, 01 Januari 2014

Berlijn XII

In Pasolini’s Il Vangelo secondo Matteo klinkt de stem van Odetta. Jozef ziet dat zijn bruid zwanger is zonder dat hij haar bezwangerd heeft en is stil en dan zet het lied in, 'Sometimes I feel like a motherless child'. We zijn dan al een scène verder in het verhaal van de evangelie volgens Mattheus, een processie gaat de berg af over een slingerend pad. Onderaan zit Maria met het kind in windsels tegen haar borst gedrukt, Jozef staat naast hen met een stuk hout in de ene hand en een stuk gereedschap in de andere. Ze kijken naar boven waar de drie wijzen over het pad afdalen, gevolgd door een groep kinderen. Veel knapen natuurlijk, het is Pasolini, maar ook ouderen. Allemaal sprekende koppen. Op dat moment begint Odetta te zingen. Het is de mooiste interpretatie die er van het lied bestaat. Over de ingehouden gospel van het achtergrondkoor reikt haar zwarte stem ontstellend ver. 'That beautifull black voice,' zou de Schotse pleegvader van Jackie Kay over Bessie Smith uitroepen in haar dichtbundel The Adoption Papers.

Kinderen rennen, de wijzen in hun mantels kijken waar ze hun voeten plaatsen. De jonge Maria kijkt afwachtend en beschermt het kind. Als de processie nadert – kinderen, ezels en paarden in hun gevolg – staat Jozef met de handen gevouwen naast zijn bruid, het gereedschap steunt naast hem tegen de rots. Hij heeft iets van een lijfwacht, het is alsof hij er niet bij hoort, alsof hij alleen maar de bewaker van het tafereel is. Maria kijkt hem even aan en staat op om weer te gaan zitten en het kind aan een van de wijzen te geven die voor haar zijn neergeknield. De scène duurt, ze overwint langzaam haar argwaan, staat haar kind af, vertrouwt het de mannen toe. De middelste wijze tilt het kind de lucht in, de ander kust zijn voet. Over Maria’s gezicht komt een glimlach. Kinderen kijken ademloos toe, jongens nemen haar glimlach over. De middelste wijze geeft het kind terug en de derde kijkt naar boven, naar de berghelling waarlangs drie jongens met het zilver naar beneden snellen om dat aan Maria’s voeten te leggen. De voorste is Pasolini’s vaste speler en vriend.

Waarom een motherless child, waarom werkt juist die muziek en tekst zo goed met de beelden? Het kind is geen wees, ook al is zijn moeder onbevlekt ontvangen, integendeel. Het is de melancholieke blik van Jozef die de muziek met de scène aaneenrijgt, nog steeds is hij er niet over uit of zijn vrouw hem bedrogen heeft of dat er inderdaad een mirakel gebeurd is. Híj is het moederloze kind, de verweesde, die onhandig naast zijn eigen jonge gezin staat. De vader. Het fragment duurt exact 3 minuten en 18 seconden, het is wat mij betreft het meest onovertroffen stukje cinema dat er bestaat. Door de stilte, door de sprekende gezichten, door de harmonie van muziek en zang en beeld. En door de moeder die nog kind is. Odetta brengt een kleine variatie op de gospel, 'True believers,' zingt ze op 2 minuut 30, om dan tot het refrein terug te keren.

*

 

Het vergt een sterk gestel / te leven in een hotel. Rijmpjes, witte overhemden in de vrieslucht die de houding aannemen van pianospelers, tangodansers. Wit op een zwarte pantalon, onder een zwarte kin. 'Berlijn / De zon is geel,' schreef Marsman. In Berlijn kan je niet onderduiken. Terwijl je als rondreizend dichter overal opnieuw begint, incognito, op het nulpunt, verdwenen in de massa, anoniem, wordt je door Berlijn opgetild. Ik denk dat ik reis vanwege dat nulpunt, reizen om armer te worden en je niet te verrijken zoals Henri Michaux dat noemde, reizen om telkens weer opnieuw als niemand te beginnen.

Henri Deluy merkte op, het was op de Franse radio, dat hij me niet helemaal kon plaatsen of peilen. Was ik drie maanden in Marseille dan leek ik op een van de dichters uit Marseille, ik sprak zelfs zo. Als een kameleon, alsof ik geen identiteit heb. Plaats je een willekeurig andere dichter daar, dan blijft die min of meer zichzelf. Maar ik niet. Toegegeven, ik hou van schuilplaatsen. Maar in Berlijn werkt het niet. Daar zijn de gasten, de residenten, geen vreemdelingen. Daar staan ze centraal, daar worden ze uitgenodigd om over zichzelf te praten, schaamteloos en zonder gêne over zichzelf te praten.

Als dichter in een ander land ben je in eerste instantie een nobody. Je vertaler is bekender dan jij. Je begint overal opnieuw, als een mol haast duik je onder. Marseille was niet makkelijk. Het is een geweldige stad waarin je je kunt verliezen. Ik las de bundel Terasses van Letitia Ilea die de drie maanden voor me in het appartement aan de Rue de Refuge zat, en het kwam me voor alsof de Roemeense verfranst was in haar poëzie. Dat wilde ik niet, Oelala waarom ik geen Frankrijk-specialist ben geworden knipoogde ik naar Barber van de Pols Olé waarom ik geen Spanje-specialist ben geworden. Marseille was lastig, ik miste er mijn vriendin, kreeg een hele club Nederlandse dichters op bezoek voor een vertaalsessie en een presentatie. Marseille heet een gouden kooi, er schijnt het meeste zon van het hele land, maar de mensen zijn er arm en komen er niet uit. Over je huid komt een tweede laag van pastis en zonlicht. Je moet er tegen bestand zijn om er te wonen. Onderduiken is de beste remedie.

*

Het jaar daarop mocht ik naar Montreal. Ik wilde niet, ik wilde het park waar ik aan woonde groen zien worden in het voorjaar, een goed excuus voor een dichter vonden ze. Maar uiteindelijk ging ik toch, uiteindelijk ga ik altijd. Je hebt er een paar die altijd wel gaan, Brassinga, Bruinja, Van Daalen, Duinker. Misschien hebben ze reizigersbloed, weten ze iets op te geven. Montreal was een oase, geen dag had ik heimwee. De dichtwereld stelde er niet veel voor, aan mijn Franse vertalingen had ik in Quebec nauwelijks iets – dat is toch net een andere taal en poëtisch idioom. Maar ik hield van de stad, was constant op pad. Ik moest net iets eerder dan die drie maanden terug vanwege een nominatie voor de Pernathprijs. En op dat moment is er iets veranderd. Ik wilde niet meer terug, ik wilde niet meer ergens wonen. Ik wilde niet meer zeggen ik heet zus en woon daar en heb die nationaliteit. Het voelde niet meer logisch. Het was 2005.

Je beleeft iets dergelijks sterk in Taiwan dat modern is maar waar Japan het voorbeeld is en niet het Westen. De blanke bestaat er in zekere zin niet, wordt genegeerd, daar wordt niet mee geflirt of naar gekeken. Zoiets is leerzaam om te ondergaan. Iets van de ontheemding of de ontworteling, van de steeds magerder en wankeler staat om ergens aanwezig te zijn, keert zich op dat moment uit. Dat is waar het om gaat, waar het over gaat.

Maar in Berlijn gaat dat niet en dat komt niet door de stad, dat juist niet, met zijn talloze bunkers en schuilkelders. Onlangs nog werd ik binnengeleid in de anarchistische schuilbibliotheek in de catacomben onder Ausland in Prenzlauerberg. Dat je in Berlijn niet anoniem kunt zijn komt door de DAAD. Nu exact vijftig jaar worden telkens achttien kunstenaars, zes schrijvers, zes beeldend kunstenaars, drie filmmakers en drie componisten, er een jaar onderdak geboden en in alle culturele programma’s opgenomen. Iedereen werkt in Duitsland met de DAAD. Je krijgt een literair agent die je het hele jaar bijstaat en je vleugels geeft. Naar Berlijn gaan is het tegenovergestelde van op reis gaan, in Berlijn zijn betekent aankomen, opgenomen worden met een ernst en een aandacht die je niet gewoon bent, die je je zelfs niet hebt kunnen voorstellen. Het klimaat is er polemisch, maar niet uit ruziezoekerij zoals zo vaak in Nederland, maar a priori om door kritiek elkaar beter te maken, scherper. Uitgesproken, hard, maar niet onvriendelijk.

Dat is allemaal mooi en aardig, maar wat doe je erna, als het jaar Berlijn voorbij is? I don’t have a fucking clue. Mopperen, je ontheemd voelen. 'Sometimes I feel like a motherless child / a long way from home.'

Toen ik terugkwam uit het ziekenhuis waar Leon is geboren en mijn fiets op de cour achter Storkwinkel van het slot haalde, zag ik in de poort achter ons huis een man staan zich uitrekken en met een bezem boven zijn hoofd het plafond vegen. Systematisch, in banen, alsof je een veld rooit of de vloer stofzuigt, in vlakken denkt, met stramme gebaren. In een etalage zag ik een pruikpop die een andere pruikpop zoent. Mensen die ruzie maakten in gebarentaal keken niet naar elkaars handen. Ik zag een man zijn arm uitstrekken om op zijn horloge te kunnen kijken nadat de mouw van zijn jasje omhoog was gekropen. Een meisje met haar knie haar handtas omhoog duwen om er in te rommelen. Ik zag een man die clippers op zijn broekspijpen zette voor hij op zijn fiets stapte. Ik zag een vrouw een parasol omhelzen om hem dicht te gespen. Ik zag een wit hondje slapen in een boodschappentas. Schors viel van de bomen op het wegdek van de Kurfürstendamm, een glijbaan op een speelplaats leek op een uitgestoken tong. Mannen stonden bij de slager in regenjassen aan hoge tafels van borden vlees te eten. Een postbode opende een elektriciteitskast en haalde er poststukken uit. Dat is Berlijn.

Morgen, als deze laatste column online komt, is het 2014. Zal het me nog lukken mijn nationaliteit op te geven, zoals je je overtollige voornamen uit het bevolkingsregister kunt laten verwijderen als de paus op bezoek komt?

In München bekritiseerde een oude man in restaurant Cohen me omdat ik de Acedia in verband bracht met lege landschappen. Voor hem betekende de Acedia de ouderdom, het lege gevoel als je oud bent. Zo heb ik de term nooit gebruikt, maar weet je als dichter eigenlijk wel hoe je iets gebruikt?  George Steiner bracht de Acedia in verband met het falen van de Franse Revolutie en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Christenen herwaarderen het Latijnse begrip Accidia als loomheid die gevolg is van de pornoficatie, ze zetten het begrip in vanuit hun moraal. Als dichter zet je niet een woord ergens om in, dat is mijn moraal.

Nadat Nach Akedia verscheen, mocht ik naar Frankfurt. Niet omwille van de vertaalde poëzie, maar om met Matthew Sweeney te praten die als dichter ook een prozaboek heeft geschreven over zijn kindertijd, vergelijkbaar met Naar Whitebridge maar dan een kinderboek, Fox. Die week verschenen een bespreking van Nach Akedia in de Süddeutsche Zeitung door Nico Bleutge en tien lievelingswoorden in de Tagesspiegel. Toch wist ik dat de bundel niet bij de Nederlandse stand tussen de vertaalde poëzie zou hangen op de Buchmesse. De bundel is niet uitgegeven met steun van het Letterenfonds maar met steun van DAAD. En ik wist dat dezelfde zwaarte me zou overvallen, de wens je eigen nationaliteit op te geven, je adoptief op te stellen zoals Esther Jansma dat noemt, ieck ben van Luxembourg, met Nederland heb ik niets te maken. Maar daar was de lieve Thomas Möhlmann, die de bundel alsnog in het rek zette.

Waarom mopperen als je iets geweldigs hebt beleefd – omdat het niet lang genoeg heeft geduurd? Omdat je niet weet hoe het te bestendigen en het in Nederland in een steeds onguurder klimaat ook niet zou kunnen bestendigen? 'There is no future for Englands dreaming.'

Ik weet niet of Jozef alsnog in de onbevlekte ontvangenis gelooft. Als de wijzen vertrekken kijkt hij niet minder melancholisch, al komt er berusting in.

Ik ga naar Berlijn.

___________________________________

(foto: Bosz de Kler) 

Erik Lindner verbleef in 2012 in Berlijn als stipendiaat van het Berliner Künstlerprogramm van de Deutsch Akademischer Austauschdienst (D.A.A.D.) Hij hield er voordrachten, werkte aan zijn eerste roman en leerde de stad van binnen uit kennen. In deze rubriek noteert hij zijn indrukken van de nieuwe Duitse hoofdstad. Dit was de laatste column over Berlijn.

Alle columns in deze reeks: Berlijn I, Berlijn II, Berlijn III, Berlijn IV, Berlijn V, Berlijn VI, Berlijn VII, Berlijn VIII, Berlijn IX, Berlijn X, Berlijn XI, Berlijn XII.

drie reacties

Johan Herrenberg

Mooi stuk.

Eén ding – je verwart de Onbevlekte Ontvangenis met de Maagdelijke Geboorte. Maria is ‘onbevlekt ontvangen’ = zonder zonde verwekt en geboren. En ze baart Jezus als maagd.

Johan Herrenberg, - 01-01-’14 11:57
Erik Lindner

Dank, Johan!

Erik Lindner, (URL) - 01-01-’14 19:06
Lucia Lindner

Wow, Erik. Ich bin stolz, wie Juliette auf Leon.
De authenticiteit in je stem is prachtig en on-Nederlands. De
D.A.A.D, de Duitse manier van polemiek bedrijven en je eigen ontwikkeling brengt je dat.
Du brauchst WeerWoord, in een zone onverstoord door nationale en culturele identiteiten. Ik hoop dat je dat krijgt in 2014 en erna. Ik hoop het voor iedereen.

Lucia Lindner, (URL) - 02-01-’14 09:56
We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog