Archief: Een cosmetisch rapport van: W.F. Hermans, Tranen der acacia’s (fragment)

Wat moeten we herlezen uit de afgelopen veertig jaar De Revisor? Toef Jaeger, redacteur van 2001/1 tot 2009/6, koos voor 'het themanummer vol herschrijvingen van klassiekers, en dan een bijdrage van Herman Franke, 'Een cosmetisch rapport van: W.F. Hermans, De tranen der acacia's' (Revisor 2005/2). Het is een nummer waar ik nog steeds enthousiast over ben omdat het met humor dwars wilde zijn. Herman Franke – iemand die ik bewonderde – nam mijn favoriete auteur en het leek me onmogelijk dat hij een passage van Hermans kon verbeteren, maar dat deed hij vol overtuiging en slaagde er ook nog eens in.'

Inderdaad. Een pijnlijk sterke verbetering van een grootheid.

Voor de behandeling

De boerenmeid (of -vrouw) had tenslotte niet geprotesteerd toen hij zijn kin op haar schouder liet rusten. Zij had zelfs haar hoofd even bewogen, zodat haar naar zeep geurende haar langs zijn neus en mond streek. Kort daarop had hij alleen nog maar vermoeidheid gevoeld en niet de minste begeerte.
Van Zwolle af had hij gestaan, aldoor tegen die vrouwelijke rug aangedrukt. Het was al over zessen. In de trein brandde geen licht. Luidruchtige jongens die zeker dagelijks heen en weer reisden naar een school van een soort als er in Kampen niet was, speelden soms met handdynamo’s en sigarettenaanstekers. De raampjes van de portieren stonden allebei open. Maar grove mannen stonden er tegenaan gedrukt, zodat de lucht bijna niet werd ververst; in de coupé hing zwaar de geur van naar geschroeide paardehoeven stinkende tabak die hem bijna braken deed.
Toen begon de trein nog langzamer te rijden en hield daarna geheel stil. De gesprekken werden luider, als het gekakel van in manden opgesloten vogels die op de markt worden neergezet. Maar zij waren nog niet in Kampen. Buiten viel geen licht te bekennen, alleen grijze, hier en daar met nog donkerder wolken zwart besmeurde mist. Hij had nog geen woord met het meisje gewisseld en ook zij sprak noch tegen hem noch tegen anderen. Hij had erover gedacht haar hand te strelen, hij zou die, zachtjes tastend langs haar dij, behoedzaam moeten vinden, maar hij dacht: waarom eigenlijk?
Terwijl de hilariteit van de schooljongens nog even opleefde kwamen de wagens weer in beweging, zo traag, dat de wielen bij iedere las een sonoor geluid gaven alsof het gongen waren.
Toen de trein in het station ten slotte stopte, zeeg hij bijna door zijn knieën van vermoeidheid, maar de andere reizigers, die zich tegen hem aanwrongen, hielden hem overeind. Hij wilde net als zij naar zijn koffers grijpen en reikte naar de overzijde van de coupé waar deze in het net moesten liggen.

(uit: W.F. Hermans, De tranen der acacia’s. Amsterdam, 1999)

Na de behandeling

Het meisje protesteerde niet toen hij zijn kin op haar schouder liet rusten. Ze wendde haar hoofd af, zodat haar naar zeep geurende haar langs zijn wang streek. Kort daarop voelde hij alleen nog maar vermoeidheid en niet de minste begeerte.
Van Zwolle af stond hij al, steeds stijf tegen die vrouwelijke rug aangedrukt. Het was over zessen. Er brandde geen licht in de trein. Enkele schooljongens zwaaiden lachend en schreeuwend met hun knijpkatten en aanstekers wat een spookachtig licht wierp op de andere reizigers, die strak voor zich uit bleven kijken, ook als ze pesterig in hun gezicht werden geschenen. Heel even viel er licht op het haar van het meisje. Het had de kleur van dor gras. De raampjes van de portieren stonden open, maar de grove mannen die er tegenaan leunden hielden de frisse lucht tegen. Hij werd misselijk van de tabakswalm die stonk naar geschroeide paardenhoeven.
De trein minderde vaart en hield halt met een schokje. Opgelucht begonnen de reizigers druk te praten. Maar zij waren nog niet in Kampen. Buiten zag hij nergens licht brandden. Er hing een grijze, met donkere en zwarte flarden besmeurde mist. Hij had geen woord met het meisje gewisseld en zij had ook tegen anderen niets gezegd. Hij kreeg de aanvechting haar hand te strelen, hij zou die dan, tastend langs haar dij, moeten vinden, maar hij dacht: waarom zou ik dat doen?
Tot hilariteit van de schooljongens kwamen de wagens weer in beweging, zo traag dat de wielen bij iedere las een droog, donker geluid gaven. Ke-doeng… ke-doeng… ke-doeng…
Hij zakte door zijn knieën van vermoeidheid toen de trein eindelijk stopte in het station, maar de andere reizigers, die zich tegen hem aanwrongen, hielden hem overeind tot hij de kracht in zijn benen voelde terugkeren. Hij zuchtte diep en reikte net als zij naar het net waarin de koffers lagen.

Cosmetisch rapport

Hij mag zijn as best wel even hoestend van woede laten opwaaien, het kan me niets schelen want ik heb gelijk. Bovendien vind ik hem desondanks een heel groot schrijver. In zijn grimmigste boeken, tevens zijn beste, licht hij genadeloos tegels in je hoofd en raspt hij je ziel. Ik heb het over W.F. Hermans. De tranen der acacia’s beschouw ik als zijn beste boek, een meesterwerk. Even sterke romans zijn er na de oorlog maar heel weinig geschreven. Het is een roman die schreeuwt als Munch. Toch staan er op elke bladzijde van dat boek zinnen die pijn doen aan je ogen. Dat is een literaire paradox die me al jaren bezighoudt.
Stijl is alles, hoor je vaak. Maar hoe kan een roman je dan in de wurggreep nemen terwijl je voortdurend de neiging moet onderdrukken met een rood potlood woorden weg te strepen, zinnen te verbeteren of hele passages te herschrijven? Op bladzijde 100 bijvoorbeeld van de 25ste druk (1999) verlaat Andrea de logeerkamer waarin Arthur, de hoofdpersoon van de roman, zich bevindt. Hermans schrijft: ‘Na ’t sluiten van de deur tikten haar voetstappen nog een ogenblik na in de gang. Toen dit weggestorven was, ontkleedde hij zich, met een gevoel of hij haast moest maken.’ En meteen in de volgende zin gaat Arthur op bed liggen ‘met een gevoel of hij op de vlucht was, (…)’. Dat is een lelijke en overbodige herhaling. We moeten aannemen dat Hermans beide omschrijvingen van dat opgefokte gevoel even treffend vond en niet kon kiezen. Maar hij had zijn tanden op elkaar moeten zetten en één lieveling moeten doden. En als voetstappen eerst een ogenblik natikken en dan nog eens wegsterven, voel ik het rode potlood al trillen in mijn hand. Bovendien, als ik even heel zeikerig heel precies mag zijn: kunnen voetstappen een deur sluiten? Moeten het geen hakken zijn die tikken? Mierenneukerij? Nou, Hermans zelf neukte mieren om veel kleinere vergrijpen tegen goed taalgebruik. Er leven neerlandici die bij elke zin die ze opschrijven nog steeds de geselstraf van Hermans vrezen en zijn bijtende lach horen. Hij kon een heel oeuvre diskwalificeren omdat hij er één lullig foutje in had ontdekt. Nee, niks muggenzifterij, hier had gewoon moeten staan: ‘Ze sloot de deur. Toen het getik van haar hakken in de gang was weggestorven, ontkleedde hij zich, en ging op bed liggen met een gevoel of hij op de vlucht was, (…)’. Voor mij mag zelfs ‘in de gang’ ook nog weg, want waar moeten ze anders tikken, die hakken?
Halverwege dezelfde bladzijde lezen we: ‘Hij legde zich op zijn rug en luisterde of hij nergens iets hoorde’. Die laatste vijf foeilelijke en overbodige woorden had de schrijver natuurlijk moeten schrappen. Je luistert of je luistert niet. En als je luistert ben je er op gespitst iets te horen. Bij Hermans krijg je het gevoel dat hij zich stilistisch in een positie bevond die hij op dezelfde bladzijde in een geforceerde vergelijking onder woorden probeerde te brengen: ‘Het was alsof hij een keuze moest maken uit duizenden in een bal verwarde draden’.
Hoe raken duizenden draden in een bal verward? Kennelijk vertrouwde hij de evocatieve kracht van de vergelijking zelf ook niet erg. Hij voegde er ten overvloede aan toe: ‘Een onmogelijke keuze!’. Zeg dat wel (uitroepteken!), of juist niet, want nu ik er nog eens over nadenk: waarom is het zo moeilijk een draadje uit duizenden te kiezen? Je pakt het gewoon tussen duim en wijsvinger en trekt het er tussenuit. De keuze is niet moeilijk, want elke keuze is goed. Moeilijk is het pas als je één bepaald draadje zoekt, maar dat staat er niet. Ja kijk, niet vuil lachen en hoesten nu, schrijven is schrijven.
Iedere schrijver maakt stilistisch wel eens een slippertje. In elke roman kun er tientallen vinden, ook in mijn romans. Dat is de reden waarom recensenten die een boek koste wat het kost willen afkraken, steevast hun toevlucht nemen tot het citeren van enkele kromme zinnetjes, want die staan er altijd wel in. Maar bij Hermans gaat het niet om slippertjes. Toen ik er scherper op begon te letten, merkte ik dat zijn stijl structureel niet deugt. Zijn zinnen haperen en knarsen, ze zijn vaak lelijk of domweg taalkundig onjuist. En ze zijn zo a-muzikaal, zo a-ritmisch, zo helemaal niet poëtisch, zo, hoe zal ik zeggen, zo vierkant, maar dat dan ook weer niet echt. Zijn zinnen hobbelen over een weg vol kuilen als een oude auto met kapotte schokbrekers. Is dat zijn kracht of zijn zwakte? We zullen zien.

Nooit eens een echte mooie zin

Neem de opening van De tranen der acacia’s. Op de eerste bladzijde doet een schrijver vaak extra zijn best. Dit geldt nog sterker voor de eerste zin. De stilistische oneffenheden daar heeft hij dus gewoon niet gezien of niet als zodanig ervaren, wat even ongelooflijk als waar is. De eerste zin is zo belangrijk als de eerste tongkus van verliefden. Smaakt die niet naar meer, dan wordt het nooit wat. Een schrijver weet dit. Hermans wist het toen hij schreef: ‘De boerenmeid (of- vrouw) had tenslotte niet geprotesteerd toen hij zijn kin op haar schouder liet rusten’. Ja, het staat er echt. Wat moet dat afschuwelijke ‘of –vrouw’ daar tussen haken? Bedacht Hermans dat je aan een vreemde vrouw niet kunt zien of ze getrouwd (boerenvrouw) of ongetrouwd (boerenmeid) is? Moesten wij lezers weten dat hij dit drommels goed besefte en zette hij toen ‘of –vrouw’ tussen haken achter de boerenmeid? Je kunt je nauwelijks voorstellen dat hij zich met zulke logisch-positivistische scherpslijperij bezighield tijdens het formuleren van de openingszin van deze prachtige, in zoutzuur gedompelde roman. Even verderop heeft hij het al gewoon over ‘het meisje’, dus waarom dan niet ook in de eerste zin?
Wat moet dat ‘tenslotte’ daar? Als de boerenmeid (of -vrouw) zich later over de kin op haar schouder beklaagd zou hebben, zou het woordje ‘tenslotte’ een verontschuldiging kunnen inhouden, maar dat is niet zo. Na een bladzijde vernemen we over deze boerenmeid (of -vrouw) niets meer. Zij stond gewoon naast de hij-persoon in een overvolle trein die van Zwolle naar Kampen reed. Of gebruikte Hermans het woordje in de betekenis van ‘eindelijk’ of ‘uiteindelijk’? Was de man van al dat dicht opeen staan zo moe geworden dat hij `tenslotte' zijn kin op haar schouder liet rusten? Dan hoort het woordje op een andere plaats in de zin: tussen ‘hij’ en ‘zijn’. Maar dan nog. Dat hij lang heeft gestaan, strak tegen de rug gedrukt van de boerenmeid (of -vrouw), wordt immers in de eerste zin van de tweede alinea al duidelijk. We hebben er meteen begrip voor dat hij uit vermoeidheid zijn kin op haar schouder laat rusten. Dus dat rare ‘tenslotte’ in de eerste zin kan wel weg, nee, moet weg. En laten we dan meteen ook maar korte metten maken met die lelijke voltooid verleden tijd in de eerste en volgende zinnen. Dat aaneenrijgen van ‘had dit -had dat’, waar slaat het op? Blikt de hij-persoon soms terug op wat aan het begin van de reis is gebeurd? In dat geval valt de verontschuldiging van het lange, vermoeiende staan weg en is het ‘tenslotte’ in de openingszin een dubbele slag in de lucht. En dat is het inderdaad. Zo krijgen we na onze behandeling een eerste zin waarover ik zeer tevreden zou zijn als ik Hermans was: ‘Het meisje protesteerde niet toen hij zijn kin op haar schouder liet rusten’.
Maar dan die tweede zin! Hoezo ‘zelfs’? Wil de schrijver suggereren dat het meisje instemde met die kin op haar schouder door haar hoofd te bewegen? Alles wijst erop dat ze gewoon haar gezicht afwendde ter bescherming van haar psychische ruimte in die overvolle trein. Als haar naar zeep geurende haar werkelijk langs zijn neus en mond streek, dan draaide ze haar hoofd in plaats van het alleen maar even te bewegen. Afgezien daarvan zie ik niet voor me hoe die haren langs zijn neus en mond konden strijken, tenzij hij zijn kin niet alleen op haar schouder legde, maar ook nog eens tegen haar hals drukte, wat niet erg waarschijnlijk is, ruim zestig jaar geleden, en plein public. Daar komt bij dat de lezer al gauw doorkrijgt dat de hij-persoon er alle belang bij heeft niet op te vallen. Dus als hij desondanks zo ongewenst intiem deed, waarom laat Hermans dat dan niet duidelijk weten in plaats van ons met een cryptogram het doorlezen te verhinderen? Daarbij komt dat ik ‘neus en mond’ niet mooi vind: te plastisch en misleidend precies. Als dat haar inderdaad langs zijn ‘neus en mond’ streek, dan streek het langs zijn hele gezicht, ook langs zijn wang, vooral langs zijn wang, daar krijgt het strijken onwillekeurig iets van strelen, wat een subtiele zinnelijke connotatie aan de passage toevoegt. Door haar hoofd af te wenden streelt ze hem! Kan het Hermansiaanser? Deze zin kan dus korter, strakker, emotioneler en duidelijker, zoals de behandeling laat zien. De derde zin knapt nu vanzelf ook wat op.
De volgende drie zinnen kunnen er mee door. Ik heb ze toch een beetje vertimmerd om voor de hand liggende redenen: twee keer ‘al’ is lelijk, ‘stijf’ verhoogt de erotische spanning en de klemtoon op ‘in de trein’ aan het begin van die zin is misleidend want buiten de trein brandde ook geen licht, zoals we verderop in de alinea vernemen. Mijn stelregel is: je gebruikt je verstand, of je gebruikt niet je verstand. Maar ik geef toe, veel mooier worden ze er niet van, die zinnen. Met wat make-up en lippenstift, maak je van een lelijke vrouw nu eenmaal geen schoonheid. Dat brengt me op een ander kenmerk van Hermans’ stijl. Je stuit nooit eens op een echte mooie zin, een zin die je onthoudt, een zin die je zelf wel had willen schrijven. Langer dan een paar zinnen gaat het bovendien nooit goed. Deze keer lopen we meteen vast in een rare zin over luidruchtige jongens van wie de schrijver vermoedt dat ze ‘dagelijks heen en weer reisden naar een school van een soort als er in Kampen niet was’. Hij weet het uiteraard niet zeker – misschien gingen de jongens wel naar een feestje in Kampen of kwamen ze terug van een eenmalige excursie naar een groenteveiling in Zwolle, wie zal het zeggen? – en de lezer kan het niets schelen. Zwijg er dan over! En als je dat niet wilt, zeg dan gewoon dat die jongens ‘zeker dagelijks heen en weer reisden naar een school in Zwolle’. Dat er dan niet zo’n school in Kampen geweest zal zijn, snapt de lezer zelf wel. En doe vooral twee alinea’s verderop niet alsof het er allemaal niets toedoet, door het met een stalen gezicht gewoon over ‘de schooljongens’ te hebben. Dat had je dan beter meteen kunnen doen, wat in de behandelde versie dan ook gedaan is.
Wat moet dat halfslachtige ‘soms’ in het tweede deel van die zin? Stopten ze af en toe even met spelen, die luidruchtige jongens? En wat deden ze toen? Wie A zegt moet ook B zeggen. Ik vind: ze speelden of ze speelden niet. In plaats van ‘handdynamo’ zou ik bovendien het mooie, poëtische woordje ‘knijpkat’ gebruikt hebben en in plaats van ‘sigarettenaanstekers’ gewoon ‘aanstekers’. Maar waar het om gaat is dat de schrijver het gedrag van die jongens had moeten aangrijpen om een sfeervolle passage te schrijven. Zo’n kans voor open doel krijg je niet op elke bladzijde, zeker niet in een roman van Hermans. Wij van het cosmetisch behandelingsteam, hebben hem er dan ook ingeschoten, die bal.
Gelukkig ‘stonden’ de raampjes van de portieren open. De coupé had kennelijk twee portieren dus dat ze ‘allebei’ open stonden, hoeft niet opgemerkt te worden. Het kan zijn dat Hermans bedoelde dat elk portier twee raampjes had en dat beide raampjes openstonden, maar dan zouden er in totaal vier raampjes hebben opengestaan, maar dat staat er niet. Wat staat er wel? Wie het weet, mag het zeggen. Zeker is dat de raampjes van de portieren openstonden en dat hebben we er dan ook maar van gemaakt.
Dat die grove mannen in de volgende zin ‘stonden’ is lelijk, want de raampjes ‘stonden’ ook al, namelijk open, dus weg ermee. Het slappe, halfslachtige woordje ‘bijna’ zou een schrijver van het niveau van Hermans zo weinig mogelijk moeten gebruiken, en zeker niet drie keer op de eerste bladzijde van een roman. In dit eerste geval levert het nog geen onzin op in de sfeer van ‘een beetje zwanger’, maar wat je je moet voorstellen bij het ‘bijna braken’ in de volgende zin is al veel minder duidelijk. Stond hij van Zwolle af te kokhalzen met de kin op de schouder van die boerenmeid (of -vrouw)? Voelde hij zich zwaar misselijk? Zo ja, schrijf dat dan op, in plaats van ons een beetje lekker zitten te maken met iets wat ‘bijna’ gebeurt. Onderaan de bladzijde zijgt de hij-persoon ‘bijna’ door zijn knieën van vermoeidheid. Maar hij wordt volgens de schrijver overeind gehouden door de andere reizigers die zich tegen hem aanwringen. In dat geval zeeg hij dus wel degelijk door zijn knieën, waarbij we Hermans dan nog vergeven dat ‘door je knieën zijgen’ een foute samentrekking is van ‘neerzijgen’ (= zachtjes neervallen omdat je door je knieën zakt) en ‘door je knieën zakken’.
Intussen is het ook vaag waarom die grove mannen juist door het drukken tegen de portieren er voor zorgden dat de lucht ‘bijna niet’ werd ververst. En het is zo eenvoudig: ‘De raampjes van de portieren stonden open, maar de grove mannen die er tegenaan leunden hielden de frisse lucht tegen’. Voila!
Dan is daar die geur van stinkende tabak die hem ‘bijna’ deed braken. Is het niet lelijk om in één zin twee woorden (geuren en stinken) te gebruiken die in betekenis zo dicht bij elkaar liggen? Ik vind van wel. En dat die geur van stinkende tabak zo zwaar ‘in de coupé’ hing, spreekt vanzelf, dus dan hoeft het niet gezegd te worden. Kommaneukerij? Hermans heeft hele polemieken gevoerd over de juistheid van de apostrof in ‘Homme’s hoest’. Hij hield van precisie in de taal. Maar hij was, zien wij nu, kritischer op anderen dan op zichzelf. Ik vast en zeker ook, maar ik maak er niet mijn hobby van om mensen af te slachten. Ja, als ze al dood zijn, dan wil ik het nog wel eens doen. Dan is het immers geen slachten meer, maar een postuum pak slaag, wat minder pijn doet en toch even hard aankomt.

Kedoeng… kedoeng… kedoeng

We moeten vaart maken met dit commentaar want de trein begint langzamer te rijden en houdt daarna geheel stil. Moet ik er nog op wijzen dat ‘geheel stil’ net zo fout is als ‘een beetje zwanger en dat de lelijke stopwoordjes ‘begon’, ‘nog’ en ‘daarna’ niet nodig zijn als je het ook heel goed als volgt kunt zeggen: ‘De trein minderde vaart en hield halt met een schokje’? Is het nog nodig uit te leggen dat die vergelijking van luider wordende stemmen met het gekakel van vogels in manden niets verduidelijkt, harkerig is geformuleerd en empirisch betwistbaar is? Volgens mij houden die vogels namelijk juist óp met kakelen als hun manden worden neergezet, want dat geeft rust. Nog sterker: vogels kakelen niet! Kippen kakelen. En vogels? Die tsjilpen, fluiten, koeren, krijsen of fladderen, maar dat lijkt allemaal weer niet op luid sprekende reizigers. Je ziet de schrijver tobben aan zijn bureau. Dat hij gewoon kippen in die manden had moeten doen, kwam gek genoeg niet bij hem op, maar beter is het die hele vergelijking maar weg te laten, wat wij gedaan hebben. De reizigers begonnen er opgelucht druk van te praten.
De lezer snapt inmiddels zelf ook wel dat als er buiten geen licht te bekennen viel, je ook geen ‘grijze, hier en daar met donkerder wolken zwart besmeurde mist’ kon zien? Of wordt hier alleen bedoeld dat er geen licht van lantaarnpalen of huizen te ontwaren viel? Dan nog blijft het de vraag hoe je dan een grijze mist kon zien die ‘met nog donkerder wolken zwart’ is ‘besmeurd’? Is donkerder dan grijs, zwart? Benam de mist de hij-persoon niet het zicht op die wolken? Vragen, vragen , vragen. Wat staat hier in ’s hemelsnaam (in godsnaam had ik al gehad, vandaar)? We hebben er maar iets van gemaakt dat de schrijver wel eens bedoeld zou kunnen hebben.
Vooruit met de geit. Als je geen woord met iemand hebt gewisseld, is het dan wel nodig op te merken dat die ander niets tegen jou gezegd heeft? Is ‘zachtjes tasten’ geen pleonasme? En wat als dat tasten ook nog ‘behoedzaam’ gaat? Een pleonasme in het kwadraat? Zoiets als een ronde, bolvormige bal? Waarnaar verwijst de gedachte ‘waarom eigenlijk’ eigenlijk? Al deze vragen hoeven in de behandelde versie niet meer gesteld te worden.
Tja, de hilariteit van de schooljongens leeft nog even op, maar de lezer weet van eerdere, kennelijk verstomde hilariteit niets. Of vindt Hermans dat hilariteit hetzelfde is als luidruchtigheid? Overigens: kan hilariteit wel opleven? Bestaat er dan ook sluimerende hilariteit? Nee, hilariteit is er, of zij is er niet. Hilariteit kan hooguit groter worden, of opnieuw ontstaan, maar niet opleven. En dan volgt daar weer zo’n mislukte vergelijking. Iedereen weet hoe het ‘kedoengen’ van een trein klinkt. Het zal in de jaren veertig niet veel anders geklonken hebben dan nu. Aan het geluid van gongen, dat ik overigens eerder galmend dan sonoor zou noemen, heb ik nog nooit gedacht. Het klinkt juist droog en donker, als jambische dubbelslagen op de grote trom van een fanfare, vooral als de trein heel traag rijdt. Maar wat is in dit geval mooier dan het geluid gewoon met woorden te laten klinken? Kedoeng… kedoeng… kedoeng…
Over dat ‘bijna’ door de knieën zijgen (moet ‘zakken’ zijn), hebben we het al gehad, maar als je deze zin goed leest, moet je ook nog vaststellen dat niet de hij-persoon maar de trein door zijn knieën zakt. Die fout is eenvoudig te verhelpen door de volgorde om te draaien: eerst de knieën, dan de stoppende trein. Toch kan het geen kwaad de hij-persoon daarna diep te laten zuchten en dat hebben we hem dan ook laten doen.
De zin die volgt is zo vreemd dat je mond ervan openvalt. Wat is het verschil tussen naar je koffers grijpen en reiken naar de plaats waar je koffers liggen? Antwoord: er is geen verschil. Hij wilde dus niet alleen naar zijn koffers grijpen, hij deed dat ook, net als de anderen. Nog gekker is dat hier dus staat dat de andere reizigers zijnkoffers wilden pakken! Hier bloosde ik even van plaatsvervangende schaamte. En dat ‘moesten liggen’ slaat ook nergens op want hij wist immers dat zijn koffers daar in het net lagen, wat op de volgende bladzijde onomstotelijk blijkt als hij met die koffers bij de controle op het station staat. Dus zitten we met een volkomen onbegrijpelijke en lelijke zin waar we maar gauw het volgende van gemaakt hebben: ‘Hij zuchtte diep en reikte net als zij naar het net waarin de koffers lagen.’ Opgeruimd staat netjes.

Twee verklaringen

Pffffffffff, dat was alleen nog maar de eerste bladzijde. Meteen op de volgende bladzijde wordt de hij-persoon neergedrongen ‘op de bank, op een plaats waar juist iemand was opgestaan’ (‘op de bank’ kan volstaan, dan ben je gelijk van drie keer ‘op’ af in één zin), heeft hij het meisje ‘feitelijk’ niet gezien (kun je iemand ook niet-feitelijk niet zien? Bedoeld wordt dat hij haar gezicht niet heeft gezien, maar zeg dat dan!), buigt een stationsbeambte ‘zich uit zijn loket naar voren’ (nou ja, het is toch geen tekenfilmpje?) en voelt de hij-persoon ‘in al zijn zakken, met beide handen tegelijk’ (twee handen in al die zakken?). Je schrijvershanden jeuken en dat blijft het hele boek maar doorgaan. En toch vond ik het na herlezing opnieuw een van de allerbeste Nederlandse romans. Hoe kan dat? Ik weet maar twee verklaringen te bedenken.
De eerste is dat juist die onbeholpen, hoekige, harkerige, stroeve, a-muzikale, a-poëtische, hortende en stotende stijl vol oneffenheden, cryptische vaagheid, inconsistenties en echte taalfouten, bijdraagt aan het gevoel van onthechting waardoor niet alleen de hoofdpersoon Arthur Muttah in toenemende mate bevangen wordt, maar waardoor je halverwege het boek ook als lezer naar adem begint te happen. Het kan. De fans vinden Tom Waits juist zo mooi zingen omdat hij ‘eigenlijk’ niet kan zingen en een stem heeft die door veel roken en zuipen tot talloos veel miljoenen deeltjes vergruisd is. Maar dan ben je wel erg mild voor Hermans. Te mild. Er staan teveel zinnen in het boek die domweg onbegrijpelijk zijn en die niet uitdrukken wat de schrijver heeft moeten willen zeggen. En zijn slechte stijl is te vaak te storend om er juist de kracht van zijn proza in te zien. Het zou me niet verwonderen als vooral zijn stijl buitenlands succes van het boek (en zijn andere boeken?) in de weg heeft gestaan, want elke vertaler zal meteen gemerkt hebben wat ik merkte toen mijn argwaan eenmaal gewekt was: de stijl van Hermans is een groot schrijver onwaardig. Dus ik vrees dat de tweede verklaring de beste is: De tranen der acacia’s is zo geniaal rommelig gecomponeerd en inhoudelijk zo ijzersterk, zo diep borend in wat de mens tot mens maakt, dat zelfs de onvolkomen stijl hem niet om zeep heeft kunnen helpen. Dit betekent wel dat dezelfde inhoud in handen van een begaafder stilist de beste Nederlandse roman ooit zou hebben opgeleverd.
Ja, laat die as maar woedend opwaaien nu. Ik zeg: eigen schuld, dikke bult.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog