, 10 Januari 2014

Archief: Scheltema Oostersche Kunst

'Ik ga er mijn hoofd niet over breken en kies uit overtuiging het debuut van Nicolaas Matsier, 'Scheltema Oostersche Kunst' uit 1974, nr. 4/5, p. 18 e.v.,' schreef Tom van Deel ons. Van Deel was redacteur vanaf de oprichting, nummer 1974/1 tot nummer 1981/1, en Matsier debuteerde in juni 1974. Twee jaar later zou hij zelf ook tot de redactie toetreden. In dat jaar verscheen ook Matsiers eerste verhalenbundel, Oud-Zuid, waarin 'Scheltema Oostersche Kunst' is opgenomen.

I

Een klein jaar geleden kwam ik in dienst bij Scheltema Oostersche Kunst, min of meer om het overige personeel te bespieden.
Ik werd in dienst genomen door Koers. Hij was in die tijd verwikkeld in vage onderhandelingen met de tachtigjarige, kinderloze, zieke Scheltema. Koers was de laatste in een lange reeks van potentiële opvolgers die allen op de een of andere manier met onenigheid waren vertrokken. Misschien was hij het geduldigst, misschien gaf zijn aanstaande academische status de doorslag, misschien was Scheltema alleen maar vermoeider. Graag de zaak uit handen geven deed hij in ieder geval niet. Ingestort vlak voor het begin van de Oude Kunst- en Antiekbeurs in Delft had hij, zittend in een stoel en doodziek, nog aanwijzingen gegeven hoe de vitrines geplaatst moesten worden.
Tijdens die periode van onderhandelingen - Scheltema had een onderhoud met zijn advocaat, waarna deze een brief zond aan Koers' advocaat, met wie Koers vervolgens een onderhoud had, waarna Koers' advocaat zich haastte de brief van Scheltema's advocaat te beantwoorden -, tijdens deze periode van onderhandelingen kon Koers niet in de winkel zijn omdat hij bezig was met zijn laatste tentamens. Scheltema zelf was zoals gezegd ziek, meestal in zijn bungalow in Aerdenhout, soms in een ziekenhuis.
Koers nam mij in dienst omdat hij vreesde dat de dame die al het werk in de winkel deed, mevrouw Limperg, mogelijkerwijs twijfelachtige banden onderhield met de jonge Samuel Meerschwam, tot voor kort Scheltema's opvolger in hope en evenals zijn voorgangers met onmin weggegaan. Meerschwam was elders een eigen zaak begonnen. Koers vertrouwde hem voor geen cent. Koers vertelde me dat hij wel eens een duivels licht had gezien in de ogen van mevrouw Limperg (en dat een vriend van hem het ook had gezien), dat Meerschwam hem te vaak in de winkel kwam, waar hij niets meer te maken had, dat Meerschwam misschien wel ‘dingen’ van mevrouw wist en dat mevrouw een heftig en lang leven achter de rug had, vol echtgenoten, naar de laatste van wie - die niet had willen scheiden - zij Limperg was blijven heten.
Dit vertelde Koers me terwijl hij aan zijn sigaar trok, bij hem thuis. Of ik dus eens rond kon kijken, intussen belast met lichte werkzaamheden: het ordenen van de bibliotheek en het bijhouden van een kaartsysteem met de prijzen van de gerenommeerde veilinghuizen Sotheby en Christie.
Van het overige personeel uit gezien kwam ik in dienst vanwege de handen van mevrouw Limperg. Zij kreeg goudinjecties omdat de peesbladen vergroeiden, ook had ze last van reuma, vocht, koude en slapeloosheid. Mijn aanstelling moest het haar mogelijk maken om wat later te komen en wat eerder naar huis te gaan, bovendien scheen er in het algemeen een man te moeten zijn met het oog op plotse invasies van klanten. Dat begreep ik niet goed. Ik heb niet het soort lichaamsbouw waarvan een preventieve werking uitgaat. Niettemin luchtte het Koers op dat ik bereid was deze verscheidenheid aan taken op me te nemen.

II

Zo kwam ik dus op een dag binnen en meteen beging ik een blunder. Ik stelde me voor, hing mijn jas op en zei: ‘U heeft last van uw handen heb ik gehoord.’ Met verbluffende elegantie praatte zij verder of ik niets gezegd had. Ik voelde me een lummel en luisterde naar haar algemeen beschaafd Nederlands (met een toets van Amsterdam-Zuid), kijkend naar haar verzorgde handen en haar scherpe ogen. Zij leek niet in het minst op de oude vrouw die ik me had voorgesteld.
Ze liet me de winkel zien. Ik staarde in spiegelende vitrines waarin door kunstlicht beschenen aardewerk, porselein en brons stonden. Ik wist niet waarnaar te kijken, eigenlijk zag ik ook niets. Ik vond dingen mooi die ik reeds een maand later, geperverteerd door kennis van de prijzen, verafschuwen zou. ‘Dit is hoofdzakelijk Chinees,’ zei mevrouw Limperg. Ik was blij dat ze af en toe iets zei.
Ze legde me uit wat ik doen moest, daarbij een grote diplomatie tentoonspreidend: ‘De heer Scheltema en de heer Koers... willen graag dat u... de bibliotheek een beetje opruimt. En dat is ook... hoognodig. Maar voor de zaak is het belangrijk dat de catalogi van Sotheby en Christie... Als de veilingen achter de rug zijn, krijgen we namelijk prijslijsten toegestuurd. Als u nu de prijzen in de catalogi wilt bijschrijven... En dan zou u misschien zo vriendelijk willen zijn om de kaartenbak bij te werken... zodat we die prijzen makkelijk kunnen opzoeken.’ Zo buitengewoon achteloos en tactvol bracht ze mij mijn taken onder ogen dat het me voorkwam dat het geheel en al mijn eigen besluit was om eerst de catalogi af te handelen, en zij van haar kant toonde zich blij verrast dat de beslissing zo uitgevallen was.
Boven, op de eerste verdieping, ging ik aan het werk in wat genoemd werd ‘de kamer van meneer Scheltema’, ook wel ‘de bibliotheek’, een geheel betimmerde kamer waar het licht binnenviel door glas-in-lood, gezeefd door de bladeren van de iepen op de gracht. Er stonden boeken en tijdschriften en catalogi, en zoals overal in het huis bevonden zich ook hier voorwerpen die te koop waren, al verkocht of onlangs aangekocht. Toen ik na een ochtend zoeken in de volslagen chaos die er op de eerste verdieping heerste de catalogi en bijbehorende prijslijsten van de afgelopen twee jaar bij elkaar had - zo lang liep het kaartsysteem achter - begon ik de prijzen bij te schrijven onder de foto's.
Dat was niet moeilijk: op een glanzende pagina met vier vazen schreef ik: £640, £850, £480, £960 en op de volgende pagina met slechts één schotel: £6250. Verbaasd keek ik even wie die schotel gekocht had - mrs. Glatz, en ik vroeg me af wie deze schatrijke vrouw was. Vervolgens schreef ik weer verder, dagen achtereen. Af en toe staarde ik een poosje naar buiten door het glas-in-lood. the property of a lady, stond er boven de beschrijving van tweeëntwintig reukflesjes - waarom gaf die dame er de voorkeur aan anoniem te blijven? Of was zij dood?
Met het kaartsysteem had ik meer moeite. De volstrekte willekeur in de terminologie (een bronzen pot heette evenals een bronzen ruiter een ‘brons’, een bronzen spiegel daarentegen ‘spiegel’), nu eens naar materiaal, dan weer naar functie - elke indeling doorkruiste een andere - ontstemde me. Daarom ging ik soms beneden zitten bij mevrouw Limperg om haar vragen te stellen over de gebruikte termen, en ook om haar gade te slaan. ‘Wat is Tou T'sai?’ ‘Wanneer was Zes Dynastieën?’ ‘Waarvoor werden netsuke gebruikt?’
Na verloop van tijd praatte ik echter over Gandhara, Sawan Kalokh en Honan of het niets was. Veel kennis deed ik op, van zuiver verbale aard weliswaar. Ik was heel tevreden dat ik, wijzend op zekere pot, kon zeggen: ‘Dat is T'zu Chou.’ Maar wat nu precies T'zu Chou was, wist alleen mijn vinger.
Niet alleen Chinees leerde ik op die manier, ook het Engels der vaasvormen werd me vertrouwd. Ik probeerde de stukken zelf te beschrijven alvorens mijn toevlucht te nemen tot de tekst ernaast. Maar vaak zag ik het voornaamste over het hoofd, bijvoorbeeld dat de vaas in kwestie een vierkante voet had. Zo'n volledige beschrijving in een catalogus sloeg mij met verbijstering. Na op de rechterpagina vluchtig een vaas te hebben bekeken las ik dan links, onder het opschrift The Property of the late Cicely, Marchioness of Zetland: a rare ming blue and white vase, the tapering straight sided square bottom half painted with roundels of ch'i-lins amongst clouds at the corners within double line borders, the sloping shoulders painted with flowering and fruiting branches and the globular upper part painted with insects and butterflies amongst flowering branches growing from wild pierced rockwork on terraces, the short straight neck with a thick foliage scroll below a double line rim – 12½ in. (32 cm) high, Chia Ching six character mark within a double square in the recessed panel on the base, and of the period.
Zo'n verbaal bouwwerk, meestal van het type: ‘een ---, de bodem ---, het onderstuk ---, de schouders ---, de hals ---’, eindigend zonder punt, en terecht, want zo'n beschrijving had niet de structuur van een zin, maar was een cumulatie van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, bijeengehouden door een cement van komma's, voegwoorden en voorzetsels - zo'n verbaal bouwwerk evenaarde qua meesterschap bijna het beschreven voorwerp. Hoewel mij ook de machteloosheid van de beschrijving niet ontging als ik weer keek naar de volstrekte enkelvoudigheid van het afgebeelde voorwerp, dat het geheel zonder taal wist te stellen: één ding tegenover eenenzeventig woorden.
Ik ging steeds vaker beneden zitten, bij mevrouw. Voor de gezelligheid, en ook wel om vragen te stellen en om naar de klanten te kijken. Op mijn verzoek openbaarde ze me wàt aan Wan Li blauw-wit het tot Wan Li blauwwit maakte en niet tot bijvoorbeeld Chia Ching: de vogel op de boomstronk, de zandkorrels aan de voetring, de ster in het bodemglazuur. Ze vertelde me van het verschil tussen aardewerk, steengoed en porselein, van kaolien en petuntse, moffelovens en onder- en bovenglazuurse beschildering. Maar tenzij het strikt nodig was voor mijn kaartenbak durfde ik een vraag niet voor de tweede maal te stellen. Korte tijd stelde ik nog vragen om van mijn pienterheid blijk te geven en om er achter te komen of er ook dingen waren die zij niet wist (quod non) en toen niet meer: ik had alles al eens gevraagd. Vervolgens nam mijn belangstelling snel af en mijn kennis langzaam toe.
Ik werd me er opeens van bewust, op de een of andere dag, dat ik haar aardig ging vinden. Ondanks een zekere tegenzin, alsof het iets verbodens betrof. Zo was het ook: het kostte een bepaalde inspanning om na alle voorafgaande indoctrinatie (de antipathie die Koers me jegens haar ingeblazen had) te zien: hé, dat is aardig van haar. En om dat nog eens te zien, om ten slotte te gaan vinden: dit is een aardig iemand.
Ik ontveinsde me niet dat ik haar mede aardig ging vinden omdat zij er slag van had mensen te prijzen en op hun gemak te stellen: ‘Dat is een heel goede vraag’, ‘Ik moest gisteren een prijs opzoeken en kon het dadelijk vinden’, ‘Jij hebt een echt geleerdenhandschrift.’ In feite kende ik niemand die zo goed kon prijzen en bedanken. Elke keer als ik iets voor haar optilde uit een vitrine bedankte ze me daarvoor op bijna hartstochtelijke wijze. Want ze hàd last van haar handen: ‘lk kan wel pakken, maar niet omvatten,’ verontschuldigde zij zich. Over pijn en slapeloosheid hoorde ik haar nooit. Alleen over kou had ze het wel eens, onbegrijpelijk voor mij, want speciaal ter wille van haar heerste er altijd een tropische temperatuur in de winkel en ze droeg nooit anders dan dikke wollen kleding.
Als ik van mijn kant haar eens complimenteerde (‘U heeft een erg goed geheugen hè?’), wees zij alle lof van de hand: ‘Oh nee - helemaal niet!’ Zij was de bescheidenheid in persoon waar het haarzelf betrof. Zelfs liet zij het voorkomen alsof haar immense kennis van Asiatica min of meer automatisch haar deel was geworden via een van haar huwelijken, met een conservator van het Volkenkundig Museum in Leiden, over wie zij merkwaardig genoeg slechts sprak als ‘meneer Schokking’. Daarentegen liet zij zich tamelijk in het oog lopend voorstaan op relaties en kennissen, stuk voor stuk uitstekende artsen, beroemde kunstenaars en geniale geleerden, verspreid over de gehele wereld. Die relaties had zij ook inderdaad, in vele maatschappelijke sectoren. Waarschijnlijk hadden haar huwelijken met onder anderen de conservator, een circusdirecteur en een edelman haar met deze onafzienbare hoeveelheid mensen in kennis gebracht.
Zij scheen dit wijdvertakte net van relaties ook met zorg te beheren. Enkele van die relaties zag ik regelmatig in de winkel. Soms leek het wel of mevrouw daar enkel recipieerde. De souplesse waarmee zij met mensen omging vervulde me met verbazing en bewondering.
Evenals de gesprekken die mevrouw en ik soms voerden mij vaak eerder een voertuig leken om van onze sympathie blijk te geven dan dat ze echt ergens over gingen, evenzo leken mij de gesprekken die zij voerde met mevrouw Tisch tegelijkertijd geladen van betekenis en louter vorm.
Mevrouw Tisch was - zo meende ik te begrijpen, de materie was te delicaat voor navraag - een van haar opvolgsters in een van haar huwelijken. Zij kwam wel tweemaal per week 's middags thee drinken in de winkel. Zij was goedgekleed, tenger en oud. Haar lipjes waren felrood van lippenstift. Uiterst sierlijk en terloops, zonder dat het continuüm van binnenkomen-en-gaan-zitten onderbroken werd, hielp mevrouw Limperg haar uit haar mantel (een rol die ik snel overnam) en met warme en sympathieke stem zei ze dan bijvoorbeeld: ‘Hoe gaat 't, Suzy?’, waarop mevrouw Tisch vol gloed antwoordde: ‘Heel goed, Bella - en hoe is 't met jou?’ De naam ‘Bella’ sprak ze uit met een o zo lichte l, als in een hoorspel. Zij ging dan zitten en zei, terwijl ze haar kopje thee naar de mond bracht: ‘Wat is 't toch een naar weer!’ En dan keek ze ons buitensporig vriendelijk aan en luisterde met onverholen belangstelling naar ons antwoord: ‘IJzig,’ zei mevrouw. Ik voelde mij een echte jongeman in haar gezelschap, vooral als zij in haar tasje een zeker doosje zocht dat ik weldra had leren kennen. Een gouden doosje ter grootte van een polshorloge. Daaruit bood zij mij dan met tedere glimlach een kleine pepermunt waarvan het formaat wonderlijk goed harmonieerde met de grootte van het doosje en ook met die van haar mond. Zij hield er geloof ik van op dingen te zuigen, haar gebit was een en al flonkering van goud. Voor mevrouw bracht zij vrijwel steeds een presentje mee: een zakje Tangerines van Pompadour, een boeketje veldbloemen van Tournesol. Vaak ging het gesprek over wat de beste winkel was in de betreffende branche. Ik schat dat er nauwelijks een week placht te verlopen tussen de opening van een nieuwe leuke speciaalzaak en de komst van mevrouw Tisch ter plaatse, meesteres in het smaakvolle geschenk.
De kristallen, tinkelende sfeer waarin haar bezoeken zich voltrokken bleef ook nadat ik haar weer in haar mantel geholpen, zij mevrouw op één wang gekust en even naar mij gewuifd had nog wel een kwartier natrillen in de winkel. Mijn oogopslag die open en sereen was geweest, het volume van mijn stem en de welluidende gearticuleerdheid ervan - al die hoofsheid ebde langzaam weg.
Er kwamen natuurlijk niet alleen bezoekers voor mevrouw, al waren dat er vele, en vaak met bonbons of een overdrukje. Er kwamen voornamelijk klanten, hoewel het soms niet eenvoudig was om uit te maken wie klant was en wie kennis. Als de deurbel ging, legde mevrouw haar ballpoint neer en nam haar bril af. Bleef zij zitten en stond ze pas op het laatste moment op (dit alles evenwel zonder dat de bezoeker daarvan ook maar het geringste ongemak ondervond op zijn weg van de deur naar haar) dan was de bezoeker een vreemde en dus een klant. Stond zij meteen al op, met reeds een afwachtende glimlach om de mond, dan was het een kennis. Zij zette de bril overigens niet alleen af omdat ze verziend was, maar ook omdat ze met menigeen zoende. Daarna zette ze de bril weer op.
Meneer Schuster was net als mevrouw Tisch kind aan huis, maar hij kocht ook wel eens wat. Hij kwam binnen en stapte zonder aarzeling af op het enige nieuwe stuk celadon dat juist gisteren in de vitrine gezet was. Tot deze trefzekerheid werd hij in staat gesteld doordat hij deze stukken verzamelde. ‘Hoe is 't met meneer Scheltema?’ vroeg hij vervolgens, nadat hij bij mevrouw was komen staan. Mevrouw keek hem aan en schudde alleen langzaam het hoofd. Ik keek naar mevrouw Limperg en meneer Schuster: medeleven vulde in een oogwenk de winkel, medeleven dat even later - hoe kon het ook anders - plaats maakte voor een frivool gesprek over het weer, het celadonstuk, en een afscheidszoen.
Zakelijker en zwijgzamer verliepen de bezoeken van grote kunsthandelaars uit het buitenland, die in een half uur tijds kochten wat een maand lang moeizaam bijeengebracht was van veilingen, particulieren en handelaars in de provincie.
Ook karikaturale Amerikanen maakte ik mee, over wie ik zou moeten zwijgen omdat zij, opgeschreven, niet langer van vlees en bloed schijnen te zijn - in schrille tegenstelling tot de werkelijkheid: twee dames die met een meetlint en met stalen van stoffen rondliepen door de winkel en die met stemmen waarmee je glas zou kunnen snijden schreeuwden: ‘Yeah, that one over there!’ en ‘Yeah, that's the colour, now what's the size?’ Vervolgens maten ze, vergeleken de kleur van het ongelukkige voorwerp nogmaals met die van een van hun stalen, en vroegen de prijs. Zij waren bezig met de inrichting van een jacht dat besteld was in Aalsmeer. Ze kochten onder andere een houten Boeddha, een bronzen olifant en een sang de boeuf vaas. De vaas, om daarvan na er een gat in geboord te hebben voor het snoer een lamp te maken voor de studeerkamer aan boord. Ze kochten die voorwerpen louter en alleen vanwege hun gemeenschappelijke eigenschap: de juiste kleur en het juiste formaat - de dames waren binnenhuisarchitectes van de Californische firma Tempo Inc.
Het allermeest echter trof me het feit dat Japanse handelaars Japanse ceramiek kochten: eindelijk aanvaardden de voorwerpen de terugtocht. Ik zag het cliché, zowel van het oosterse als van het moderne Japan. Eenmaal berekende een Japanner die zevenenzestig weefsels had gekocht vele malen sneller dan wij dat konden het totaalbedrag, met zijn telraam. Veel vaker trokken de Japanners een hier nog nauwelijks bekende elektronische vinding te voorschijn, tiktiktik, en zagen het aantal yen rood oplichten, waarna ze uit een tasje niet groter dan een portefeuille voorgedrukte plakkertjes haalden en deze razendsnel bevestigden - als de boel in Japan arriveerde, kon er geen enkel misverstand meer ontstaan.
Naast buitenlandse kwamen er ook wel binnenlandse handelaren, meestal niet om te kopen, maar om te kijken, soms alleen om te praten. Bos was saai gekleed en kwam ongelooflijk langzaam binnen. Nadat hij was gaan zitten bewoog er bijna niets meer aan hem. Hij praatte zo zacht dat je dicht bij hem moest gaan staan. Zijn grapjes werd ik vaak slechts gewaar doordat ik zag hoe mevrouw Limperg in zijn buurt glimlachte. Zijn ogen behielden dezelfde starre uitdrukking, of hij nu sprak of zweeg. Bos scheen een fabelachtige kennis te hebben van familie verte porselein.
Als hij zijn stoel ten slotte bereikt had, was zijn eerste vraag onveranderlijk: ‘Hoe is 't met meneer Scheltema?’
‘Niet goed,’ zei mevrouw dan.
Vervolgens dacht hij vermoedelijk na, hoewel dit nergens uit viel af te leiden. Hij bleef zwijgen en niets aan zijn gezicht veranderde.
‘En hoe is 't met mevrouw Scheltema?’
Na het antwoord zweeg hij opnieuw. Mevrouw haalde intussen een onlangs door Koers op de veiling gekochte familie verte vaas uit een vitrine. Bos pakte de vaas aan en keek er langdurig naar. Ten slotte zei hij vrijwel onverstaanbaar: ‘Cerebraal gepenseeld. Dit’ (hij wees naar een ornament in het midden) ‘zit nooit precies in het midden.’ Op de rand van de vaas was een slingerende tak geschilderd. Terwijl hij met trillende vinger deze tak volgde over de rand fluisterde hij: ‘Dat groeit niet.’ De vaas werd teruggezet en bij gelegenheid kreeg Koers te horen dat de vaas iets minder was dan hij gedacht had.
Bos had nauwelijks nog twee jaar te leven, met in het vooruitzicht steeds langzamer bewegen en steeds zachter praten. Als ik hem zag kwam het me voor als iets ongerijmds dat hij vreselijke pijnen leed terwijl de porseleinkennis in zijn hoofd ongerept was.
Meerschwam was op de een of andere manier Bos' opvolger geworden. Hem zag ik vrij vaak in de winkel. Hij beviel me niet, en boven mijn catalogi luisterde ik scherp toe. Meerschwam was: een lange sigaret in een gouden pijpje, een kus voor mevrouw, bruine ogen vervaagd achter bruine zonnebril, uithaaltjes - een en al loze souplesse en vluchtigheid en nadrukkelijke terloopsheid en toch meer dan hinderlijk aanwezig zolang het duurde. Gelukkig nooit lang. Het was duidelijk dat mevrouw op hem gesteld was. Wij spraken daar echter nooit over.
Wat trouwens mijn spionagetaak betrof, reeds na twee dagen in de winkel gewerkt te hebben had ik Koers kunnen melden dat ik een aanslagbiljet van de inkomstenbelasting, gericht aan Meerschwam, had aangetroffen op de secretaire van mevrouw. Koers leek daar niet ondersteboven van. Overigens had hij verzuimd me te vertellen dat Meerschwam tot voor een halfjaar boven de winkel had gewoond. Ik vertelde hem ook dat mevrouw en Meerschwam zich wel eens op de bibliotheek terugtrokken voor een kwartiertje - dat vond hij interessant. Maar al gauw begon ik erover, in steeds stelliger bewoordingen en met steeds korter tussenpozen, dat mevrouw haar aardige kanten had, aardig was, heel aardig. Zelfs betrouwbaar en onmisbaar als je het mij vroeg. Hij luisterde naar de rapporten die ik uitbracht en scheen het prettig te vinden zijn verdenking aangetast te zien worden. Misschien, zei hij, had het allemaal wel berust op een aanvankelijke antipathie van mevrouw jegens hem (die vervolgens de zijne teweeggebracht had) en die nu, naar zijn idee, afgenomen was. Overigens baarde de zaak hem minder zorgen omdat het contract in de maak was en de tijd naderde dat hij zelf dagelijks in de winkel zou kunnen zijn.

III

Zo kwam mijn spionagetaak dus eigenlijk min of meer te vervallen na een paar maanden. Maar omdat Koers dacht dat ik nuttige dingen deed en waarschijnlijk ook omdat men gewend was geraakt aan mijn aanwezigheid bleef ik werken bij Scheltema Oostersche Kunst.
Toen ik de catalogi en de kaartenbak had bijgewerkt, suggereerde mevrouw me dat de heer Scheltema zowel als de heer Koers het bijzonder op prijs zouden stellen als ik mijn gedachten eens wilde laten gaan over de bibliotheek.
En òf ik daar mijn gedachten over heb laten gaan - weken en weken. Wat deed ik in de bibliotheek? Classificeren. Ik houd van classificeren. Ik zag dat er een groot aantal boeken over Chinees porselein was; die legde ik op een stapel. Daarmee had ik over me afgeroepen dat ik ook boeken over Japans porselein, waarvan er veel minder waren, op een stapel moest leggen. Vervolgens legde ik zeer veel boeken over Japanse prenten op een stapel. Maar zo eenvoudig bleef het niet. Veel tijd verdeed ik met nadenken over een niet te classificeren boek in mijn hand.
Of liever, niet zozeer nadenken als wel met tegenzin vaststellen dat er iets niet klopte. Want wat moest ik met dit boek over Chinees èn Japans porselein? De eng-geografische criteria die ik stilzwijgend was gaan hanteren verruimen: een stapeltje Verre Oosten vormde zich. Maar dit boek dan, Italian Majolica and Islamic Pottery? En Glass Through the Ages, dat helemaal niet over welk land dan ook handelde? Urenlang bracht ik dus boos door, steeds twijfelend of het wel juist was de dingen uitputtend te willen classificeren.
De hachelijke onderneming werd steeds op het nippertje gered doordat het doel ervan me min of meer toevallig in gedachten kwam: dat mevrouw en Koers af en toe een bepaald boek moesten kunnen vinden. Af en toe, want meestal wisten ze al lang wat er in mijn boeken stond; trouwens, àls ze al wat wilden opzoeken, zagen ze dat boek onmiddellijk staan, ongeacht welke classificatie dan ook.
In de bibliotheek zag ik Scheltema voor het eerst. Van de ene seconde op de andere trad de eigenaar van al deze boeken binnen, vergezeld van mevrouw, die mij aan hem voorstelde, en weer verdween. Scheltema ging meteen zitten.
Ik merkte dat ik naar hem keek alsof hij van de ene minuut op de andere, bijna voor mijn ogen, een pyjama voor een pak inruilde en een bed voor een stoel. Hij was zeer lang, en hij had oorlellen even lang als die van de Japanse Boeddha's en Lohans beneden in de winkel - teken van heiligheid. Ook zijn oren waren buitensporig groot, maar dat viel minder op doordat ook zijn hoofd zeer groot was. Bruine ogen. Niets Fries.
Tersluiks keek ik naar zijn handen en zijn hals om te zien of daar iets te bespeuren was van zijn geheimzinnige ziekte, builen die zwart vocht afgaven. Ik zag niets. Ook dat had zich in een oogwenk voltrokken: met dat hij zijn grijze pak aantrok waren de builen van hem afgevallen. Hij had niets gemerkt van mijn kijken. ‘Hoe is 't met u, meneer Scheltema?’ Mijn eigen vraag klonk me in de oren als een citaat.
‘Och,’ zei hij. Zijn stem, zacht en kinderlijk bijna, paste niet bij zijn postuur.
‘Zo, u zit hier met de boeken hè?’ zei hij.
Ik zei iets over moeilijkheden met classificeren. Hij onderbrak me: ‘Weet u hoe ik mijn bibliotheek geordend heb?’ Vol verwachting keek hij me aan.
‘Nee?’ zei ik.
‘Op formaat!’ antwoordde hij, ‘grote boeken bij grote en kleine bij kleine. Eenvoudig hè?’
Ik zei dat het inderdaad eenvoudig was, maar dat -
‘En hoe doet u het?’
Zijn gedachten dwaalden zichtbaar af naar enkele catalogi die hij zag liggen, en hij onderbrak me om te vertellen over zijn vrind Marius Prins, die van jongs af aan van elke catalogus twee exemplaren had willen hebben. Twee exemplaren. Waarom? Die verknipte hij en de foto's bracht hij onder in een systeem. Daardoor kon Marius Prins elk schilderij ogenblikkelijk opzoeken en vaak had hij het ook werkelijk opgezocht en daardoor had hij een bloeiende kunsthandel opgebouwd en ten slotte had het kaartsysteem ook zelf verkocht kunnen worden voor twintigduizend gulden. Twintigduizend gulden! Scheltema vertelde me nog vele andere verhalen alvorens weer naar beneden te gaan.
Ik werkte verder in de bibliotheek. Ik was begonnen met een auteurscatalogus en deze arbeid vorderde gestaag. Prettig werk met zichtbare resultaten.
Nadat ik de bibliotheek geordend en gecatalogiseerd had, was ik er tamelijk vertrouwd mee; elk boek had ik inmiddels twee keer in handen gehad. Wonderlijke boeken waren erbij, Ève noire bij voorbeeld, een fotoboek over negerinnen in kleur, en Das Weib bei den Naturvölkern, door Ferdinand Freiherr von Reitzenstein, Berlin 1923. De eerste zin van Ève noire luidde: ‘Comment peuton être nègre, et vivre nu?’ Deze ontologische vraag werd gesteld in een uiterst beknopte inleiding getiteld ‘Nigra sed formosa’, door een ‘administrateur des colonies’. Na de inleiding alleen maar foto's: negerinnen aan het strand, negerinnen in de modder, dansend, kokend, met grote en kleine borsten, oude en jonge, lachend, bedroefd. Zó kon men dus neger zijn, scheen het boek te willen zeggen (Paris 1952).
Het boek van de Freiherr, destijds hoofd van de afdeling etnologie van het Hygiene Museum in Dresden, was vuil van het drukke gebruik dat men ervan gemaakt had en hing wat uit de band. Er waren onderstrepingen in te vinden van de jonge Scheltema. Het lijvige gedeelte over de menstruatiecyclus en dat over de borstvorm der onderscheiden rassen (die zoals uit de sombere illustraties bleek inderdaad opmerkelijk verschilden van stam tot stam) had hij van vele verraste, weetgierige uitroeptekens voorzien. Toen ik mevrouw op een middag aan de thee van het boek verteld had, had zij een vaag gebaar met haar hand gemaakt en iets gezegd over niet roken en vegetarisch voedsel.
In de tijd die volgde, scheen het Scheltema weer wat beter te gaan. Enkele weken achtereen kwam hij twee maal per week in de winkel en leek dan zeer gelukkig.
Terwijl hij onderweg was naar de winkel belde zijn vrouw meestal mevrouw Limperg op. Het gesprek begon onveranderlijk met: ‘Dag mevrouw Scheltema, hoe gaat het?’ Na deze hartelijk uitgesproken woorden hoorde ik altijd een langdurige stilte van de kant van mevrouw, ik zag haar het hoofd licht schudden, geconcentreerd in de verte kijken en onhoorbaar zuchten. ‘De ziel,’ zei ze, als ze de hoorn er na soms wel twintig minuten oplegde. Scheltema was, hoorde ik, onhoudbaar thuis sinds hij niet meer op de zaak was.
Meestal rond half elf kwam Scheltema dan binnen. Wij haalden hem hartelijk in en liepen op al zijn verlangens vooruit. ‘Goedemorgen meneer Scheltema’, ‘Gaat u zitten meneer Scheltema’, ‘Wilt u een kopje koffie meneer Scheltema’, ‘Hoe gaat het meneer Scheltema.’ Hij glimlachte en ging zitten en dronk koffie en zei: ‘Tja, beter wordt het niet.’ Al snel was hij vervolgens aan het schertsen en aan het vertellen, kleine anekdotes - vaak dezelfde. Als mevrouw hem de nieuwe dingen liet zien die door Koers waren ingekocht bekeek hij die kort: ‘Och, dat is geen onaardig potje.’ ‘Mja, dat is een beetje duur.’ Naar aanleiding van elk willekeurig voorwerp dat hem getoond werd, scheen een reeks andere voorwerpen aan zijn geestesoog voorbij te trekken, een reeks waaruit hij achteloos een voorwerp koos dat zijn geheugen genoegen verschafte en waaraan een zeker belangwekkend verhaal verbonden was. En na zijn korte ‘Geen onaardig potje’ begon hij dan, bijna zonder overgang: ‘Als kleine jongen kwam ik eens op het Waterlooplein en laat ik daar nou...’
Ik raakte snel gewend aan deze sprookjes van de kunsthandelaar, zelfs ging ik ertoe over min of meer gewoon door te werken als hij me op de bibliotheek kwam opzoeken. ‘Weet u hoe ik mijn bibliotheek geordend heb?’ Ik wist het. Vol verwachting keek hij me aan. ‘Nee?’ zei ik. ‘Op formaat!’ antwoordde hij, ‘heel simpel. Grote boeken bij grote boeken en kleine bij kleine. En hoe doet u het?’ En opnieuw hoorde ik van kunsthandelaar Marius Prins en zijn kaartsysteem. Zo was Scheltema's geest altijd rusteloos bezig met dezelfde dingen. Hij werd het niet moe me te vertellen van de pi die hij twintig jaar geleden aan de oude Loo verkocht had, de vader van madame Loo, voor fl. 23000, inkoop fl. 300, waarna hij me de pi toonde in het beroemde standaardwerk over jade, dat ik voor hem van de plank moest nemen. Onder de foto stond: Collection Scheltema Amsterdam. Het allermeest echter genoot hij, te oordelen naar het aantal malen dat hij het vertelde, van dit verhaal: ‘M'n vrouw moest naar de kapper, ik zette haar af en maakte een ommetje, kom ik langs een antiquairtje en zie een bordje, ik naar binnen, ik vraag: wat kost dat bordje, hij zegt: negentig gulden, ik zeg: met korting is dat dus tachtig gulden, nee zegt ie, eenentachtig, goed zeg ik, ik met dat bordje de winkel uit, vrouw zeg ik, we hebben de vakantie al verdiend.’ Waarbij hij me glunder aankeek.
In het algemeen was het onmogelijk om te reageren op wat hij zei. Ik was geneigd hem te onderschatten, althans te onderschatten wat hij als autodidact tot stand had gebracht. Dat gold ook voor zijn integriteit, waarvan mevrouw en Koers hoog opgaven. Van dat soort kant van zijn persoonlijkheid zag ik alleen iets in de keuken, waar wij tussen de middag aten. Terwijl ik filet américain losjes spreidde over de boterham smeerde hij een dun laagje jam op de zijne - en ook dat was inmiddels eigenlijk een zonde geworden, want Scheltema mocht zout noch zoet meer hebben, nog afgezien van het levenslang in acht genomen, zelf opgelegd, verbod van vlees, drank en rookwaar.
Ik begreep dat men een man in zijn nadagen niet meer leert kennen en werkte dus rustig door op de bibliotheek. Toen ik tot steeds perfectionistischer bezigheden verviel (het opplakken van getikte titels op blinde ruggen, het in elk boek een stempel van de firma zetten) begreep ik dat ik eigenlijk klaar was. ‘Ach,’ zei mevrouw, ‘zou jij even dat boekje over Loeristan-bronzen - weet je wat ik bedoel? - willen halen?’ Toen ik er even later mee beneden kwam, werd dat beschouwd als teken dat de bibliotheek bijzonder goed geordend was. Ook het kaartsysteem voor de prijzen van Sotheby en Christie bleek uitstekend te voldoen.
Koers, die steeds vaker op de zaak was naarmate zijn doctoraal examen naderde (evenals trouwens zijn derde rijexamen en eerste kind), zag mijn al te zeer in het oog lopende lediggang en droeg me op de zolder op te ruimen. Want de onderhandelingen waren zo goed als rond en hij zou boven de winkel komen te wonen. De overeenkomst wachtte eigenlijk alleen nog op ondertekening door Scheltema, een daad die door Scheltema met en zonder voorwendsels alsmaar uitgesteld werd.

IV

Op de zolder bevond zich een deel van alle dingen die Scheltema niet weg had willen doen. Een ander deel lag in een speciaal daartoe gehuurd pakhuis. Ik zag lege passepartouts, opgaven voor het toelatingsexamen kweekschool 1905, mappen met naakttekeningen van vrouwen, blijkbaar met zekere maar niet kunstzinnige hand vervaardigd, een potje paarse inkt, zijden garens, houten onderzetters van vazen, de onderdelen van een omvangrijke gietijzeren boekenkast, een grote kist met sjabloonletters china careful amsterdam die niets dan vierendertig jaar oud stro bevatte, een incompleet weefgetouw, een bundeltje foto's (Scheltema met vriend in tent, Scheltema met vrouw in roeiboot, celadonschotel, Scheltema met vrouw in tuin), de bekende bak met roestige spijkers, tuingereedschap, twee kolenkachels, kapotte Japanse lakdoosjes, versleten maar schone lakens, een schooleditie van Ships that Pass in the Night, een Frans kookboek, een doos met honderden plakkertjes (zilveren letters collection scheltema amsterdam op blauw fond) - alles bedekt met zichtbaar en onzichtbaar stof.
Gelukkig trof ik in de aanwezigheid van sommige voorwerpen verklaringen aan voor de aanwezigheid van weer andere voorwerpen: uit een plakboek bleek dat Scheltema als jong onderwijzer begonnen was met een schilderijenhandel en toen al snel etnografica tussen de schilderijen was gaan plaatsen. Daarvan getuigde een oude uitnodigingskaart in Jugendstil, waarop sprake was van ‘barbarenplastiek’.
Op de zolder verviel ik tot overpeinzingen die tot niets leidden en die het aantal plasticzakken dat ik vulde met afval deden afnemen. Zoals overeenkomt met mijn karakter begon ik met classificeren, en wel in: voor de winkel wellicht nog bruikbaar - voor de winkel onbruikbaar, de laatste categorie weer in: voor niemand bruikbaar en voor iemand bruikbaar, eventueel nog te splitsen in: bruikbaar voor mij bekende personen en bruikbaar voor mij onbekende personen. Zo ontstonden, in een dichte mist van stof, ook op zolder weer de bekende stapels. Vrij langzaam overigens, want als er wat te lezen of te bladeren viel, deed ik dat. Wat dicht zat en open kon, opende ik. Bij voorwerpen welker functie mij onbekend was, rustte ik niet voordat ik een hypothese had opgesteld. Lukte dat niet goed en intrigeerde het voorwerp me dan deed ik beneden navraag.
Dozen vol kaarten met beschrijvingen van lang geleden verkochte voorwerpen trof ik aan, met inkoops- en verkoopsprijs.
Dit zich op deze zolder nog altijd vastklampende voortbestaan van wat verdwenen was, van vroeger bezit en oude winst - daar ging iets algemeen vertragends van uit wat me onrustig en droef stemde. Niet alleen het verleden van de antiquair, ook het eigen heden kwam me vergeefs voor. Al vaak was de gedachte bij me opgekomen van hoe de celadonverzameling van de heer Schuster volmaakter werd naarmate hij zelf ouder werd, hoe vervolgens na het verscheiden van de heer Schuster diens kinderen, hoegenaamd niet aangedaan door de schoonheid van celadon, de stukken bij Sotheby zouden doen veilen, de mindere bij Mak van Waay zouden brengen of aanbieden aan Koers (‘aan u als oude relatie van vader’) - en hoe daarna de stukken zouden uitzwermen over de wereld, zich in andere constellaties hergroeperen in Cambridge Mass., Utrecht en Kyoto. Om later opnieuw in de diaspora te belanden. Hoe dus, want daar kwam het op neer, de voorwerpen bleven en de collectioneurs gingen: ars longa, vita brevis.
Veel zuinigheid en veel begeerte zag ik daar op die zolder. Over een mogelijke toekomst van elk werkeloos geworden voorwerp was kort nagedacht door de toenmaals jonge antiquair. In een vaag vermoeden van bruikbaarheid had hij de monsterlijke, bijna niet te tillen onderdelen van een groene gietijzeren boekenkast naar boven laten dragen of wie weet zelf gedragen in het zweet zijns aanschijns, ongetwijfeld nadat de nieuwe vederlichte kast was geïnstalleerd die nu beneden stond. En de kolenkachels, wachtten die tot het aardgas uitgeput was? Het tuingereedschap op een tuin?
Wat was Scheltema's bedoeling geweest met deze doos vol houten pijlpunten, zo te zien van Balinese herkomst? Had hij een smaakwijziging voorzien en ze in afwachting daarvan bewaard? Wat zou er in dit blikken busje zitten? Ik schudde het bij mijn hoofd heen en weer, maar hoorde niets. Met moeite kreeg ik het deksel eraf - witte, gele en bruine papiertjes vlogen me om de oren en dwarrelden vervolgens bedaard omlaag. Ik raapte er een op. ‘bon,’ las ik, ‘voor 1 plaatje Apen en hoefdieren in Artis. Geldig tot 1 maart 1941. Bestelt spoedig uw album!’ Ook de overige bonnen raapte ik op, bonnen die recht gaven op mooie en tevens nuttige artikelen voor honden en katten, bonnen tegen inlevering waarvan gratis een doosje Borino ter kennismaking gezonden zou worden, en nog veel meer. De laatste bon die ik opraapte, betrof evenals de eerste een boek: ‘bon. Tegen inzending van 120 dezer “Bruine Bijtjes” zult u gratis ontvangen Van Delft's “Boek der Bezige Bijtjes”. Dit is een boek in prachtuitgave waarin voor jong en oud een massa leuke, pittige, leerzame bezigheden, wetenswaardigheden en photo's voorkomen, een boek welks prijs in den boekhandel zeker op fl. 3,75 zou zijn te stellen.’
Naar schatting was de bus waarin ik de gevallen bonnen weer terugstopte goed voor zeker een kwart album Apen en hoefdieren en misschien wel een half Boek der Bezige Bijtjes. Ik sloot de bus weer, erover denkend waarom er niet doorgespaard was door Scheltema's vrouw. Want hemzelf zag ik er niet voor aan een onderneming als deze onvoltooid te laten. De gesloten bus deed ik vervolgens in een vuilniszak.
Tussen bruine enveloppen met handelscorrespondentie uit de tijd van de schilderijenhandel, catalogi en brieven van een advocaat over een scheidingsprocedure vond ik enkele schoolschriften. Kweekschool? Op het kaft stond in krachtig schoonschrift slechts: Otto Scheltema. Nee, geen gewone schoolschriften.
‘8 Nov. 1916. Ik heb mijn dag verdaan zonder eenig vreugdig resultaat. Vanmorgen -’ Schuinschrift, mooie onderwijzershand, blauwe inkt verschoten tot bruin. Ik sloot het schrift en legde het apart. Het tweede schrift bevatte ‘Studiemateriaal voor “De Liefde”, Toneelspel in 3 bedrijven’. Erin lag een brief van een onbekende uitgever (‘...uw verzen met genoegen gelezen, er is veel moois in, maar het is nog wat onryp...’). Het derde schrift bevatte het drukrijpe ‘De Liefde’, een treurspel waarin alles (1 moord, 1 mislukte zelfmoord, 2 geslaagde) even onverwacht en heftig plaats greep en waarin de personages al evenmin als hun auteur wisten waar ze aan toe waren.
Het vierde schrift bevatte fragmenten van en aanzetten tot verzen die ik bijna allemaal terugvond in het vijfde schrift, waar ze hecht ingemetseld bleken te zijn geraakt in groter gehelen. Het was droevig (en ik schaamde me) om het creatief proces zich in zo korte tijd te zien voltrekken. Nog geen minuut verliep er tussen de aarzelende, eenzame regel ‘Hoe is de nacht van lichtglans overzilverd’ en het volledige vers:

Hoe is de nacht van lichtglans overzilverd
De bomen staan in druipend schijngetonkel
En door hun leege kruinen straalt gefonkel
Onder in 't kreupelbos ligt glans verschilferd

Ik las, hoewel het vers opgedragen was ‘Aan Nel, mijn lieve vrouw’:

Er welden wond're wijzen
Stil in mij op...
Mijn geestesooren dronken lijze
Die tonen op

Ook al was ik aangedaan door het vers en bedroefder dan zich zeggen laat, mij bleef alleen een vaag, verward beeld van een soort tong-oor. Er was trouwens iets aan deze verzen dat mij ergens aan deed denken, maar wat? Ten slotte, en dankzij grote krachtsinspanning, wist ik het: de inkt! De inkt waarmee de verzen geschreven waren - paars. Dat potje had ik eigenhandig weggegooid omdat er alleen nog maar een soort gesteente van die kleur in zat.
Ik voelde me overigens slecht op mijn gemak met deze schrifturen van de jonge onderwijzer-kunsthandelaar. Wie was ik, in dienst genomen om mevrouw Limperg en Samuel Meerschwam te bespieden, dat ik hier tot in 't zachtst van Scheltema's gemoed doordrong? Dat ik, weliswaar beschaamd, maar toch, Scheltemas verzen zat te lezen op diens eigen zolder.
Ik zag dat sommige gedichten hun weg hadden gevonden. In Ochtendgloren, een uitgave van de Jongelieden-Geheel-Onthouders-Bond, vond ik na het artikel ‘Op!’ en het gedicht ‘Eens!’ direct wat ik zocht: Scheltema's bijdrage, het vers ‘Dragers!’ Op de achterkant van het tijdschrift vonden al deze uitroeptekens hun bekroning in een pagina-grote advertentie van Gloria Cacao.
Ook boekbesprekingen van Scheltemas hand waren in druk verschenen. Ze waren ingeplakt in een schrift ‘Kritieken en Studiën’. Hij was een bewonderaar geweest van navolgers van Tachtigers. Over Frans Bastiaanse schreef hij: ‘Hoe rustig deze regel, gedragen door de heldere, kalm vloeiende a klanken:

“...waar langzaam aan
de koeien door den avond gaan..!”

Lezers, ik heb ze gezien, de koeien van Bastiaanse, traag gedragen door hunne logge pooten.’
Verhalen had Scheltema geschreven, toespraken gehouden, op elk terrein der letterkunde had hij zich bewogen blijkens het stapeltje keurig geordende schriften dat ik doorbladerde. Ik wierp nog een haastige blik in ‘Multatuli als Kunstenaar en als Mensch’, waarvan het begin luidde: ‘Hoorders en hoorderessen! Wanneer gij denkt heden avond veel nieuws te vernemen over Multatuli - d.i. over Eduard Douwes Dekker - dan moet ik u helaas teleur stellen. Helaas! Helaas, omdat...’ Ten eerste, ten tweede, ten derde. Het had hem, van de andere kant, echter ook verheugd tot hen het woord te mogen richten omdat... (Ten eerste, ten tweede en ten slotte.)
Toen pas gunde ik het mezelf, het dagboek ter hand te nemen. Hoe Scheltema precies dit leven van louter klankkleur had ingeruild voor het gehuwde en hoe kunsthandel kunstenaarschap vervangen had, kwam ik niet aan de weet. Daarvoor besloeg het dagboek een te korte periode. Wel las ik somberheden te over, meer en minder tastbare droefheden, en wilsbesluiten welker kracht me het ergste deed vermoeden.
Vol verwachting was ik toen ik die lectuur begon - de gebruikelijke verwachting van wie plotseling op een handgeschreven dagboek stuit: nauwelijks verholen hoop op geheimen. Ha! misschien zou ik hier op zolder de kunsthandelaar toch nog als mens leren kennen! Zo begon ik te lezen, en ik las van 8 November 1916 tot 4 Maart 1917. Het laatste driekwart van het cahier was blanco.

Ik heb mijn dag verdaan zonder eenig vreugdig resultaat. Vanmorgen heb ik wat in de stad gewandeld; afleiding vond ik niet.
De achterbuurten waren vuns en vuil en ongewassen menschen liepen in leelijke kleeren er rond.
Vanmiddag heb ik troost gezocht bij mijn verzameling.
O, in die ouwe dingen ligt een gloed, een glans die me weldadig aandoet.
Ze zijn me lief die dingen.
En ik snak ernaar een grootere kamer te hebben, waar ik ze een betere plaats kan geven.
Want wat is een mooi ding op een leelijke plaats, in een leelijke omgeving.
Deze avond leeft in mij een wondere weemoed, een stil verlangen.
Ik sprak ‘haar’ gisteravond.
Maar deze ontmoeting heeft mijn schrijnend leed niet gemilderd.
Toen ze iets liefs tegen me zei, noemde ze me tot twee maal toe ‘Kees’.
Ik verlang zoo naar haar.
Vandaar mijn weemoed.
Als ik een mooi meisje zie, een kind zelfs, dan ben ik ontroerd tot in mijn diepste binnenste.
Ik kijk haar strak aan, mijn mond en mijn oogen lachen haar niet toe, ik kijk strak.
Maar dan komt er iets zoo oneindig teeders over mij.
Ik verlang te kussen: zacht en stil; en lang, lang in lieve, diepe oogen te schouwen.
Toch beroert me geen hartstocht of lage zinnelijkheid.
Het teer ontloken wazig vrouwelijke denken en gevoelen of liever gevoelen en denken, dat is het wat mijn ziel behoeft en zoekt.
En dit gevoelen en denken zoekt mijn oog in een lieftallig vrouwtje.
Zóó mijn ontroering voor een lief meisje.
Als ik nu denk aan Alie dan veracht ik mezelf.
Ik kan niet groot van haar houden en ik zal haar dit schrijven.
Hoe ze mijn hartstocht kan opwekken heb ik nog niet begrepen.
Ik beschouw dit als een ziekelijke afwijking in mij.
Voor een schoone vrouw, één wier schoonheid zich voor een man subiet manifesteert; met een prachtlijf, voor zoo'n vrouw kan ik wel bewust mijn neus ophalen.
Maar dit kind, zonder hart, zonder hersens, dit wekt mijn lusten.
O wonder van het onbegrepen zèlf.

Al maar is er herdenken in mij: gewijde terugdenking aan de schoonheid en de liefde (och, is dat eigenlijk niet één) die tusschen ‘haar’ en mij geweest is.
En ik begrijp nooit hoe zoo dit goeds, dit schoons verstoord kon worden.
Soms voel ik wat geschiedde als een natuurlijke reactie. De geestelijke band die ons aanvankelijk bond, werd allengs versterkt door een lichamelijke.
Een zinnelijkheid, een hoogere weliswaar, maar een decadente, ontzenuwde ons zoodat we het geestelijke minder ons bewust maakten.
Dat lijkt mij de oorzaak van onze scheiding.
Ik bèn hartstochtelijk!
Maar is dat slecht?
Er kan sterk in me leven, zoo ook nu, het willen bewonderen, het willen aanblikken van een welgevormde, naakte vrouw.
Niet de geslachtsdrift doet mij dit verlangen zoo sterk gevoelen.
Alleen mijn behoefte om dat reine, teere, verhevene van een blank vrouwenlichaam met al mijn schroom en adoratie te naderen, alleen die is de bron van dit verlangen.
Ik wil knielen vol devotie en heiliging voor deze gewijde schoonheidsontroering.
En als ik een enkele kus te geven durfde, zou 't zijn om van mijn sprakelooze hart de diepe teerheid naar buiten te dragen. Ik zou mijn leven lang hoogachten een vrouw die mij dat toevertrouwde in alle heerlijke reinheid.

Zo begon dat dagboek. Enigszins gewiegd door spelling en zinsbouw van de 24-jarige Scheltema las ik verder. Het vreemde was dat ik tot op het laatst geheimen op het spoor dacht te komen. Toen ik al lang beter had moeten weten, las ik nog steeds licht verdoofd verder - tot ik opeens de laatste bladzij had gelezen, en ik mijn verwachting in één klap geheel moest terugnemen. De ongelovige verbazing die me toch ook weldra beving, had me moeten waarschuwen: wat voor zinnen waren dat die de jonge Scheltema geconstrueerd had! De kunstmatigheid van het proza liep zozeer in het oog dat alleen een dwaas kon hopen iets - ja, wat precies? - te achterhalen. Dat ik toch bleef hopen, kwam misschien doordat het dagboek dermate chaotisch van inhoud was, zo berstensvol van weliswaar wazig gehouden maar uiterst ontplofbare gevoelens, en zozeer herhaling van zichzelf dat ik alsmaar bleef denken: nu gaat er eindelijk wat gebeuren, daar komt het.
De gekunsteldheid, verwardheid en wazigheid die (samen met de meeste hoofdpersonen) al meteen op de eerste dag van het dagboek hun intrede deden, vielen me bij tweede lezing nauwelijks minder op, maar ik liet me er nu niet zo makkelijk meer door meevoeren. Nee - toen ik het herlas, probeerde ik alleen nog maar om in het door verlangens en hartstochten overbevolkte dagboek de schaarse personen op te sporen die tot dit alles de aanleiding waren geweest.
Voor zover er al een geraamte van feiten te destilleren viel, kwam dit - in alle banaliteit die zulke geraamtes aankleeft - ongeveer neer op het volgende.
In de periode waarmee het dagboek begon, had Scheltema (of laat ik hem in dit verband Otto noemen) iets met Alie - wat, dat bleef ongezegd, maar het was niet goed. Met ‘haar’ had hij voordien iets gehad, maar een hogere zinnelijkheid had die relatie ondermijnd. De verhouding met Alie daarentegen werd gekenmerkt door lagere zinnelijkheid. Een tijd lang was alles hierdoor nogal onoverzichtelijk: ‘zij’ hield het met Kees, maar trachtte onze Otto niettemin over te halen om met Alie te breken; Otto hield het met Alie, maar werd verteerd door oude liefde voor ‘haar’.
Dit conflict tussen lagere en hogere hartstocht werd beslist in het voordeel van de laatste: er brak een kortstondige periode van groot geluk aan, met Nel, zoals ‘zij’ plotseling blijkt te heten - Nel had onenigheid gekregen met ‘hem’ (de voormalige Kees). Een week voor Kerstmis schreef Otto: ‘Nu is het goed! Zij houdt immers van me; zij! mijn kleine Nel! Het daghet in den Oosten, het licht schijnt overal!’ Ook daags voor kerst alles nog in orde: ‘Ze houdt van me... dat weet ik zeker.’ Plotseling, op tweede kerstdag: ‘Vanmiddag bij Nel. Wat is ze vreemd. Wat zoekt ze toch?’ Daags daarna: ‘Nu is het uit voorgoed! Haar portretten heb ik weggeborgen.’
Volgde een eenzame periode, culminerend op oudejaarsavond. Wandelend door het Vondelpark, waar ‘in de heerlijk avondlijke somberte de weemoed zoo gestadig aangroeide’, voelde Otto zich geïnspireerd en nam hij zich voor, ‘te groeien in kracht, te groeien in willen, te groeien in kunnen. Ik zal scheppen, en er zal groot werk van onder mijn handen komen. Want mijn geest is bevrucht met honderden gedachten die een kunstvorm vragen. Gelukkig mijn eenzaamheid.’
Maar reeds in de eerste maand van het nieuwe jaar ontmoette hij zekere Belgische Joopie die zijn sympathie wekte doordat zij ‘geen drank vroeg en geen cigaretten’. Hij wilde haar redden.
‘Een artiste lijkt ze mij. Haar oogen zijn open en goed. Vergis ik mij? Neen, neen, neen!’ Daarna over Belgische Joopie geen woord meer.
Op 4 maart zocht hij Nel op. Waarom? ‘Wijl ik wat teerheid, wat praten noodig had. Ik ben den gehelen dag gebleven en heb geholpen haar hokje op te ruimen en aan kant te maken. Ik houd van haar... zeker! Vrijdagavond zal ik haar weer ontmoeten.’ Met die zin eindigde het dagboek.
Vrijdagavond hééft Otto haar weer ontmoet. Waarom dacht ik dat? Omdat me iets te binnen schoot wat me eerder al voorgezweefd had. Ik zocht in het stapeltje schriften. Ja, zie je wel: ‘Aan Nel, mijn lieve vrouw’ stond er boven het gedicht ‘Er welden wond're wijzen’. En nog iets anders viel me in, ik begon te vermoeden dat de papieren over een echtscheidingsprocedure die ik ergens gezien had - ik vond ze, keek, en ook dat klopte: 1941. Het klopte allemaal als een bus. De vraag waarom Scheltema's vrouw het sparen van de bonnen niet had voortgezet, was beantwoord: zij was Scheltema's vrouw niet meer.
Ik staarde naar het dagboek in mijn handen. Ik wist niet goed wat ik ermee aan moest. Natuurlijk werd mijn lachlust nogal gewekt door het beeld dat er uit het dagboek oprees: grote, onhandige man, hoofd steeds in ijle sferen, met de gewoonte zich uitsluitend op zijn gevoelens te verlaten. Aldus door blinde krachten voortgestuwd zigzagde hij van besluit tot besluit, steeds opnieuw volstrekt overtuigd en vastbeslotener dan ooit: Ja - Neen! - Ja!! - Neen!!! Die indruk maakte hij via zijn dagboek dat hij onmogelijk zelf gelezen kon hebben (één blik erin zou de grond onder zijn slingerende zekerheid vandaan geslagen hebben). Maar die lachlust werd minder toen ik bedacht dat er een goede kans bestond dat dit monumentaal gebrek aan mensenkennis nog zo'n zestig jaar was meegegaan. Ik wist het natuurlijk niet zeker, maar was er niet iets 24-jarigs in de oude man, verbond niet iets naïefs de kunsthandelaar met de dagboekschrijver? Daar ging iets treurigs vanuit, dat men op een dag zus en zo kon zijn - voorbestemd om dat patroon zestig jaar lang te herhalen zonder er inzicht in te krijgen.
Terwijl ik naar het keurige onderwijzershandschrift staarde (niet één doorhaling) meende ik opeens te zien hoe dit zigzaggen van Scheltema, deze dialectiek ook op het eenvoudigste niveau tot uiting kwam: in hoe de zinnen elkaar opvolgden. Elke zin was tevens een alinea. En het scheen me toe dat de alinea zichzelf aldus ophief, want waar zij er gewoonlijk toe dient om het ene groepje min of meer samenhangende zinnen te onderscheiden van het daaropvolgende, diende zij hier nergens meer toe dan om aan elke zin afzonderlijk een buitengewone hevigheid te verlenen.
Ik sloot het dagboek. Ik had het gevoel gehad dat ik, naarmate mijn werkzaamheden me hoger brachten in het huis, meer geheimen op het spoor kwam. Nu ik het dagboek gelezen had, merkte ik enigszins verbaasd dat Scheltema nog sterker dan voorheen was wie hij al was: een tachtigjarige die ik niet kende. De contouren van zijn leven, waarmee ik nu enigermate op de hoogte was, hadden die vreemdheid slechts meer vorm gegeven. Goedbeschouwd had ik slechts een meer of minder toevallige episode uit het dagboek van een vreemde in diens eigen handschrift gelezen. Ik legde het dagboek weer waar het thuishoorde: bij de overige schriften. En hervatte mijn opruimwerkzaamheden. Nadat Scheltema heel even zijn jeugd herkregen had, was hij op slag weer een oude man geworden.

V

Omdat Koers het tempo waarmee ik opruimde niet aanstond - er was inmiddels een definitieve overeenkomst getekend door Scheltema, en werklieden waren reeds dagenlang bezig de derde etage onder handen te nemen, dit met het oog op Koers' spoedige verhuizing -, omdat Koers dus plotseling haast kreeg, liep hij met mij de vier trappen naar de zolder op en bekeek somber de nog altijd grote hoeveelheid voorwerpen van elk formaat. Weer beneden terug bestelde hij telefonisch een container, die twee dagen later op de stoep geplaatst zou worden. Scheltema had zich al lange tijd niet meer laten zien in de winkel. De dag voor de container zou komen, belde hij echter op dat hij de volgende dag kwam. Het leek wel alsof het hem altijd weer zou lukken het ziekbed voor korte tijd te verlaten. Verontrust keek Koers me aan. Ik stelde voor 's morgens om zeven uur te beginnen, dan zouden we zeker klaar zijn voor Scheltema er was. Want hij wist niets van wat zich al geruime tijd op zijn zolder afspeelde en volgens mevrouw Limperg zou hij een hartverlamming krijgen als het hem ter ore zou komen.
We bevestigden een takel. Koers stond beneden, ik boven. Langzaam vulde de container zich met ordners, kachels, gietijzer en passepartouts. Af en toe keek Koers gejaagd op zijn horloge, hoewel ik hem herhaaldelijk verzekerd had dat Scheltema nooit voor half elf placht te arriveren. Om te vermijden dat Scheltema zijn boekhouding van een halve eeuw in de container zou zien liggen, was met een werkman die op de derde etage bezig was overeengekomen dat hij een dun laagje puin zou storten over ons afval. Hij begon daarmee om half tien, het tijdstip waarop de winkel altijd openging.
Ik ging koffie maken; even later kwam ik daarmee binnen: daar zat Koers bezweet te praten met Scheltema, die eerder op de zaak was dan ooit tevoren. ‘Goedemorgen meneer Scheltema, wilt u een kopje koffie?’ Toen pas zag ik dat er ook nog een man in een blauw pak was, met kort haar. Hij scheen erbij te horen, dus ook hem wenste ik goedemorgen.
Toen ik terugkwam met meer koffie vroeg Scheltema: ‘En? Hoe is het met de boeken?’ Verdwaasd antwoordde ik van goed, en dat ik alle boeken onlangs een stempel van de firma had gegeven. Dit bleek zijn volledige instemming te hebben. Scheltema ging vervolgens naar boven met Koers om te bespreken hoe het dit jaar moest met de Oude Kunst- en Antiekbeurs. Want die was het ongetwijfeld die hem alle kracht had gegeven die hij nodig had om naar Amsterdam te komen.
Ik bleef beneden met de man in het blauwe pak, die de heer Hoeksema bleek te zijn, of zoals hij zelf zei ‘Cor’, de zojuist in dienst getreden chauffeur van Scheltema. Ik zag hem veel de daaropvolgende tijd. Scheltema verscheen wel tweemaal per week toen het contract eenmaal getekend was, vergezeld van Hoeksema. Aanvankelijk zweeg deze terwijl hij zijn blauwe ogen goed de kost gaf. Maar niet lang was hij geïmponeerd en hij begon weldra een duchtig woord mee te spreken. In het begin tilde hij vaak potten op om naar de prijs te kijken, altijd delicaat bevestigd aan onder- of achterkant, ‘'t Is toch wat!’ zei hij dan tegen mij, ‘achtentwintigduizend gulden! Vindt u dat nou mooi?’ Nee, schudde ik.
‘Als ik 'm kreeg, zou ik 'm nog niet willen hebben. Gek hè?’ Ja, dat vond ik gek.
Cor was even groot als Scheltema en ook hij had een verrassend zachte, kinderlijke stem. Het scheen dat hij precies het soort man was dat Scheltema alle bewondering kon geven die hij nodig had. Hoewel hij misschien te spraakzaam was, en te nieuwsgierig. Cor had van die ogen die steeds rondzwervend taxeerden hoe alles viel wat hij zei. Hij wist ook van ongelooflijk snel bijdraaien: hij wou 't iedereen naar de zin maken. Dat viel hem niet eenvoudig, want het gezelschap was groot als we koffie zaten te drinken in de winkel: Scheltema en Cor, mevrouw, Koers en ik, allemaal gezeten rond mevrouws secretaire, een wonderlijke huiskamer voor wie als klant binnenkwam. Koers geneerde het buitensporig, dit grote gezelschap, vooral als er iemand dingen kwam aanbieden. Alleen Cor bleef onbekommerd spreken. Mevrouw verdween met een vreemd strak gezicht naar boven na de koffie. Op de eerste etage trof ik haar gierend van het lachen aan; zij was speciaal naar boven gegaan om te lachen. Ze hield het daar beneden niet uit, vertelde ze, ‘zo iets bespottelijks!’ Met een lichtgeel zakdoekje wies ze haar ogen af en maakte zich op om weer naar beneden te gaan.
Meneer Scheltema vond dat zijn chauffeur nuttig kon zijn voor de zaak. Ongetwijfeld ging het hem aan het hart dat hij hem betalen moest voor al die ledige uren dat hij niet reed. Wat hij zich daarbij voorstelde bleef echter onduidelijk. Wel was Cor vanwege dit idee van meneer Scheltema steeds voorhanden en paraat, in staat ogenblikkelijk de laatste slok koffie te nemen en te gaan waar hem gezegd werd te gaan. Evenwel, nadat hij een koloniale kist waarvan de sleutel al jaren zoek was in een ommezien had geopend met ijzerdraad, viel er om de een of andere reden geen gebruik meer te maken van zijn werklust. Daarom liep hij vaak bij mij binnen op de bibliotheek, en vertelde me van het chauffeursleven.
Na een paar weken hielden Scheltema's bezoeken plotseling op. Het ging weer bergafwaarts. Af en toe zocht Koers hem op in Aerdenhout. ‘Nou, hij was heel slecht vandaag. Zo slecht heb ik hem nog niet gezien. Helemaal down. Hij zat daar maar in een stoel te hijgen. En toen begon ie ook nog te huilen. Dat vond ik maar gênant hoor,’ zei Koers terwijl hij onzeker naar ons keek. Ook met Scheltema's vrouw ging het slecht, zo slecht dat ze mevrouw Limperg niet meer belde. In plaats daarvan werd mevrouw Limperg nu vaak opgebeld door een zekere mevrouw Hartog, een zuster van mevrouw Scheltema. Blindelings afgaand op de sympathie die naar zij wist mevrouw Scheltema altijd gekoesterd had voor mevrouw Limperg trad zij eenvoudigweg in de plaats van haar zuster. En mevrouw Limperg ruimde, na in het begin wel eens heel licht de wenkbrauwen te hebben opgetrokken, een plaats voor haar in. Mevrouw Hartog had haar intrek in Aerdenhout genomen toen de toestand van haar zuster verslechterde. De laatste maal dat ik Cor zag, reed hij voor mevrouw Hartog, die direct naar boven verdween om met mevrouw Limperg te spreken over familiale problemen - problemen van een familie waarvan mevrouw welhaast lid scheen te zijn geworden.
Ik bleef beneden met Cor die me verhalen vol deelneming vertelde over mevrouw Scheltema die onder andere aan achtervolgingswaanzin was gaan lijden en soms zeer agressief was, tegen haar man en tegen volslagen vreemden. ‘Gisteren,’ zei Cor hoofdschuddend, ‘wou ze opeens niet meer eten. Die kaas is vergiftigd, zegt ze. Nee mevrouw Scheltema, zeg ik, die kaas is niet vergiftigd. Die kaas is goed. Kijkt u maar, nu neem ìk een stukje van die kaas, ziet u wel? Nou - zij neemt ook van die kaas. Toen zegt ze: De melk is vergiftigd, zegt ze. Nee, mevrouw Scheltema, zeg ik weer, kijkt u maar. Cor neemt nu een slok van de melk, ziet u wel?’
Ik staarde Cor aan.
‘Toen ze haar vanmorgen kwamen halen -’ ‘Hè wat?’ zei ik. ‘Ja, wist u dat nog niet? Mevrouw Hartog heeft er anders vanmorgen al over gebeld met mevrouw Limperg. Daarom zijn we hier. Nou, toen ze haar dus kwamen halen, ze stond met d'r jas aan in de deur, toen zegt ze tegen me, Cor, zegt ze, zul je goed voor Trixie zorgen? Ze had tranen in d'r ogen. Mevrouw, zeg ik, Cor zal goed voor Trixie zorgen, dat belooft Cor.’
Cor keek me aan met hondeblik.
‘Dat is 't enige wat ze heeft, Trixie. Eigenlijk zou die afgemaakt moeten worden, 't Beest is bijna blind en stinkt uit z'n bek. Eén grote verrottenis is 't in die bek. Maar ja, hoe zou dat moeten als mevrouw Scheltema nog eens terugkomt hè?’
‘En meneer Scheltema -’ Cor maakte een gebaar met zijn hand voor zijn hoofd langs, ‘helemaal in de war. Van de week moesten we ergens naar toe voor een taxatie. Naar Waddinxveen, meneer Kroonenberg. Goed, wij naar Waddinxveen. Wat is 't adres, vraag ik. Daar en daar. Wij erheen. Maar daar woonde helemaal geen Kroonenberg. Onbekend. Wij weer terug naar Aerdenhout.’

VI

Zo had Scheltema sinds ik in dienst was gekomen zijn leven nog drie seizoenen weten te rekken. De naam van zijn zaak had hij contractueel veilig gesteld - die bleef: ‘Scheltema Oostersche Kunst’. Zijn vrouw had hij zien vertrekken naar een inrichting waaruit zij wel niet zou terugkeren. Nu was hij alleen thuis, met zijn schoonzuster. Hoewel zijn wonden opnieuw zwart vocht afgaven, verzette hij zich nog tegen nieuwe opname in een ziekenhuis, maar niet lang meer. Vervolgens was mevrouw Hartog daar alleen.
Vlak voor de ziekenhuisopname, toen Scheltema al nauwelijks meer thuis was maar nog niet echt vertrokken, sloeg chauffeur Cor toe. Hij deed een niet al te doordachte poging tot oplichting, die hem een auto van dertigduizend gulden had moeten opleveren. Op de een of andere manier was er niets verrassends aan deze affaire; voor ons gevoel werd Cor zelfs nu pas de echte Cor. De hele geschiedenis was niet erg belangwekkend en ik zou er ook geen aandacht aan schenken ware het niet dat Koers en ik door dit voorval in Aerdenhout kwamen. Want toen Scheltema opgenomen was belde de inmiddels ontslagen Hoeksema naar de winkel en uitte vage bedreigingen. Als het ontslag niet onmiddellijk ongedaan werd gemaakt, zou hij zijn maatregelen nemen... Vooral ter geruststelling van mevrouw Hartog die nu alleen was in Scheltema's huis reden Koers en ik nog diezelfde dag naar Aerdenhout om Scheltema's verzameling Indisch zilver op te halen, en nog wat andere dingen die een leek mogelijkerwijs zou willen stelen.
Het begon al donker te worden toen we Aerdenhout binnenreden: doodstille asfaltlanen, heggen, gazons. Na een wirwar van laantjes reden we het garagepad op. Het huis lag in een grote tuin met vijver en beelden. Terwijl we uitstapten, ging de deur open. Keffend stond tandeloze Trixie gereed om ons de toegang te ontzeggen.
Mevrouw Hartog ging koffie zetten terwijl Koers en ik direct de trap naar Scheltema's kamer op liepen om het zilver te gaan inpakken, wat borden en een Fries gouden oorijzer. Toen we zo'n beetje klaar waren, liet Koers me de tuin zien, die zacht geurde en goed onderhouden was. Ik zag de vijver met de glazen zijwand waarachter vissen zichtbaar zwommen. Daarachter liep de grond glooiend op naar een manshoge zittende Boeddha. Elders stond een stenen wierookbrander uit Siam. Ik moest vaststellen dat de tuin mooi was. Het was doodstil in Aerdenhout en ik kon me nauwelijks onttrekken aan die oude, naïeve gedachte, dat waar zoveel schoonheid was wel geluk moest wonen.
Toen de koffie klaar was, gingen we naar binnen. Zonder dat we daar ook maar enigszins op verdacht waren, begon mevrouw Hartog ons openhartige verhalen te vertellen over haar familie, verhalen die ons beurtelings deden schudden van het lachen en naar de grond kijken van treurigheid. Ze vertelde zonder enige terughouding, in broekpak, kettingrokend. Wij luisterden verbaasd, en waakzaam, met een soort onderdrukte opwinding, bevreesd de stroom van anekdotes te onderbreken.
Langzaam kreeg ik een indruk van Scheltema's tweede vrouw, die op haar vijftigste voor het eerst getrouwd was en Scheltema aanvankelijk op een voetstuk geplaatst had, waar hij natuurlijk ook weer afgevallen was. Snel had zij gemerkt dat hij naar buiten de grote meneer was en thuis tiran. En niet alleen thuis: lang geleden, toen Scheltema en zij nog op de gracht woonden, had ze de wens kenbaar gemaakt te mogen helpen in de winkel. Dat idee was verworpen (‘Daar heb jij geen verstand van’). Zelfs had het Scheltema gegeneerd als ze zich in de winkel vertoonde.
Later, in Aerdenhout, was haar wereld nog kleiner geworden. Een huishoudster heerste in huis, in de tuin tuinierde de tuinman volgens nauwgezette aanwijzingen van Scheltema, en Scheltema zelf chauffeerde de auto - tot Cor kwam.
Alle smaak in het huis was die van Scheltema.
Kinderen waren er niet geweest, ook niet uit zijn eerste huwelijk.
Zelfs op het terrein dat haar overbleef, boodschappen doen, had Scheltema haar achtervolgd met kritiek. Als zij, doodmoe van een middag slepen met de volle tas aan de ene arm die ze had (ik trok mijn wenkbrauwen op, ‘Ja, ze had maar één arm,’ zei mevrouw Hartog), wel eens een taxi genomen had, was ze uitgekafferd. Met vakantie was ze nooit geweest. De zogenaamde Israëlpot (waarvan ik het bestaan kende, omdat daaruit mijn zwarte loon werd betaald), bij het vijftigjarig bestaan van de zaak aangeboden door de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, was onaangeroerd gebleven. Diezelfde reis naar Israël was door mevrouw Scheltema vervolgens jarenlang gekoesterd als droom.
Ze had nooit geklaagd.
Scheltema, die het nemen van taxi's zondig achtte, was zelf tot op hoge leeftijd in zijn auto blijven rijden, tot een arts die niet omkoopbaar was (geen porselein verzamelde, wilde dat in dit geval zeggen) het hem verbood. Het had hem al veel eerder verboden moeten worden, want zijn auto's hadden ontelbare malen in brand gestaan. Een Citroën ds, een Jaguar, een Porsche, een Rover, een Lancia, een Volvo - allemaal kapot gereden in minder dan een jaar. De auto's vernield, hijzelf ongedeerd, want altijd had hij beschermengelen om zich heen gehad.
Terwijl mevrouw Hartog over Scheltema's auto's sprak, moest ik denken aan wat mevrouw Limperg me wel eens verteld had: ‘Hij stapte de winkel uit, en in zijn auto, en zjjjt, voet niet meer van het gas voor hij in Aerdenhout was. En om hem te zien aankomen, geen gezicht! Zjjjt, stopte er een sportwagen met een geur van geschroeid rubber, kwam er heel langzaam een heel oude man uit.’
‘Hoe vaak ik wel niet gezegd heb, Otto, laat die auto toch thuis,’ zei mevrouw Hartog, ‘maar hij wou van geen kritiek weten. Hoewel ik nooit een blad voor de mond heb genomen tegen hem.’
Ik was geneigd mevrouw Hartog woordelijk te geloven, zo fel en onafhankelijk zat ze tegenover ons. Ik kreeg de indruk dat zij zo ongeveer de enige kritische instantie in Scheltema's omgeving was geweest. Niet dat hij zich iets aan haar gelegen had laten liggen, maar hij had er niet van terug gehad.
Mevrouw Hartog begon te lachen, een harde lach diep uit haar keel die in hoesten overging toen ze haar sigaret uitdrukte. ‘Ja, hij heeft het allemaal van me moeten horen. Een paar weken terug, toen hij niet goed was, waren mijn zuster en ik de hele dag in touw geweest voor meneer in z'n bed. Inkopen gedaan, het huishouden, gekookt, hem alles gebracht wat ie nodig had. Afgepeigerd waren we. Zaten we eindelijk koffie te drinken 's avonds, hoorden we opeens boehoehoe.’ Mevrouw Hartog maakte lange, klaaglijke geluiden. ‘Ik naar boven. Wat is er, zeg ik. Hij lag in z'n bed verwoed met een krant te zwaaien. Ik zeg, wat is er. Een mug, zegt ie. Er is een mug in de kamer. Ik zeg, Otto, nou moet je eens goed naar me luisteren. Wij zijn de godganse dag voor je bezig geweest, Rita is doodop, we zitten net uit te blazen, en nou haal jij het godverdomme in je hoofd om ons te roepen voor een mug. Jezusnogaantoe, een mug. En ik weer naar beneden. Ik vertel het aan Rita, en Rita maar lachen. O, die moest altijd zo vreselijk lachen dan. Jij weet het hem altijd zo goed te zeggen, zei ze dan tegen me.’ Mevrouw Hartog stak een sigaret op. ‘Ja, dat neem ik toch niet?’ zei ze. ‘Dan zou je toch van daar wezen?’
Wij knikten zwijgend.
‘Vanmiddag was ik bij haar op bezoekuur. Ze zegt tegen me, Dora, wij zijn nooit samen op vakantie geweest. Nee Rita, zeg ik, maar je wéét toch hoe het was. Het is er nooit van gekomen. Ze zegt, Dora, wij zijn nooit samen op vakantie geweest. Ik zeg, Rita, nou moet je eens goed luisteren. Als jij hier uit komt, gaan wij samen op vakantie en dan nemen we het Hilton. Alles eerste klas en pico bello in orde. Ja, zegt ze, alles eerste klas en we nemen een dikke portefeuille mee. Ja, zeg ik, en die portefeuille, die neem ìk. Want jij bent in je hart altijd zuinig gebleven. Ja, zegt ze, jij de portefeuille, dat is goed.’ Koers en ik keken naar de grond.
Ze was langdurig aan het woord geweest, merkte dat opeens, en vroeg of we eigenlijk al klaar waren met inpakken. Koers en ik brachten de koffers naar beneden. Het was al lang volkomen donker geworden. Toen we op de slechtverlichte oprit de kofferruimte openmaakten, schoot aan de overkant van de laan een kleine hond keffend naar de rand van zijn tuin en bleef daar staan blaffen. Een vrouw die de laan af kwam lopen keek van de hond naar ons en liep verder. Twee mannen met koffers bij donkere auto, dacht ik.
We stapten in, mevrouw Hartog wuifde in de deuropening, langzaam reden we de oprit af. De koplampen gleden langs de zwakke lantaarns aan het begin van de oprit. Even kon je het stofrag zien in het felle licht.
In de auto rook het nog naar de tuin. We reden snel terug naar Amsterdam. Ik dacht erover na hoe ik in het huis van Scheltema geweest was, hoe daar in zijn afwezigheid oordelen over hem geveld waren en hoe wat ik daar gehoord had een indruk had achtergelaten van onherroepelijkheid, ook door de monoloogvorm van de verhalen van mevrouw Hartog, een monoloog die wij niet onderbroken hadden.
Scheltema zelf had door zijn sprookjes afstand gehouden, de heftigheid van zijn dagboek had me vervuld van bange voorgevoelens, in zijn eigen huis had ik geluisterd naar zijn schoonzuster. Het scheen dat Scheltema mensen en voorwerpen verwisseld had. Hij was een mens geweest zonder vrienden, en zonder critici. Wat hij achterliet, was een winkel.

VII

Nadat ik de kaartenbak met de prijzen van Sotheby en Christie bijgewerkt had, de bibliotheek geordend, de zolder opgeruimd, intussen mevrouw en Meerschwam zonder enig duidelijk resultaat bespied, had ik niet veel meer te doen.
Koers was langzamerhand in Scheltema's plaats getreden, alleen de oudere klanten bleven beleefd naar hem vragen en deelnemend kijken bij het antwoord.
Mijn werkzaamheden beperkten zich nu geheel en al tot invaller zijn. Ik bedoel dat zodra mevrouw en - als hij er was - Koers bezig waren met klanten, ik opveerde uit mijn stoel om nieuw binnengekomenen te woord te staan. Ik verkocht af en toe iets en ging daarna weer zitten in mijn stoel. Soms kwam er een prijslijst met de post en onmiddellijk schreef ik de prijzen bij de foto's en bracht de catalogus in kwestie onder in mijn bak.
Ik zat daar maar beneden, dronk koffie als het koffietijd was en thee als het theetijd was. Ik keek, maar nu nog slechts verveeld, naar mevrouw Tisch, de heer Schuster, Amerikanen, Japanners, mevrouw Limperg en Koers. Vaak staarde ik door het raam naar buiten, voor zover dat ging. Alleen door het bovenste gedeelte kon je iets zien vanuit mijn stoel (de bladeren van de iepen op de gracht). Voor het raam stond een vitrine, waarvan de bovenste glasplaat de buitenwereld weerspiegelde. Op die plaat stond familie verte porselein, begroeid met lang geleden geschilderde takken en bladeren. En in die plaat zag je de voorbijgangers op het trottoir ondersteboven langskomen en fietsers omgekeerd langs de kade fietsen.
Koers ging met vakantie. Mevrouw ging met vakantie. Ik ging met vakantie. De zomer liep op zijn eind en de Oude Kunsten Antiekbeurs naderde.
Toen ik van vakantie terugkwam, was er iets gebeurd in de winkel: mevrouw had Koers meegedeeld dat het werk haar zwaar ging vallen, dat het haar te druk werd en dat ze het wat kalmer aan wilde doen. Koers vertelde me dat op de bibliotheek. Ook voor mij kwam het nieuws onverwacht.
Mevrouw ging bij Meerschwam werken, waar het rustiger was. Ik keek Koers verbluft aan. Hij lachte als een boer met kiespijn. Hij begon opnieuw over de duivelse blik die hij lang geleden in haar ogen gezien had. Na een uur praten hadden we een begin gemaakt met een nieuwe visie op mevrouw waarin alle oude en nieuwe elementen een plaats vonden. Hij begon uit te kijken naar een representatieve dame die mevrouw zou kunnen opvolgen. Tegen de tijd dat hij die gevonden had, besefte ik dat ook mijn tijd was gekomen. Elke reden die er ooit was geweest voor mijn aanwezigheid in de winkel was komen te vervallen.
Een uiterlijke bijzonderheid sterkte me in het besluit om weg te gaan: op een morgen brak ik een blauw-witte K'ang Hsi kom, juist op de dag dat ik, enigszins verbaasd, bij mijzelf had vastgesteld dat ik iedere vrees om het een of ander te breken (een vrees die ik bijna dagelijks gekoesterd had) afgelegd had. Precies op die dag brak ik de kom. Wat voelde ik daarbij? Ik keek naar de scherven en wist dat Koers het geluid evenzeer gehoord moest hebben, hoewel hij zonder op te zien bleef doorwerken. Ik zei iets tegen hem (‘K'ang Hsi kom gebroken’), hij keek op, en zei niets. Ten slotte zei ik, en ik schaamde me voor de overbodigheid daarvan, dat het me speet. Hij antwoordde zeer lankmoedig dat zo iets iedereen kon overkomen. Maar wat voelde ik? Toch niet veel eigenlijk: ik voelde een spijt, preciesten bedrage van de achthonderdvijftig gulden die de kom had moeten opbrengen, niet meer en niet minder.

[Noot van de redactie, 2014: deze tekst bevat op verzoek van de auteur de laatste versie zoals vastgelegd in de bundel Heimwee naar het heden (2001), naar het e-book.]

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog