Uitzicht

Hoe we licht meten X

Ze is al weg. Ik dwaal door winkels, drink staand aan een lange bar koffie, houd mijn hand steeds om de telefoon in mijn zak. Het begint te onweren, het licht in de hal gaat aan. Met een blikje bier ga ik voor het raam zitten, gerustgesteld door de aanwezigheid van onbekenden die onderweg zijn. Vliegtuigen stijgen op en landen in de regen. Mijn naam wordt omgeroepen en nog eens omgeroepen. Als de eerste zakenmensen op bankjes in slaap vallen, ga ik naar huis.

Mijn huis is hetzelfde als toen ik het verliet, de bank, de tafel, de boekenkasten, al die woorden. Ik zet de computer aan, log in op het forum, zie haar naam op het scherm in het donker, ze is niet online. Ik stuur haar een bericht en ga slapen.

De volgende ochtend word ik vroeg gewekt door de vuilniswagen. Ik proef haar in de eerste slok koffie, later in de eerste hap van de appel die ik eet. Ik was vergeten hoe dat werkt, hoe mijn lichaam een eigen geheugen heeft. Ik blijf de hele ochtend zenuwachtig naar het scherm van mijn computer kijken, maar er komt alleen een mail van Hedwig, met veel vraagtekens en uitroeptekens. Ik zet de computer uit. Licht van het slaaptekort besluit ik naar het strand te gaan.

In Brighton zijn weinig mensen op straat, misschien omdat het waait en kouder is dan de afgelopen dagen. Aan het eind van de steile straat die naar het strand loopt, koop ik een beker koffie. Ik ga halverwege het strand zitten. De zee is donkergrijs, het licht is ondanks de mist fel. Ik drink koffie terwijl de wind het water naar mijn gezicht brengt, een laagje zout in mijn haar en op mijn huid neerlegt. Meeuwen cirkelen door de mist, roepen elkaar – ik zie de duif voor me, op de tafel bij de dierenarts, de veertjes, het was beter voor hem, dat zeiden ze allemaal.

Als ik het koud krijg, sta ik op om een wandeling langs het water te maken, richting de haven. Bij een kleine supermarkt aan de andere kant van de promenade koop ik een sandwich en een fles wijn. Ik loop terug naar de plek waar ik eerder zat, ik oriënteer me op het uitzicht. De lichtjes van de pier in de verte zijn wazig, vlaggen klapperen. Steeds als ik ril neem ik een slok wijn. Zo is het altijd geweest, denk ik, het wordt licht en donker. Het is al donker, ik heb de zon niet onder zien gaan, het licht is langzaam verdwenen, net als de meeuwen. Het wollige donkere grijs troost me. Dit is van mij, dit kan me vasthouden.

Ik ben nog net op tijd om de laatste trein te halen. In het felle licht van de voorste coupé lees ik een oude gratis krant. Als ik de krant opzij leg en naar buiten kijk, begint het te regenen.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog