit, een technicus van V2 droeg een T-shirts met haar gezicht erop. Met dit soort baantjes denken mensen dat je hogerop wilt in die wereld, maar dat wilde ik niet. Die elektronisch kunst en film en video interesseerde me, maar ik had er niet veel mee. Het maakte het werk licht, ik verdiende gewoon mijn geld, zelfs de uren dat ik in een motel langs de weg sliep. Ulrike hielp me in Offenbach spullen inladen en nam me mee naar een buurtcafé. Ze legde een matrasje voor me in haar atelier. Ik begreep van haar fan dat ze later met een verfijnde Japanse filosoof is getrouwd, deze grove Duitse punkkunstenares.

Op een goeie dag mocht ik naar Berlijn. Ik was er nooit geweest. Met een lege bus ging ik op weg, ik bleef een nacht in een hotel, dan inladen en terugrijden. Het was niet al te lang na de val van de muur. Het hotel lag in Schöneberg. De bus kon in de kelder, er ging een rondweg naar beneden. Halverwege kreeg ik in de gaten dat de bus niet door de ingang van de garage kon en moest achteruit de lange bocht opnieuw nemen. Het was inspannend maar het lukte. Ik heb in die jaren in alle mogelijke auto’s en busjes gereden. Per ongeluk liep ik de in het pand waar het hotel gevestigd was te ver door en kwam in het hinterhaus, waar Afrikaanse gezinnen op de  gang leefde. In Kreuzberg kocht ik een Duits vertaling van gedichten van János Pilinszky. De Friedrichstrasse was nog compleet vervallen, het station morsig. Zowat de hele nacht liep ik rond om de stad te verkennen, een onmogelijke opgave.

*

Berlijn zou ik pas jaren later opnieuw zien en beter kunnen verkennen. Op een festival in Albanië ontmoette ik een organisator, de hele week trokken we met elkaar op. In een volle bus met dichters nodigde hij een dichter uit voor zijn programma. Alle anderen werden er nerveus van. Bij de lunch sprak ik hem er op aan. Als je iemand uitnodigt, doe je dat per mail of schrijf je een brief als je weer thuis bent, je gaat niet een heel festival op lopen fokken door dat mondeling te doen. Had hij bovendien niet hetzelfde gedaan in Quebec in 2006 en was daar ooit iets van terecht gekomen? Hij werd boos, schamperde wat met data. Maar toen ik terug kwam uit Albanië, kreeg ik wel degelijk een uitnodiging voor Berlijn. Optreden op de Unesco Poetry Day in het Max Liebermann Haus, pal naast de Brandenburger Tor. Een vrij formele bijeenkomst met vijf Europese dichters. Veel volk. De organisator stond er op om zelf de Duitse vertalingen te lezen. Soms in het buitenland gaat het voordragen zoveel makkelijker dan thuis. Vooraan zat een mevrouw, Monica Grütters, een politica van de CDU en baas van de Stiftung Brandenburger Tor. Na afloop nam ze me mee naar haar werkkamer. Ze wees me op een bibliotheek van buitenlandse auteurs die in Berlijn waren verbleven en zei me dat ik daar tussen zou staan als ik een aanvraag deed bij de DAAD. Maar dat ze niets beloofde. Ik zei geen woord, knikte alleen maar. Uit mezelf zou ik nooit een aanvraag doen bij het Berliner Künstlerprogramm, ik wist geeneens dat het bestond.

Ik deed een aanvraag en die werd afgewezen. Het jaar erop schreef ik een betere. Er stond opnieuw die regel in dat ik Berlijn straat voor straat zou verkennen, waar de commissie waarschijnlijk om zou grinniken, want dat is zo ongeveer onmogelijk. Wat me die nacht als chauffeur niet lukte, zou in een jaar moeten kunnen. Ik haalde maanden later een aangetekende brief op bij het postkantoor Beukenplein, maakte die open op het bankje tegenover de fysiotherapiepraktijk daar en las dat ik een jaar in Berlijn zou wonen. Het voelde alsof mijn leven hierdoor zou veranderen. Ik heb vaker dat gevoel gehad en meestal klopte het niet, maar nu wel.

Op het eind van het verblijf in Berlijn leerde ik hoe ik precies geselecteerd ben. De commissie literatuur kiest uit de inzendingen jaarlijks zes schrijvers van over de hele wereld. Ik bleek uitgekozen door Guido Graf, wetenschapper en medewerker van de radio NRW, die zowel gespecialiseerd is in hedendaagse Duitse poëzie als het werk van A.F.Th. van der Heijden. Redacteur van De Revisor trok zijn aandacht vanwege het themanummer over A.F.Th.  Anneke Brassinga zei me eerder je nooit te schamen voor wat je krijgt. Mijn vriendin zei dat ik na vijf jaar als vrijwilliger op een cultureel instituut in Parijs gewerkt te hebben wel eens een jaartje wat luxe mocht laten aanleunen. Maar de trigger voor het commissielid was niet een internationale activiteit maar het op de Nederlandse literatuur gerichte De Revisor.

*

Voor we naar Berlijn vertrokken, liet mijn vriendin me de uitslag van een zwangerschapstest zien: een kleine rode o, naar een gedicht van Esther Jansma uit Hier is de tijd. Ik realiseerde me dat ik mogelijk niet alle straten van Berlijn zou leren kennen. We leerden dat het Duitse gründlich ook geldt voor de gynaecologie, iedere week werd er een echo gemaakt. Onze zoon zou in het Martin Luther Krankhaus geboren worden, pal achter onze woning aan Storkwinkel, een thuisbevalling viel in Berlijn moeilijk te regelen en vergoed te krijgen. De bevalling ging vlot, Leon is heel snel geboren. We wilden gelijk erna weg, maar dat ging alleen al administratief niet, het duurde een paar uur voor alle papieren bijeen waren. Ook al was er een brief dat de Nederlandse verzekering de bevalling zou vergoeden, ik moest toch mee naar een kantoortje om alles vast te pinnen. In de eerste column had ik het over de charme van toiletjuffrouwen. Het voelt bizar pal na een geboorte een financiële transactie te plegen, waar je bovendien van weet dat die weer wordt teniet gedaan. Maar tegen de Berlijnse bureaucratie kun je niet op.

Thuis kwam er een kinderarts. Voor bloedonderzoek moest ik met een sample naar een groot ziekenhuis in Wedding, ten noorden van de Ringbahn. Ik stapte uit bij Westhafen. Militairen hadden de brug afgezet, niemand mocht erover. Het leek wel oorlog. Ik liep een heel stuk terug naar Beusselstrasse, ging daar de brug over en liep langs een autoweg naar het ziekenhuis. Het loket was precies aan die kant. Ik liep daarna het terrein van het ziekenhuis aan de andere kant af, besloot niet de Ringbahn maar de ondergrondse terug te nemen. In de Torfstrasse zag ik oproer. Er was een demonstratie van neonazi’s tegen de bouw van een moskee in Wedding. Ze stonden op een straathoek, de rijweg was afgezet. Op de andere hoek was een tegendemonstratie met reggae uit de speakers. Vandaar die militairen bij de Pulitzbrücke. Ik kom uit Den Haag, heb veel demonstraties meegemaakt. Maar deze was stukken grimmiger, de haat over en weer was voelbaar, de afschuw en ontzetting tegenover neonazi’s in een land waar de oorlog nog zo zichtbaar is, was onontkoombaar.

In het jaar in Berlijn zag ik een dronken Duitser met een bierfles zwaaien naar Turkse vrouwen bij de Kotbusser Tor die in de lift naar de S-bahn boven wilde stappen terwijl de lift eerst nog naar de U-bahn beneden ging. Een vervaarlijk type in de metro liet mijn dochter zijn hond aaien en zei dat hij bij die types op de Hermanstrasse hun vingers liet afbijten als ze dat zouden wagen. Berlijn heeft misschien een links imago, er zijn genoeg elementen in het straatsbeeld die dat tegenspreken. Ook de cultureel attaché bevestigde dat: ga maar eens met een Aziatische vrouw in een voormalige Oost-Duitse buitenwijk wonen.

De inschrijving van Leon duurde negen dagen. Beëdigde in het Duits vertaalde geboorteaktes, Belgische en Nederlandse uittreksels, alles per expres gestuurd. Uiteindelijk weet je dat je op het eind altijd wel wint van de bureaucratie, het is gewoon doorbijten. Maar het ergste moest nog komen. Pal na de geboorte werd een geruis op het hart van Leon vastgesteld. Na het bloedonderzoek moesten we met Leon naar de hartspecialist. Inmiddels hadden we wel een akte dat Leon in Berlijn geboren was, maar geen BSN, geen burgerservicenummer. En zonder BSN geen inschrijving bij een ziekteverzekering. In de afgelopen jaren zijn de regelingen snel veranderd. Op internet en ook telefonisch bij instanties, krijg je achterhaalde informatie. Aan de ambassade heb je in dit geval weinig, die kunnen geen BSN verstrekken. Ik kreeg een interne mail  doorgestuurd waarin gezegd was dat deze kersverse vader wel heel moe moest zijn. Een BSN aanvragen zou kunnen bij het bureau buitenland van de belastingdienst in Heerlen. Daar gingen alle papieren en ook de Duitse inschrijvingsakte. De beoordeling duurde tien weken. Nog was Leon niet verzekerd. Na tien weken kregen we een reactie dat we geen fiscale reden hadden een BSN in het buitenland te krijgen. De brief werd niet naar Berlijn gestuurd, maar via ons adres in Amsterdam. Volgens de belastingdienst waren de ziektekostenverzekeraars daar inmiddels mee bekend. Na telefonisch overleg gaven ze ons in Heerlen nog een kans een BSN aan te vragen, die werd in tien dagen afgewezen. Het bleek de perfecte nieuwe anti-immigratiewet: je zou je kind Nederland in moeten smokkelen, om hem te laten registeren. Nu heb ik een vriendin die heel goed en geduldig is aan de telefoon. Inmiddels waren we er achter dat de zorgverzekering na de geboorte vier maanden de tijd geeft om een kind in te schrijven. Als we in januari terug zouden gaan naar Nederland, zou Leon viereneenhalve maand oud zijn. Mijn vriendin heeft eindeloos gebeld met telkens andere medewerkers van de helpdesk, tot de ziekteverzekering het eindelijk begreep. En toch moesten we eerst naar Nederland. De ambassade gaf ons een paspoort met een blanco BSN. Mijn vriendin en de kinderen vlogen naar België, ik ging met de huisraad naar Nederland. Op de dag dat ze uit België aankwamen, nam ik ze met rugzakken en kinderwagen en Maxi-Cosi en al mee naar station Muiderpoort en van daar meteen te voet naar het Stadsdeelkantoor Oost. Ik zette de baby op de balie en kreeg te horen dat inschrijvingen van mensen die niet in Nederland geboren zijn alleen bij Stadsdeel Centrum konden. Op dat moment stortte ik in en ging los tegen de medewerker. Vier en een halve maand de hele Berlijnse bureaucratie door hadden we volgehouden, maar een paar lullige haltes met lijn negen naar de Stopera, dat ging niet meer.

Uiteindelijk hadden ze avondopenstelling in de Stopera, kleurpotloden voor mijn dochter. Het was volgens de baliemedewerkers niet een S26 maar een S27 want het kind had een Belgische moeder. En ze gingen er vanwege mijn achternaam aanvankelijk van uit dat ik Duits was. Maar ik wist dat het uiteindelijk goed zou komen, als ik gewoon net zo lang aan de balie zou blijven zitten tot ik dat verrekte Burgerservicenummer had gekregen

___________________________________

(foto: Bosz de Kler) 

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn IBerlijn IIBerlijn IIIBerlijn IV, Berlijn VBerlijn VIBerlijn VIIBerlijn VIIIBerlijn IXBerlijn X, Berlijn XIBerlijn XII.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog