, 29 Januari 2014

Kleine gedachtegang over het gelegenheidsgedicht

‘Wat hebben kunstenaars toch tegen opdrachten? Er is grote kunst uit ontstaan.’ Die uitspraak doet Jurriaan Benschop in zijn boek over Berlijn Wonen tussen de anderen als hij naar een lezing van Jeff Wall gaat. De fotograaf kan simpelweg niet zeggen of het wel gaat lukken met een bepaalde opdracht. Dat is herkenbaar. Je weet nooit zeker of er wel iets uitkomt, en je kan niet beloven of het goed wordt. Soms heeft het resultaat te maken met de opdrachtgever, of de kunstenaar zich voldoende uitgedaagd voelt om iets moois te maken. Er kunnen ook andere omstandigheden meespelen.

Natuurlijk bestaat die discussie ook in mijn vakgebied. Ik meen dat poëziecriticus Hans Groenewegen mordicus tegen gelegenheidsgedichten was, hij vond dat ze niet tot sterke bundels leiden. Een andere poëziecriticus, Erik Menkveld, brak juist een lans voor het gelegenheidsgedicht in zijn lezing tijdens de Maastricht Poetry Nights in 2012. Het is niet mijn intentie altijd maar een middenweg te bewandelen tussen dergelijke opvattingen. Maar hoe werkt het nu eigenlijk in mijn praktijk?

Met een opdracht van De Zingende Zaag was je altijd blij. Hoofdredacteur George Moormann wist zo dichterlijk met zijn thema’s om te gaan, dat je niet gemakkelijk in een keurslijf terecht kwam. Je moest altijd wel heel goed zijn vrolijke uitnodigingsbrieven lezen om een idee te krijgen waar je heen kon. Een opdracht betekent: er komt een nieuw gedicht – en dat is op zich goed nieuws. Maar wat als het er helemaal nooit komt? Martin Reints schreef in Tussen de gebeurtenissen een sterk gedicht genaamd ‘Deadline’, waarin het naderen van de deadline je in een soort niet-ruimte doet belanden. Uiteindelijk ben je nergens meer als de deadline zonder resultaat verschijnt. Uitstel vragen lijkt een oplossing, maar vergroot alleen maar het probleem.

Er zijn opdrachten waar ik gewoon niets mee kan, zelfs al zou ik op mijn hoofd gaan staan. Schrijf een gedicht over Erasmus. Dat lukte me niet. Ik zeg nooit meer iets toe, dacht ik op dat moment. Maar een gedicht over de Eerste Wereldoorlog lukte wonderwel. Terwijl ik nog dacht: wat zou ik nou met de Eerste Wereldoorlog. Die is heel groot en ik ben heel klein, om Calimero te parafraseren. Het volgende was een kettinggedicht, waarbij je bij wijze van spreken moest terugschrijven aan een dichter voor je. Dat leek me ook vreselijk, die halve dialogen, die zwaan kleef aan gedichten. Maar gelukkig zat er niet een gedicht in de file maar een hele zwik in de ketting en vond ik het een en ander om op te reageren.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat het gedicht sterk genoeg op zich moet zijn los van het onderwerp (ik had haast ‘ondanks’ het onderwerp geschreven). Dat je eigenwijs genoeg op het verzoek kan reageren zodat je eigenlijk het gedicht schrijft dat je toch had willen schrijven. En tegelijk de opdrachtgever tevreden stelt. Hebben die zandvlooien bij Bergen aan Zee dan niet te maken met het nabije Egmond aan de Hoef waar Erasmus zat?

Sinds kort heb ik een tablet en die dreigt het oude notitieboekje in de binnenzak te vervangen. Ik weet niet of het een goede zaak is. Als ik een inval krijg die te maken heeft met wat ik zie, dan dreigt als ik het geval aanklik mijn vinger niet naar Word te gaan maar naar de camera. Ik zie een rivier die uitloopt in een weiland, pal boven Maastricht, niet ver van de grens, vlakbij wat ze in België Smeermaas noemen. Het is een raar beeld, in het water liggen woonboten, daarna is er iets van een stuwdam en het aflopende land aan de andere kant is compleet drassig. Er loopt een louche straatje naast. Ik weet zeker dat als het apparaat geen camerafunctie had, ik intuïtief een formulering zou vinden voor wat ik zag. En die intuïtieve formulering heeft te maken met de aanvangsmelodie van het gedicht. Ik begin altijd met de tweede regel, dan moet ik de eerste vinden, dat lijkt wel een uiterst vervelende tic. Komt het gedicht niet verder, dan is het zaak het betreffende opschriftboekje terug te vinden en te kijken hoe, met welke woorden en in welke volgorde, die eerste notitie ontstond. Zoals een pyromaan gaat kijken bij zijn eigen brandje of een misdadiger terug moet naar de plek des onheils. En dat gaat niet met een foto. Je kunt natuurlijk ook een foto gaan beschrijven, maar dat is weer een andere stiel.

‘Het gelegenheidsgedicht is het diefgedicht,’ schreef Tonnus Oosterhoff. Wat was nu ook alweer mijn  aanleiding naar dat water bij Maastricht te lopen? Had iemand daar soms een gedicht over besteld? De Revisor bracht ooit een themanummer uit over de kus. En in een aantal boeken verschenen naderhand passages over de eerste keer dat de auteur (of nee zijn personage natuurlijk) voor het eerst iemand kust. Beseft u wel wat wij de mensheid aandoen?

*

Erik Lindner schrijft in 2014 over wat tekst literatuur maakt, en wat goede literatuur, als schrijvende lezer en lezende schrijver.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog