, 24 Februari 2014

Archief: Het jagertje

Piet Meeuse, redacteur van 1982/1 tot 1992/1, worstelde met l' embarras du choix. 'In mijn periode debuteerden Roosenboom en P.F. Thomése in De Revisor, en publiceerde Van der Heijden er zijn beste proza, etc. [...] Dus hak ik de knoop door: wat het Nederlands proza betreft kies ik Thomas Roosenboom, Het jagertje, in 1987/5.' Rosenboom debuteerde in 1982 in De Revisor met 'Bedenkingen'. Er is meer van Rosenboom te lezen op de DBNL, maar dit is een uitstekend begin, en een goede voortzetting van onze zoektocht naar het beste uit veertig jaar De Revisor.

Week en weerloos lag het land neer onder de wolken, een platte buik zonder bot of graat, een bodem op een druiprek van sloten: Westergo. Als een tor kroop het Workummer trekschip langs de aarden wal die was opgeworpen bij het graven van de vaart, aarzelend en in gebroken lijn, telkens ook de steven naar de oever kerend, alsof het daar iets zocht, een opening in de plint - het was het jaar na de geboorte van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus 1748; na de schepping der wereld 5697; na de zondvloed 4042; na het sluiten van de Spaanse vrede 100; na de geboorte van Prins W.K.H. Friso 37, en na de verheffing van Hoogst Dezelve in Holland 1. Al deze getallen, benevens nog zeer veel andere, stonden vannacht te verspringen, want het was oudjaar.
Bestorven in de schemering van de roef zat een sierlijke gestalte, Willem Augustijn van Donck, de ellebogen wijd uiteen op het tafelblad. Enig reiziger vanaf Parrega had hij de blaker voor zichzelf, en met wezenloze aandacht bleef hij zijn handen maar om de vlam draaien. De hitte, opgenomen en verdeeld door het leer van zijn handschoenen, bereikte zijn huid als warmte. Nauw merkbaar, als de schommelingen van het schip, wiegde hij wat heen en weer, maar soms neigde hij ook diep voorover: dan was het of hij in de bol tussen zijn vingers een toekomst zag. Wanneer het kraakte in het hout, of buiten de schipper iets riep tegen het jagertje, waren dat geluiden te bekend dan dat ze zijn gehoor nog konden passeren. De lange tafel in het midden was vastgezet op de vloer, en ook de geknikte bank daaromheen, als een lambrizering naar voren springend uit de houten wanden, vormde een onscheidelijk deel van het vaartuig zelf - het gehele schip was in feite één stuk timmerwerk, een onwrikbare orde waartoe ook Willem Augustijn scheen te behoren, maar dan ook weer, in zijn weifelend wankelen, was het juist alsof hij zich uit allemacht trachtte op te lossen in het vuile licht dat inviel door de raampjes boven hem.
Inmiddels was Workum niet heel ver meer. Reeds tekenden de huizen van de ongemuurde stad zich afzonderlijk af, en zoetige turfrook dreef in vleugen aan op de straffe zuidenwind. Het wit gestelte van de laatste ophaalbrug verhief zich tegen de lage, loodzware lucht die, vol van buien, als een uitgelubberde baldakijn boven de vlakte hing. Op de hoornstoot van de schipper kwam een man aanlopen, die met een haak aan het gewicht in de hoogte trok. De brug klapte open, men wisselde een groet, en gemoedereerd werd de beurt op Workum vervolgd. Het was wel een lieflijk gezicht, zoals de schuit daar door de velden gleed en het paard haar trok, maar nader toezien leerde ook de grote en vaak tegenstellige krachten die in die voortgang begrepen waren.
Het touw stond telkens maar even strak. Door de plotselinge ruk klotste het schip dan voorwaarts, terwijl het paard juist een ogenblik haperde. De boog, die zo in het touw viel, vervlakte spoedig weer tot een rechte lijn: paard en schip beide kregen opnieuw een ruk, enzovoort. Steeds werd de boeg naar de wallekant getrokken, waardoor elke stoot, om vlot te blijven, beantwoord moest worden met krachtig tegenroer. Het afdraaiende schip ervoer de volgende ruk dan nog heviger, door de dwarse hoek. In hakkelend slingerspoor ging het zo verder, en alleen de schipper wist hoe groot het nadeel was voor touw en tuig. De schuld lag bij zijn zoontje, het kind op het paard, dat met kundig mennen te zorgen had voor gelijkmatigheid. Telkens wanneer het touw verslapte of dreigend weer strak ging staan, gaf hij hem op gebiedende toon een aanwijzing: ‘rustig’, ‘toe maar’, of ‘kort!’, - afgemeten woorden, de termen van een geduldige dressuur; de jongen, pas twee dagen in zijn dienst, moest nog leren een goed jagertje te zijn. Onafgebroken hield de schipper hem in het oog, en hoewel hij luid genoeg riep om hem tegen de wind in te bereiken, keek het kind niet eenmaal naar hem om. Besloten in een eindeloze deining zat het maar op het zware, tegelijk schonkige paard, dat onverschillig voortschommelde langs de kale bomen op de aarden wal. Vanaf het schip was het land daarachter niet te zien, zodat de man aan het roer menen kon dat het jagertje zijn zoon, gehuld in een zwarte, klapperende mantel en met een breedgerande regenhoed op, een verdoemde was om voor eeuwig over de rand van de wereld te rijden.
Opnieuw kreeg het schip een felle ruk van het touw, dat oud was en weinig rek meer had. Het paard gleed weg met de achterhand en trapte zware aardkluiten uit de grond. Terwijl de schipper zich tegen de helmstok wierp verslapte het touw zó, dat het een ogenblik door het water sleepte. Het geschrokken paard struikelde ongeremd voorwaarts, en reeds kwam het touw druipend weer omhoog, versneld nog door de wegdraaiende boeg. De schipper zag het gevaar, hij opende enige malen zijn mond en schreeuwde toen, met hese stem: ‘Teugels... kort!’
Op dat moment sprongen duizend druppels als pijntranen uit het trillend strakke touw, ze fonkten alle kanten op en de bolder waaraan getrokken werd knarste in het voordek. De boeg zwenkte dwars door het water naar de oever toe, en de schipper moest zich met zoveel kracht tegen de helmstok zetten dat het bruiste aan het roer. Het schip schoot door in zijn zwenking en lag vrijwel dwars in de vaart, niet in staat mee te geven aan een nieuwe ruk die daardoor zeker schade zou brengen, - maar nu dan, eindelijk, bracht het jagertje de knol tot staan. Even gebeurde er niets, toen werd, heel voorzichtig, de voortgang van stoten en tegenroer weer hersteld.
Snuivend door zijn neus hing de schipper over de helmstok, afgemat, zijn helle blik vastgeslagen op het kind dat ook ditmaal niet naar hem had omgekeken. Hij spuwde over zijn schouder en schoof zijn pet naar achteren. ‘Luisteren...!’ siste hij, zich het zweet van het voorhoofd vegend, ‘Luisteren...!’ - Het was of alle geduld, vanaf gisteren opgebracht, hem alsnog en ineens ontnomen was.
Met een zwiep van het hoofd schrok Willem Augustijn wakker uit zijn sluimer, en dadelijk stond hij rechtop in het paviljoentje. Er kraakte iets, en hij moest zich vastgrijpen om niet te vallen; de roef leek zich plotseling wel te willen loswringen uit de spanten van het schip. Alles draaide in bewegend licht, onder de vlonders klotste het lekwater, en opeens herinnerde hij zich ook een hese schreeuw...
Op de manier van een kerkganger die brand ruikt begon hij in zeven haasten tussen de bank en de lange tafel door naar de uitgang te pikkelen. Zijn degen klepperde tegen het beschot, zijn jas bleef haken aan de kleine koffer van lakleer die naast hem stond. Door het achterraampje zag hij de gebroken schipper over de helmstok hangen, en eerst nu brak de angst voluit in hem baan. Hij sprong op de onderste trede, hief zijn armen om de klapdeurtjes open te duwen, en terwijl het daglicht hem in de ogen stak opende hij zijn mond om te spreken, - echter, nog voor hij zijn stem gevonden had richtte de schipper zich reeds met een schamper lachje tot hem, alsof zij heel de tijd al in gesprek waren geweest en hij nu eindelijk tot een slotsom ging komen. Achteloos knikte de man over het dak van het paviljoen naar voren, en op berustende toon zei hij, zonder zijn blik van het kind af te laten: ‘Hij luistert niet... Hij wil gewoon niet luisteren.’
Plotseling zeer moe besefte Willem Augustijn hoe hij hier stond, met zijn handen op de borsthoge dorpel, als een luierkind op te zien naar de schipper die over hem heen wegkeek en peinzend aan zijn roestige baard trok. Zonder gerucht nu sloot hij de deurtjes weer voor zijn gezicht, waarop hij langzaam terughompelde naar de kaars en de koffer. Ten uiterste beschaamd zette hij zich neer op de nog warme plaats, en van de weeromstuit verloor hij zich spoedig in welbehagen om zijn gestrekte hand, die zeer lang en smal was. Zijn handschoenen sloten zó nauw, en waren van zulk fijn leder gemaakt, dat hij zijn zegelring er overheen kon dragen. Tot gapens toe weer op zijn gemak keek hij het vertrouwde, houten kamertje rond. Alles glansde, schemergrauw. De wind suizelde om het schip, buiten bleef de schipper het kind gebieden, en korte golfjes spatten tegen de boeg: al deze geluiden behoorden tot het binnenste van het schip als de blaker of het dominospel op de tafel, - en in die verdovende saaiheid kon alle schrik en schaamte van de wereld wegzinken en bleef iedere indruk gevangen als een bloem op het behang.
Toen was er een licht, haast onmerkbaar wiegen van de schuit, een trage, glijdende beweging zoals steeds wanneer het touw zich spande; het verstoorde een ogenblik zijn evenwicht, en op datzelfde moment wist hij met volstrekte zekerheid dat de sensatie van vallen die hij nu ervoer, maar dan oneindig veel heviger, - dat hij diezelfde sensatie vanaf Parrega tot aan de hese schreeuw van zojuist zonder onderbreking had beleefd. Het was een gelukzalig vallen geweest, een telkens herhaalde, mateloze val, bij elke schommeling weer vernieuwd, en pas nu werd hij zich dit voorbije genot bewust: terwijl zijn geest sluimerde had zijn lichaam het ervaren en onthouden, om het hem alsnog, als herinnering, ter kennis te stellen....
‘Reeds wakker, ontwaakte ik opnieuw,’ fluisterde hij verwonderd. Uit de diepte van zijn fysiek was een bericht opgestoten; het vlees, aangeraakt door een eigen gewaarwording, had een woord voortgebracht: hij dacht aan bezielde stof, en de tegenstelling die daarin bestaan kon. Vlak voor hem opende zich het duizelingwekkende verschiet van een in het lichaam verdubbelde geest die, reeds wakker, opnieuw ontwaakte, en koortsachtig trachtte hij de ijle notie van tweevoud die plotseling zijn hoofd verlichtte maar hem ook elk ogenblik weer verlaten kon, te bevestigen aan meer werkelijkheid.
Eens had hij onzichtbare inkt gemaakt, door vitriool te smelten in water; alleen het afkooksel van galappeltjes, met een sponsje of penseel over het blanke papier gestreken, kon het schrift later nog te voorschijn brengen. ‘Je wast wat al wit is,’ begon hij weer te fluisteren, ‘en zwart ontstaat...’ De wijsheid drong nu zó machtig op hem aan dat hij van voldoening niet langer meer kon blijven stilzitten.
De roef telde acht raampjes, kleine panelen glas in lood die samen in alle richtingen uitgaven. Hij knielde op de korte kant van de bank en keek recht naar voren. Als twee wachters stonden, een kwartier verderop, een wiekende molen en een boerderij aan weerszijden van de vaart tegenover elkaar: daar begon Workum. Het water verschoot gedurig onder de wolken, en aan de donkere vleugen die er overheen streken zag hij dat er nog een harde, maar toch al afnemende zuidenwind doorstond. Ter rechter zijde schoof de aarden wal traag voorbij, de andere oever gaf een eindeloze opeenvolging van kleine kavels weiland bij het vorderen van de schuit. Als matrassen bolden ze op tussen de smalle, verzonken dwarssloten, die telkens maar even waren te zien. Hier en daar lag ook, afgezet door een heg of een zoom van laag warrelhout, een kampje wintergraan te rillen in de wind. Het was hem allemaal zo bekend als het binnenste van het schip, en omringd door al die eeuwigheid bemerkte hij niets meer van de nerveuze duizelingen waarmee hij te Bolsward aan boord was gegaan: in de luwte van de volstrekt eentonige vaart waren zijn dwarrelende gedachten neergeslagen in een troebel bewustzijn, waar ze elkaar bedekten en smoorden om tenslotte één te worden als verkleefd blad in een greppel. Toen hij zich weer liet neerzakken was het donkerder in de roef. Het schijnsel van de blaker, gemengd met het vale bovenlicht, kleurde alles paars wat wit was: zijn handschoenen, zijn kanten bef en de lubben die uit zijn mouwen schuimden.
‘Rustig’, ‘toe maar’, ‘kort!’ - heel de tijd drongen deze luide toonloze aanwijzingen al door tot in de roef, maar eerst nu, niet meer onder de invloed van zijn draaiende handen om de vlam, gaf hij zich rekenschap waarom de schipper geen ogenblik zijn mond hield: hij had een ander jagertje onder zich, zijn eigen zoon nu, die het nog leren moest! Hoe vreemd dat hij daar nu pas aan dacht, terwijl hij heel goed wist dat het kind gisteren of eergisteren nieuw in de dienst was gekomen. Plotseling nieuwsgierig stond hij andermaal op om over het stompe voordek naar buiten te kijken.
Het touw hing in een lichte boog naar de vuilgele knol rechts op de aarden wal. ‘Rustig’, klonk het weer van achteren, maar het jagertje keek niet om. Boven de enorme, klotsende billen tekende het ineengedoken jagertje zich af als een man zonder hoofd: hij droeg een geoliede regenhoed met een rand zó breed, dat die afhing tot over zijn schouders. De wind rukte aan de veel te wijde jas, waar een laars onder uitbungelde als een dood konijn: de man had ook geen benen. Overigens bleef het kind zelf geheel verborgen onder die zonderlinge, zwarte uitdossing, waarin Willem Augustijn opeens geamuseerd het werkpak meende te herkennen van de oude knecht, die volgens zeggen in Wouden koopman ging worden. Toen het touw zich spande en tegelijk weer de dwingende stem van achteren klonk, bepeinsde Willem Augustijn dat het kind door de woorden op dezelfde wijze met zijn vader verbonden was als het paard, door het touw, met het schip: soms was er even niets, maar dan deed de band zich weer gevoelen, en te pijnlijker naarmate de onderbreking langer had geduurd. Ook deze gedachte, hoewel niet zo wetenschappelijk als die van zonet (over de ontwakende geest van de tweevoud), beviel hem weer uitermate: het was meer een gelijkenis!
Ze bereikten Workum met een uur vertraging. De vaart kromde zich tussen de wiekende molen en de boerderij van Riensma door de stad in. De onbestorven weduwe stond al naast de mestvaalt met de azende kraaien te wachten op haar achtererf: haar man was jaren geleden met het schip naar de paardenmarkt gegaan en verstandige buurvrouwen zeiden dat hij nog leefde. Het was stil in de luwte, toen klonk het heldere geklep op van het trekpaard: even voorbij de molen kreeg het jaagpad plaveisel en werd het de kade. Ze passeerden de looierij, vanwege de stank gevestigd aan de uiterste noordoostgrens van de stad, en daar dadelijk achter, tegenover de pakhuizen van het Witheeren Veem op dezelfde kade, was de aanlegplaats. Op die hoogte begon ook eerst, aan weerszijden van de vaart, de eigenlijke bebouwing van burgerhuizen. Met toenemende aandacht sloeg Willem Augustijn het jagertje gade, dat nu niet meer ineengedoken, maar juist fier te paard zat. De vrouw van de looier, juist thuiskomend met een mand aan de arm, knikte vol hartelijke bewondering naar hem omhoog, maar toen het kind niet de minste beweging maakte bestierf haar lach op het gezicht. Intussen bleef de schipper maar gebieden en luider nog, door het geklepper van de hoeven. Willem Augustijn voelde een plotselinge deernis voor het kind dat als een gedrapeerde pop in de hoogte zat, een ding, doof voor de dwingende stem van achteren. Hij kende de zoon van de schipper niet, had hem nog nooit aangekeken.
Weer had de schipper iets geroepen, ze waren bijna aan de steiger. Het paard liep nu gelijk op met het schip, zonder nog te trekken. Geknield op de bank zag Willem Augustijn het slappe touw op ooghoogte over de kade slepen. Elk van de vier gebrokkelde hoeven had een ander geluid, vlak voor zijn gezicht klepten ze op de keien. Eindelijk bleef het paard dan iets ten achter bij het schip, hij zou het vreemde kind nu in het gezicht kunnen kijken. Met zijn wang tegen het glas gedrukt blikte hij langzaam omhoog. Hij zag het touw, de geaderde paardebuik, de laars en de mantel, en toen was er alleen nog maar dat boterbleke kindergezicht...
Een meerpaal schoof tergend langzaam voor het raampje. Er voer een lichte schok door het schip, het hoefgeklep verstomde en in de plotselinge stilte kletterde een tros neer op de achterplecht. Willem Augustijn was al naar het naastliggende venster gekropen en dadelijk stuwde hij zijn geertige blik weer op. De steigerschutting, hoger dan de kade, benam hem goeddeels het uitzicht, maar door de kier tussen het raampje en het beschot, zo breed als het gangboord, kon hij nog steil omhoog kijken. Hij vreesde dat het kind al was afgestegen, maar volkomen versteend zat het nog naar een punt in de verte te staren, zelfs de teugels lagen nog in zijn rode wanten. Ademloos begon Willem Augustijn het onaandoenlijke gezicht weer af te tasten, de kin, de neusgaten en de stille ogen, alles gevat in de brede, zwarte lijst van de hoedrand: het was een medaillon...
Plotseling voelde hij zich waargenomen. Hij spiedde schichtig om zich heen, maar de deurtjes waren nog dicht en ook achter het kleine venster daarnaast zag hij niet het gezicht van de schipper. Dadelijk drukte hij zijn wang weer tegen het glas, begerig om het witte gezicht opnieuw in het oog te vatten. Reeds de omtrek van de oliehoed tegen de hemel joeg een huiver door hem heen, en toen pas bemerkte hij dat er iets veranderd was. Het kind, zonder zijn hoofd ook maar iets te hebben gedraaid, keek hem vanuit de hoogte onbewogen aan, zijn blik stak als een zwaard in de spleet tussen de roef en de steigerschutting en trof hem recht in de ogen...
Beduusd week hij wat achteruit, buiten het gezichtsveld van het jagertje: het was alsof iemand hem met een knuppel in een steeg had opgewacht. Hij voelde een blos aan zijn kaken gloeien, maar tegelijk werd hij ook zijn spiegelbeeld in het glas gewaar. Prompt nam hij zijn steek af om zijn pruik te schikken, werktuiglijk als een getrapte kat, en reeds het hemelsblauwe fluweel in zijn handen bracht hem in een ander gemoed. Hoewel men hem inzake de nieuwste kleding een groot gezag toekende, besefte hij terdege juist op dat punt rond te dwalen in diepe duisternis. De dracht van ook de deftigste lieden om hem heen, opgevat als aanwijzing voor de laatste mode, viel niet genoeg te wantrouwen, en uit vrees voor ijdelheid kon hij daaromtrent ook beslist geen navraag laten doen bij meer bevoegde personen elders in de Republiek. Onbekend dus met de waarheid liet hij zich leiden door geruchten, maar vooral ook door een eigen hang naar zwier en gratie. De kostbaarheid van de gekozen stoffen, knopen en gespen waarborgde bij heel die vrijmoedige, soms ronduit vermetele stijl van kleden toch een voornaam voorkomen, en wanneer men hem evengoed eens een frivole verschijning wilde noemen docht hem dat slechts overeen te stemmen met zijn ongetrouwde staat en de aantrekkelijke jeugd van zijn eenendertig jaren.
En terwijl hij nu met beide handen de krullen boven zijn oren opduwde, stelde hij opnieuw vast dat dit bloemkoolmodel hem veel beter flatteerde dan een pruik met de haren van achteren samengebonden in een strik, en hoewel het geen twijfel leed dat dit laatste model veel meer aan de mode was zwoer hij om nooit meer zo'n pruik te dragen: zijn gezicht was, net als zijn handen, buitengewoon lang en smal, en om er niet uit te zien als iemand die voortdurend op een gaapje kauwt móest hij eenvoudig wel krullen boven zijn oren hebben! ‘Op dit stuk zal de Friese geest, verdubbeld of niet, altijd sterker zijn dan de dwang uit Frankrijk...,’ dacht hij grimmig.
Hij nam een munt uit zijn geldbeugel en wrong zich met de steek in zijn hand door de nauwe opening naar buiten. De weduwe stond nog steeds, met alleen een ondermuts op, vanaf haar erf naar het schip te spieden. Hij zwaaide naar haar en stapte met moeite de steiger op. Toen achter hem de schipper in de roef afdaalde voor zijn koffer was dit voor de weduwe het teken dat er niet meer reizigers waren. Ze draaide zich met een zo woedende ruk om dat de kraaien opfladderden van de mestvaalt.
De lucht was vol vogelgeschreeuw. Aan weerszijden van de vaart rees een gevelrij op met blinkende vensters en bordessen, slechts onderbroken door een enkele zijgracht. Bolle, gemetselde bruggen hielden de kades als krammen bijeen. Er liep bijna niemand op straat; het was bij vijven, aanvang oudejaarsavond. Het paard stond nu niet meer op de steigervlonder maar iets verder van het water af, met de achterhand naar het schip en het hoofd naar het verlaten pakhuis. Het jagertje zat er zo recht op dat het leek alsof hij door de muur kon kijken.
Met zwikkende enkels vertrad Willem Augustijn zich wat op de veldkeitjes van de kade. Vlak achter de knol bleef hij onderzoekend stilstaan. Vanuit de roef had hij al gezien dat het paard zeer ‘droog’ was: een knoopwerk van spieren, pezen en volle aders schimmerde overal door de huid. Ook was hem opgevallen dat het dier met de voorknieën naar voren gebogen stond, als een bok. Die Roomse stand wees op versletenheid, en aan de diepe groeven langs de aars en de magere hooggespleten dijen las hij nu inderdaad een zeer hoge leeftijd af. Omdat het paard aan de stad toebehoorde, net als het schip en misschien ook wel de kleren van het jagertje, nam hij zich voor eens met zijn vader over vervanging te spreken.
Onontkoombaar gleed zijn blik verder omhoog. Het kind hield zich nog steeds achter in roerloosheid, en scheen niet naar hem te durven omkijken. Hij overwoog met een beminnelijk woord alles ongedaan te maken, hij zou een ander paard kunnen beloven. Reeds had hij zich een glimlach op het gezicht gehaald en wilde hij naar voren treden toen het jagertje zich opeens langzaam naar voren liet kantelen. Het trok met kennelijke moeite een been over de brede rug, bleef even verticaal kleven en gleed toen heel voorzichtig omlaag.
Het was maar een klein sprongetje, maar op de grond neerkomend zakte het kind dadelijk door de knieën en scheen het niet meer te kunnen opstaan. Toegedekt door het zwart van de mantel en de regenhoed lag het voor dood op de kade. Willem Augustijn deed een stap voorwaarts en keek onthutst naar het enorme insect aan zijn voeten. Wilde het kind hem uitdagen? Hij verheugde zich, maar tegelijk leek het hem alles ook een gevaarlijke aanstellerij, want het paard moest nu beter niet met zijn voorhoef over de straat gaan schrapen. Hij wierp een snelle blik achter zich, maar de schipper was nog steeds doende in de roef. Verlegen weifelde zijn hand boven de degen aan zijn heup: een kleine vriendelijkheid kon hij toch wel doen, even in de plooien prikken, of een tikje geven tegen dat glanzende, zwarte keverkopje? Terwijl een nieuwe glimlach al over zijn gezicht vloog zakte hij iets door de knieën, een elleboog kwam naar voren en reeds spanden zijn vingers om het gevest...
Op dat moment bewoog de hoed, snel als een vogelkop, en voor hij kon schrikken keek het kind hem strak en ernstig aan. Het was of het geschreeuw in de lucht even ophield, en verlamd door de onbewogen blik van het jagertje kon Willem Augustijn zich niet dadelijk losmaken uit de houding waarin hij was verrast. Bevangen deinsde hij achteruit, de hand nog steeds aan het hecht van zijn degen. Hij wilde spreken, maar het kind verspreidde een stilte die geen enkele stem zou kunnen doordringen.
Pas met de voetstap van de schipper hield hij op ontkennend het hoofd te schudden. De koffer werd ruw naast hem neergezet. ‘Hij begon zelf,’ zei hij zacht, maar de man was al zonder complimenten doorgelopen naar het paard dat hij met één enkele klap wegdreef van zijn zoon. Heel aandachtig hurkte hij toen neer. Het kind was niet meer zichtbaar, alleen nog de lange, bruine overjas van de schipper, die als een sleep op de keien lag. Roerloos en zonder te spreken bleef de man zo zitten, één arm krom de knie en de andere naar de grond gestrekt, als een boer op rottend zaad.
Geruisloos stapte Willem Augustijn opzij, en het volgende ogenblik zag hij slechts nog het witte gezichtje dat nu smartelijk glimlachend naar de schipper was opgeheven. Het ontstemde hem zeer dat de man er met een vinger overheen streek: waarom was de schippersbaas niet kwaad op zijn zoon, die hem eerst als jagertje zo kwalijk had gediend en nu maar met zijn goeie goed op de straat was gaan liggen? Intussen kon hij zijn ogen niet aflaten van dat fijne kindergezichtje dat glom van raffinement, en als vanzelf dacht hij aan de geveinsde godzaligheid waarmee de bekende Henrika en Froukje Borneel nu al tien jaar lang de wereld bedrogen. Ongeduldig wordend presteerde hij een hatelijk kuchje, maar het geluid ketste af op de stilte van het kind.
Er gebeurde niets, en allengs kreeg hij het benauwd van ergernis. Buiten staat om zelfs maar het tarief te voldoen en weg te lopen werd hij als het ware gedwongen getuige te zijn van een intimiteit die hem in het geheel niet aanging; feitelijk stond hij hier te wachten als een knecht! Ongemakkelijk keek hij in het rond, en toen zijn ergernis tenslotte aanspande tot een felle haat besloot hij om ook eens dringend over vervanging van de schipper te gaan spreken. Als hij zijn zin maar kreeg! Alleen al de gedachte dat men eerst nog zou proberen om de man met de bullepees aan zijn dienstbaarheid te herinneren deed hem beven van woede. Langzaam gleed zijn blik over gekromde rug omlaag, toen trapte hij heel zacht op de panden van de smoezelige, bruine overjas. Alsof hij zijn voet in een warm bad had gestoken, zo weldadig was de kalmte die nu in hem begon op te stijgen. Terwijl hij opnieuw in het rond spiedde verplaatste hij heel zijn gewicht naar het been waarmee hij de nog argeloze man voorgoed aan de grond meende te nagelen. De molen stond nu stil, maar nergens zag hij mensen, ook niet bij de mestvaalt van de weduwe of op de kades aan de andere kant.
De schipper had iets gezegd, en terwijl dit nog vertraagd tot hem doordrong klonk al, hard en helder als een kiezel, een kinderstem vanachter de overjas: ‘Nee vader, ik kan het zelf!’
Getroffen draaide Willem Augustijn het hoofd terug: hij had in de hoge, toch wilskrachtige stem een zedelijke moed gehoord die groter was dan een kind van misschien acht of elf jaren bergen kon. Pas nu begon hij zich danig af te vragen wat er feitelijk aan zijn voeten gaande was, en zonder nog te denken aan de jaspand onder zijn schoen stapte hij andermaal opzij om langs de schipper te kunnen kijken.
Het ingekeerde tweetal scheen nu eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. De schipper rechtte zich wat, en verend op zijn hurken hield hij zijn beide armen voor zich uitgestrekt als een rekje. Het kind trok zich daar moeizaam aan omhoog, en met gebogen hoofd bleef het toen eindeloos heen en weer staan wiegelen, van het ene been op het andere en weer terug. Zonder nog de minste wrok verloor Willem Augustijn zich in dat ondoorgrondelijke tafereel, en hij stond daar, hoe nabij ook, volkomen genegeerd, als een geest tussen de levenden.
Doordat het kind onafgebroken naar zijn voeten keek lagen zijn rode, mollige wantjes met zo'n vanzelfsprekendheid op de stevige vaderhanden, dat tederheid en houvast in die aanraking als het ware versmolten tot een zinnebeeld van de nieuwe opvoedkunde. Willem Augustijn zag alleen nog maar de rode wantjes, en een verlangen dat goed was benam hem opeens alle adem. Hij zou een kind willen optillen, enkel om het armpje te voelen dat in achteloos vertrouwen om zijn hals zou worden geslagen terwijl het wicht al wegkeek en naar iets wees... Hij schoot vol, zijn ogen werden troebel en even vreesde hij zijn nabijheid te verraden met een snik die alles verstoren zou...
Nu stond ook de schipper op. Schielijk sprong Willem Augustijn achter hem weg, en terwijl hij nog iets terugweek voor de oprijzende rug ervoer hij opeens een lichtheid die hij alleen kende van de menuet. Als een dief die om een hoekje spiedt boog hij zich opzij. Eén moment lichtte het gezicht in de zetting van de regenhoed nog op, toen wierp het jagertje zich naar voren. De gekromde schipperman sloeg zijn armen om het kind, waarvan nu niets meer te zien was dan een rood wantje dat zich krachtig vastgreep aan een plooi van de grove overjas. Het vertederde hem, maar plotseling zag hij ook, vol medelijden, de wanhoop van dat vertwijfeld knijpende bolletje. Zijn ogen sprongen vol, en vanuit het diepst van zijn ingewand begon een weldadige goedheid in hem op te wellen, echter ook een goedheid die wel van elders afkomstig scheen en zich slechts tijdelijk in zijn commissie bevond, ongeveer zoals dat aandeel dat hij eens, na een grote veiling, achteraf nog in de boedel had gevonden, een niet op naam gesteld aandeel in een onbekende onderneming, gedateerd anno 1720..., - en terwijl nu deze algemene goedheid, die van niemand meer was, hem allengs naar het hoofd steeg en hij geluidloos begon te huilen, bepeinsde hij om voor altijd bij de schipper en het jagertje te blijven, waarheen ze ook gingen: als onzichtbare derde zou hij ze volgen overal naartoe... ‘Als die grote hier,’ begon hij te redeneren, ‘als dat nou de vader is, en die kleine vleermuis is de zoon...’ - zich vermeiend in de absolute juistheid van deze stellingen liet hij enige malen zijn blik als een vlo van de een op de ander overspringen - ‘nou, dan... dan...’
Verschrikt door het kuchen van de schipper sprong hij naar achteren. Het wantje rukte nu met zo'n kracht aan de jas dat hij niet meer wist of het nu troost zocht of juist troostte: wat was er eigenlijk ook aan de hand? Kijkend naar de miserabele jas verwonderde hij zich ook dat hij zonet nog straf voor de schipper beraamd had en hem, alleen maar omdat hij hem vergeten was, uit zijn werk had willen doen verdrijven: het was of in die morsige, gekreukte kazak heel de zorg besloten was die de man voor zijn gezin droeg.
Opnieuw schraapte de schipper zijn keel, toen riep hij, met gebroken stem en zonder het hoofd naar hem om te draaien: ‘Hij kan niet staan!’
Het was een uitbraak van woorden die hem nog verder deed terugdeinzen, maar het volgende moment al ervoer hij de opluchting van een betere waarheid: de schipper had het tegen hem, hij was hem helemaal niet vergeten! Sprakeloos nog staarde hij naar de hoge rug, en verbijsterd door zijn eigen onbegrip ontsnapte hem een korte lach: ‘Ha!’
‘Hij kan gewoon niet meer staan,’ vervolgde de man op dezelfde harde, onvaste toon, ‘het is de kou, dat stilzitten...!’
Hij moest zijn kaken op elkaar klemmen om niet nog eens te lachen om de vermeende belediging die de schipper hem, door hem te vergeten, zou hebben aangedaan. Maar de schipper had heel de tijd geweten dat hij hier stond, hij had zelfs zijn gedachten geraden! Ja, hij had immers zojuist nog een straf voor de schipper verzonnen die heel zijn gezin treffen zou, en mocht hij nu in de verklaring van de schipper niet ook een zekere angst vermoeden, een vraag om excuus? Zoals iedereen bij elk nieuw geschapen of zelfs nog te bewerkstelligen staatkundige feit ertoe overging om de gedachten van de Prins dienaangaande te raden, zo had nu de schipper zijn gedachten geraden! Zijn hart sprong op en een glimlach vloog over zijn gezicht, hij voelde zich verheerlijkt door de vrees die hij in de stem had gehoord en de genegenheid die hij al voor de man had opgevat werd er nog vele malen door verinnigd. Zuchtend van vriendschap ging hij vlak achter hem staan, hij legde zijn hand op de kromme rug en fluisterde: ‘Schipper, het geeft niet...’
De man scheen hem echter niet te horen. ‘Vanaf acht uur zat hij al op het paard,’ voer hij na een korte stilte voort. ‘Dit is zijn tweede dag. Gisteren kwamen we nog later aan, en toen heb ik hem naar huis moeten dragen. Maar nu ben je zelf opgestaan, jongen,’ - de schipper dempte zijn stem en leek opeens nog krommer - ‘dat zullen we zo eens aan je moeder gaan vertellen.’
‘Ja vader,’ klonk nu onmiddellijk weer de luide, zuivere kinderstem, ‘daarom zei ik ook: “ik kan het zelf”. Ik zag wel hoe moeder schrok toen u mij gisteren binnendroeg...!’
Zomin als de schipper hem was vergeten had het kind een duister spel met hem gedreven, en terwijl de misvattingen hem de een na de ander werden afgenomen was het Willem Augustijn te moede alsof hij steeds opnieuw ontwaakte. Hoofdschuddend bleef hij met tussenpozen op de grote overjas kloppen.
De schipper scheen zich iets hernomen te hebben en richtte zich nu weer tot hem. ‘Vanochtend heeft mijn vrouw hem helemaal ingewreven met was, tot aan zijn voeten toe, maar in Bolsward was het al mis, hij kon niet meer zelf van het paard komen. We drinken een kom hete soep, en intussen wordt het beven alleen maar erger. Toen moesten we weer terug...’ De schipper onderbrak zich om adem te halen. Met een zacht, gierend geluid zoog hij zoveel lucht op dat zijn neerhangende hoofd er even van achterover zwiepte.
‘Toe vader, houdt u toch op!’ riep het jagertje opeens. Met beide handen trok het aan de oude jas, maar de man was al te ver in zijn relaas gevorderd dan dat hij nu nog kon ophouden.
‘We moesten weer terug,’ hervatte de man, heel afgemeten nu. ‘Het was tijd, u zat al in de roef en er waren nog meer reizigers. Maar hij wilde niet meer! Ik trek hem mee naar de steigers en zet hem op het paard, maar aan de andere kant laat hij zich weer omlaag vallen. En toen heb ik hem geslagen...’
‘Stil toch, vader!’ smeekte het kind opnieuw, en wanhopig begon het met zijn rode wantjes als een tamboer tegen 's mans heupen te roffelen. Niets kon de schipper echter nog bevrijden uit de lange, hese snikken die hem nu geheel overweldigden.
De trommelende kinderarmpjes deden Willem Augustijn de tranen in de ogen springen, en ook de aanblik van de ellendige rug werd hem allengs onverdraaglijker. De schipper stond nu zo krom dat zijn hoofd helemaal achter de schouders was verdwenen en het wel leek alsof de overjas over een schoof graan hing. Hij durfde er niet meer op te kloppen.
‘Ik heb hem geslagen...!’ klonk weer het verstikte, binnensmondse gebrul. Vertwijfeld greep Willem Augustijn de beide schouders van de schipper beet, hij schudde ze heen en weer en riep gesmoord dat het goed was, waarop de man zijn zin afmaakte met: ‘Alleen maar, omdat hij niet meer op het paard wilde...’ Toch was het, door de aansluiting, alsof hij een antwoord had gekregen, en dadelijk ging hij koortsachtig verder met spreken, hoe aangedaan hij er zelf ook aan toe was. Hij moest de schipper eenvoudig dwingen tot rede te komen!
‘Maar natuurlijk,’ beaamde hij heel minzaam, ‘hoe zou het schip anders ook hebben kunnen varen? Zonder jagertje gaat het niet!’ Terwijl hij zacht en verstandig verder ging voelde hij aan de schokkende schouders hoezeer de man ten einde raad moest zijn geweest, niet minder dan het verkleumde kind toen het zich van het paard had laten vallen, en opeens werd hem ook klaar waarom de schipper gedurende heel de reis het jagertje ononderbroken was blijven gebieden: dat was niet zozeer voor het onderricht geweest, maar veel meer om hem vast te binden aan zijn dienst en hem geen gelegenheid te geven tot drossen! De gelijkenis tussen het touw en de woorden, zoals eerder opgemerkt in de roef, was nog waarachtiger dan hij zich tijdens dat dichterlijke ogenblik had durven toegeven!
Inmiddels wees hij de schipper met heel zijn redekunst op het vormende belang van de dienst voor zijn zoon. ‘Zoals u uw zoon vanaf het schip onderricht,’ hield hij hem voor, ‘dat is een voorbereiding: voortdurend voelt hij uw ogen in zijn rug, hij weet dat hij gezien wordt en beoordeeld. Op elke fout wijst u hem, en zo, onophoudelijk in zijn schuld gezet, leert hij als vanzelf ook de vreze voor die ander die ziet en oordeelt...’
Zijn vervoerende stem werkte uit dat het hoofd van de man nu langzaam weer te zien kwam boven de kromme rug. Diep hijgend stond de man voor hem, zonder nog te stamelen wat hij had gedaan of zelfs maar te snikken; hij leek alleen maar moe. Toen Willem Augustijn bemerkte dat de wind was gaan liggen en de vogels minder roerig waren, was het hem alsof ook die rust door zijn woorden was opgelegd. Met zachter stemgeluid voer hij weer voort, zeggende dat de zorg die het kind nu leerde te wijden aan het leiden van het paard later door hem gewijd zou worden aan het leiden van zijn leven. ‘Schipper,’ fluisterde hij, zich tot vlak bij de man buigend, ‘de leidsels van zijn ziel leert hij nu al te bedienen...’ Op de manier van een schilder die een streepje heeft gezet stapte hij wat achteruit.
Zijn voorstellingen van nader profijt deden het tweetal opengaan als een oester in kokend water. Met gebogen hoofden stonden ze hand in hand tegenover hem. De schipper had vlekken op het gezicht en keek hem vanonder zijn pet verbijsterd aan, alsof hij niet wist uit welke diepte hij kwam teruggekeerd. Willem Augustijn, portier van de werkelijkheid, knikte hem vriendelijk toe; hij zag wel dat de man het nog sterk op de zenuwen had. Toen hij het volgende moment zijn hand voor zijn gezicht strekte en glimlachend wat aan zijn zegelring draaide, voelde hij een bescheidenheid die zijn hart verkwikte.
Hij kon zich nu niet meer als eerste verwijderen: zijn heilzame optreden had hem eigenaar van de situatie gemaakt, en als een gastheer die geduldig wacht terwijl het bezoek de jas aantrekt bleef hij naast zijn koffer staan. De schipper kwam van achteren voorbij met het opgerolde trektouw op zijn schouder. Hij wierp het over de rug van het paard dat briesend zijn neus schurkte aan het traliewerk van het Witheeren Veem en stelde zich toen voor de laatste afwikkeling weer op naast het jagertje, dat verborgen onder de regenhoed en met de grote laarzen tegen elkaar gedrukt als een paddestoel tegenover hem was blijven staan.
Met een goede wens en een gemoedelijk, doorstuiterend lachje stak Willem Augustijn de munt uit zijn jaszak, waarin een onbekrompen nieuwjaarsgeld was begrepen, toe aan de schipper. Langzaam doofde zijn lach echter uit, Workum loste op in een ijle duisternis en zonder nog te weten wat hij deed knielde hij schroomvallig neer voor het jagertje.
Het was alsof hij zich onder water bevond. Alles scheen zeer ver weg en in een ander element, de stilte van het kind was ondoordringbaar, een glazen koepel, een kapel. Ontledigd zat hij met gebogen hoofd neer in die beslotenheid onder de regenhoed, toen brak er een hevige kracht in hem baan. Koortsachtig grabbelde hij onder zijn jas, en na een felle ruk nam hij de hand van het jagertje. Zonder op te zien, alsof de aanblik van het witte gezicht hem doden zou, opende hij het wantje, toen vouwde hij de kinderhand heel zacht weer toe om de kostbare, zilveren knoop die hij van zijn vest had getrokken...
Het was gaan regenen, de keitjes van de kade glommen in de schemering. De stilte werd verdeeld door het hoefgeklep dat tegen de gevels kaatste. Roerloos keek hij ze na, het schommelende paard links, de man in het midden en het kind aan de andere kant. Ze hadden een goed bericht bij zich voor de vrouw thuis, maar toch waren zijn ogen troebel van medelijden: hij wist dat het jagertje, zittend op de knol, nooit een ruiter zou worden, zomin als de man eigenlijk gezegd ook een schipper was; zijn enige zorg gold de kassa en de klok, en onwetens van zeil, stroming of bestek hield hij het roer vast als een boer de staart van de ploeg. Toen ze een hoek omsloegen was het of ze er nooit waren geweest.
De gracht lag verlaten voor hem. Hij merkte dat hij had gezweet, zijn huid was een koud vlies waar het tochtte onder zijn kleren. Eerst nu diende een gevoel van thuiskomst zich in hem aan. Hij nam zijn koffer op en begon langs het gespikkelde, zwarte water te lopen, steeds sneller door het trotse geluid van zijn hakken op de kade.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog