Schijnen is lijken en licht geven

Feuilleton: Hoe we licht meten VII

‘Wil je niet?’
‘Jawel, maar.’
‘Geen maar.’ Ze weet wat ze doet. Ze duwt me met haar lichaam tegen de muur, ik kan niet anders dan haar vasthouden, ik voel de huid onder haar jurk. Haar borsten zijn klein, ze maakt mijn overhemd los, kust mijn buik, haar schouder is glad, haar bovenarm. Ze neemt mijn hoofd in haar handen, tilt het van mijn schouders en legt het naast zich neer. Dan leidt ze me naar het bed, ze trekt me over zich heen, vouwt haar benen om me heen, ze is nat, hard, ik ben hard en zacht en ik wil haar, in haar, door haar heen, ik bijt in haar nek, in haar schouder. Haar mond is zo open en het is alsof we elkaar na jaren teruggevonden hebben, schipbreukelingen op een eiland zijn, de enige mensen ter wereld, uitgehongerd, zout. Ze tilt me op, nee, we worden samen opgetild, we zweven boven het bed, vallen samen met de lucht en ik adem tot mijn tenen tot ik alleen nog in haar besta.

Als ze in het raamkozijn gaat zitten om te roken, ga ik naast haar staan. De kleine haartjes op haar wang staan overeind, haar wimpers zijn donker. Het licht van de straatlantaarn voor het hotel valt over haar gezicht. Ik volg de schaduw over haar nek met mijn vinger naar beneden en zeg dat de toekomst zich opende.
'Wat bedoel je?' Ze legt haar hand over mijn hand op haar sleutelbeen.
Ik bedoel dat het nieuwe, het onverwachte, gebeurde, dat dit het heden in een ander daglicht heeft gesteld, mij in een ander daglicht stelt. Ik mompel iets over een muur die nu een deur heeft. Ze kijkt me aan en kust me, trekt me opnieuw mee onder water.

De volgende ochtend word ik vroeg wakker. Ik draai me naar haar toe, zie een leeg kussen. Ik ga rechtop zitten, roep haar naam. De doos met de duif staat nog naast het bed. Ik loop naar de badkamer en ga op de wc zitten om na te denken. De vloer is koud onder mijn voeten, over het rekje hangen twee schone handdoeken. Op de website heb ik gelezen dat ze hier de handdoeken alleen op verzoek vervangen als gasten meerdere dagen blijven, dat bespaart energie.
De kaart met de vuurtoren ligt naast mijn schoenen. Het spijt haar, ze had het niet moeten doen, ze kan dit soort dingen niet, ze wil ze dus niet. Ze wil me bedanken. Ik moet het haar niet kwalijk nemen, ze had het niet voorzien. Ze hoopt dat het goed zal gaan met de duif. Ik lees het een paar keer. Ik wil haar zo graag nog even zien, zeggen dat het goed is, dat ik het begrijp, dat ze niet zo weg hoeft te gaan. Als ik haar bel, neemt ze niet op, ik laat geen voicemail achter. Ik stuur een sms, blijf naar het scherm van mijn telefoon kijken tot ik iets hoor bewegen in de doos. Ik moet opschieten.

*

Vanaf begin november verschijnt er wekelijks een deel in Eva Meijers tiendelige feuilleton 'Hoe we licht meten'. In het komende halfjaarboek verschijnt een op het feuilleton gebaseerd kort verhaal. Lees deel III, III, IVV, V en VI. Dit project wordt ondersteund door het Nederlands Letterenfonds.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog