, 11 Maart 2014

Archief: De wereld als ziekenhuis

'Ik heb altijd een zwak gehad voor het werk van Pam Emmerik (ook een goed beeldend kunstenaar). Ik kan me herinneren dat de redactie ingenomen was met haar bijdrage voor De Revisor. Het was "De wereld als ziekenhuis" (nummer 1, 2009),' schreef Allard Schröder ons op onze vraag naar het beste uit de afgelopen veertig jaar De Revisor. Met genoegen hernemen we dat verhaal vol geweld en provocatie.

Emmeriks nieuwe roman verscheen vorige week bij Uitgeverij Prometheus: Wie het paradijs verdragen kan. Dit verhaal is in aangepaste vorm onderdeel geworden van het boek.

De boulevard oogt verlaten op dit uur. De zorgeloze sfeer van eerder op de dag, met terrassen vol koffiedrinkende en ijsetende mensen, is verdwenen. Er waait een harde, koude wind uit zee, die de lichtjes van de schepen wild doet dansen op het donkere, olieachtige zeewater. 
En de terrassen zijn ontruimd, de stoelen staan opgestapeld onder klapperende dekzeilen. 
In de weinige restaurants die nog open zijn zie ik ook maar een paar klanten zitten, aangestaard door obers die hun verveling trachten te verdrijven door hun dienstvaardigheid uit te vergroten. 
Als ik de Azurro Salsa binnenkom is het ook daar teleurstellend rustig. Een paar stelletjes zitten aan de tafeltjes die langs de glanzende houten dansvloer staan opgesteld. 
Ze nippen af en toe van hun cocktails terwijl ze onnozel naar elkaar glimlachen. 
De mannen dragen donkergekleurde pakken, de vrouwen een mooie jurk. Ik val uit de toon in mijn versleten spijkerbroek en suède jack. De muziek in de bar staat hard maar er wordt niet gedanst, voor Spaanse begrippen is het nog aan de vroege kant om te dansen. 
Ik ga aan een tafeltje zitten en drink snel achter elkaar een paar caiparinha’s. 
De drank verspreidt zich door mijn lichaam en opeens krijg ik verschroeiende trek in een sigaret, die ik tracht te weerstaan door nog meer caiparinha’s te drinken, maar waar ik uiteindelijk toch voor door de knieën ga. 
Ik trek een pakje sigaretten uit een automaat bij de toiletten. 
Als ik de eerste sigaret half opgerookt heb maak ik hem met een nijdig gebaar weer uit. Voor de tienduizendste keer in mijn leven ben ik gestopt met roken. 
Op het toilet kijk ik naar mijn bleke gezicht in de spiegel. Sta ik wankelend op mijn benen te genieten van mijn dronkenschap. Deze avond wil ik vergeten waarom ik naar Mallorca gekomen ben. 
Fuck mijn vader en fuck mijn werk en fuck mijn leven en fuck Marco met zijn eeuwige houjebek Lara. Fuck hem vooral ook. 
Ik bestel nog een caiparinha. Voor mij is drinken niets anders dan in een rol stappen. Je eigen dronkenschap is ook altijd de dronkenschap van anderen. Wie drinkt wordt omringd door een gezelschap van voorgangers uit films, boeken, liedjes, je eigen leven desnoods. 
Dronkenschap is een collectieve ervaring, geen privédaad. 
Ik grijns naar mijn dronken spiegelbeeld. 
Draai dan de wastafelkraan open en houd mijn handen onder de waterstraal, veeg ze aan mijn broek af. 
Mijn lievelingsrol als ik drink is die van de lonesome wolfe die zijn verleden wil wegvagen, en Al Pacino is en blijft voor mij de ultieme belichaming van die lonesome wolfe. Uit al zijn rollen is dat het bezinksel dat achterblijft: het beeld van een man alleen, de man die de wereld van een afstand observeert, zich niet voegt, zich niet laat meeslepen door gebeurtenissen maar ze voortdurend observeert, zelf een doordringend oog is, een menselijke camera. 
Het grote geheim achter Pacino’s acteren is, denk ik, dat hij zich nooit neergelegd heeft bij het feit dat hij door de camera bekeken wordt, dat hij zijn ondergeschiktheid aan het oog van de wereld niet aanvaard heeft. 
Integendeel, hij verzet zich er tegen met hand en tand. 
Al Pacino is niet bang om afgewezen te worden door de wereld, hij kijkt ijskoud terug naar het oog van de wereld. Die blik van hem ook. Hij is geen bibberend schoothondje zoals de meesten van ons. Hij is iets dat daar bovenuit stijgt. 
Een verre, aristocratische verwant. Een wolf, jawel. Een wolf met blikkerende tanden. Eenzaam, zoals iedereen is, maar zijn verzet heeft van hem een prachtig wild dier gemaakt. 
Een dier waar de camera voortdurend op zal blijven jagen, want de wereld reageert bloeddorstig op verzet. 
De wereld hunkert naar de ondergang van de eenzame wolf. Al Pacino is een vervolgde, en dat is volgens mij wat hem zo betoverend maakt. Een wezenlijk tragische held van het witte doek. Helemaal mijn held. 
Ik loop terug naar mijn tafeltje en neem nog een slok van de caiparinha die de ober heeft neergezet. 
Marco hield niet van Al Pacino. ‘Een achterlijke Siciliaanse boer’ noemde hij hem smalend en ik kreeg hem maar niet uitgelegd dat Al die rol alleen maar gespeeld had. 
Wat is dat toch met sommige mensen, dat ze nooit iets willen aannemen van je? Onze discussie ontaardde in een venijnig welles-nietes spelletje dat weer ontaarde in iets dat geen spelletje meer genoemd kan worden. 
De volgende dag telde ik weer mijn hechtingen na. 
Al Pacino nadoen heeft me trouwens op reis vaak uit vervelende situaties gered. Ik hoefde maar even aan Tony Montana te denken, de gewelddadige drugsdealer uit Scarface, en dat laadde me op tot een woedeuitbarsting die opdringerige mannen, waar ook ter wereld, geschrokken deed terugdeinzen. 
Ook in de Azurro Salsa zit weer zo’n gladjanus met gevet, strak achterovergekamd haar aan de bar naar me te knipogen. Hoopvol kijk ik achter me, maar daar zit niemand. 
Ik besluit weg te gaan voordat de kerel naar me toe kan komen. Te zien aan hoe hij op zijn barkruk heen en weer zit te wiebelen, zal dat moment niet lang meer op zich laten wachten. Versierders zijn net schansspringers, ze hebben altijd een afsprong nodig om hun bestemming te bereiken.

Buiten is de wereld zoekgeraakt, verdwenen in een mist zo ondoordringbaar dat je letterlijk geen hand voor ogen kunt zien. Het is een vastberaden damp, hard op weg naar vloeibaarheid. Zeemist. 
De gevels van de bars en restaurants, bont gedecoreerd met uithangborden en knipperende neonlichten die de boulevard gewoonlijk zo’n opgewekt, koortsachtig voorkomen verlenen, zitten achter een klamme, dicht geweven sluier van zeemist weggeborgen. Ik haal diep adem. De mist dringt door tot diep in mijn longen. Vult ze op met koude watten. Schattend kijk ik om me heen maar er valt niets te schatten, niets te zien. 
Het is een rare gewaarwording om te kunnen zien zonder dat er iets ís om te zien. 
Doorgaans zijn er ‘s nachts tenminste nog de sterren die je als kompas kunnen dienen, Cassiopea, poolster, Kleine Beer, maar deze mist maakte het onmogelijk je ook maar enigszins te oriënteren. Je richtingsgevoel wordt er door in een centrifuge gestopt, slingert alle kanten op. En elke kant is gelijk aan de andere. Er is niets waar het oog houvast aan heeft, alleen maar een zachte witte muur die zich, welke kant je ook besluit op te lopen, steeds weer hermetisch om je heen sluit. 
Zeemist komt trouwens wel vaker voor op Mallorca en altijd plotseling, wist ik van mijn vader. 
Wanneer warme luchtstromen uit Afrika afkoelen boven de koudere Middellandse Zee kan een mistwolk ontstaan die, als de wind uit zee waait, met harde windstoten naar het eiland wordt gedreven en de kust in een witte lijkwade hult terwijl het een paar kilometer verderop, in het binnenland, prachtig weer kan zijn. 
Het is guur en onbeschut op de boulevard en ik huiver in mijn dunne suède jack. De wind heeft aan zee vrij spel en bij vlagen waait het stormachtig hard, met fluitende, gierende uithalen als van een zware astma-aanval.

Opeens klinkt er een hard geluid, een knal van Chinees vuurwerk, of wat waarschijnlijker is, van een raam dat uit zijn sponning is gewaaid. 
Ik beschouw de knal als een startsein en begin aarzelend te lopen, maar na nog geen honderd meter stoot ik mijn knie hard aan de scherpe, uitstekende rand van een muurtje. 
Vloekend hompel ik verder, tot ik terugschrik van een indrukwekkende gestalte die vlak voor me uit de mist opdoemt. Een reus van een indiaan, zo lijkt het. 
Bij nadere inspectie blijkt het een hoge palmboom te zijn, met takken die wild heen en weer zwiepen in de stormwind. 
Ik blijf even naast de boom staan om op adem te komen. Probeer een sigaret op te steken maar de wind blaast mijn lucifers één voor één uit. Ik steek de onaangestoken sigaret in mijn mondhoek en doe net alsof ik rook. 
Terwijl ik een denkbeeldige rookwolk uitblaas stel ik me voor dat de mist die me omhult uit mijn eigen longen afkomstig is. 
De natgeperste walm vormt van achttien jaren Gauloises inhaleren. Die gedachte is nog niet eens zo vreemd als je weet dat zeelieden vroeger de mist die boven zee kan ontstaan zeevlam of zeerook noemden omdat ze geloofden dat de zee eigenlijk in brand stond als het hevig mistte. 
Deze mist strijkt koud en vettig als een ijsberenvacht langs mijn gezicht. Dringt in mijn ogen, mijn oren, mijn neusgaten, laat op mijn huid een ijzig laagje vocht achter dat me nog verder verkilt. 
Mijn haar hangt in natte slierten langs mijn gezicht. IJskoude waterdruppels lopen langs de boord van jasje over mijn rug. Ik krijg het kouder en kouder. Mijn spijkerbroek plakt aan mijn bovenbenen. 
Dan, na een paar laatste vermoeide zuchten, gaat de wind liggen. Het wordt stil, maar het is een doodse, onbehaaglijke stilte die alleen af en toe onderbroken wordt door het doffe, gedempte gebrom van een automotor in de verte, van de weg die langs de baai loopt. 
Ik besluit van het geluid vandaan te lopen, net zolang totdat ik op een gevel van een gebouw zal stuiten. Dat moet lukken. Het lukt. 
Als een blinde die zijn innerlijke radar volgt, ondertussen schietgebedjes zendend naar de beschermheilige der struikelaars, bereik ik na zo’n vijftig onzekere passen een gebouw. En tot mijn geluk blijkt het gebouw ook nog een bar te zijn, voor zeelui. Skandinaviske bar, meldt het uithangbord. 
Ik heb dorst en lust wel een glas bier. Of twee. 

Als ik het had geweten dan had ik niet gedaan, luidt de beginregel van een oud liedje waarvan de rest me ontschoten is. En ik had het kunnen weten, die nacht in die bar aan de boulevard van Palma. Om te beginnen had ik niet zoveel moeten drinken. Als ik veel drink breekt er een beest in me los, dat brult en aan haar tralies rukt, een wild dier dat koste wat kost haar vrijheid opeist. 
Ik weet dat het pathetisch klinkt, als een countryliedje, maar soms kun je echt het gevoel hebben dat je leven een inktzwarte song is. Een prachtig liedje om misschien wel voor te sterven. 
Natuurlijk weet ik wel dat er genoeg mensen bestaan die een vreedzame dronk hebben. Die sentimenteel worden van drank. 
Die hun arm om je schouders slaan en je natte klapzoenen op je wangen geven en daarna liedjes gaan zingen over hun dode moeder tot ze, als alle flessen tenslotte leeg zijn, bezwijken onder de opgestapelde last van hun emoties, en je dankbaar en trouwhartig als een oude hond aanstaren wanneer je ze een papieren zakdoekje geeft om het waterige snot dat uit hun neus drupt als uit een lekke kraan mee weg te poetsen. 
Zulke mensen heb je, dat weet ik heel goed. 
Maar ik ben niet zo. Ik ben anders. Wanneer ik ga drinken kan ik niet langer voor mezelf instaan. Dan word ik iemand die zichzelf uitdaagt en anderen tot het uiterste tergt. 
En sommige plekken zijn gewoon niet de beste plekken om mensen te tergen. 
Bijvoorbeeld omdat die mensen zelf al licht ontvlambaar zijn door alle drank die ze in hun lijf gegoten hebben. 
Ontevreden, prikkelbare mensen. Mensen die iemand die op foto vastlegt wat ze op zo’n avond aan vunzigheid uitvreten heel goed kunnen missen, als kiespijn. 
Ik geef het ronduit toe. Die avond in de bar was ik een rotte kies die gemeen stak.

Achteraf zijn het enigszins psychedelisch aandoende flarden die bij me opkomen als ik aan de gebeurtenissen van die nacht terugdenk. Alsof het de onscherp gefilmde videoclip van een artistiekerig rockbandje betreft, waarin de zanger zogenaamd in een nachtmerrie rondloopt. 
Het grote verschil tussen zo’n zanger en mij is dat wanneer het liedje eindigt de zanger wakker wordt in zijn eigen bed, naast zijn mooie blonde vriendin en een spaarpot met een miljoen pond er in op zijn nachtkastje, terwijl ik met een lichaam vol kneuzingen ontwaakte in het ziekenhuis van Palma en huilend aan de verpleegster die mijn infuus aan het vervangen was vroeg: ‘zeg dat het een nachtmerrie is, zeg me alsjeblieft dat dit een nachtmerrie is’. 
‘Je ligt in het ziekenhuis. Je hebt een ongeluk gehad, geen nachtmerrie,’ was haar nuchtere antwoord. 
De nevel die over de gebeurtenissen in de bar heen hing, was natuurlijk in de eerste plaats te wijten aan de hoeveelheid drank die ik ingenomen had. 
Al hielp de hersenschudding die ik daarna opgelopen had ook niet mee. 
Toen een politieman me in het ziekenhuis kwam ondervragen moest ik hem bekennen dat ik me weinig kon herinneren van de gebeurtenissen die er toe geleid hadden dat ik het ziekenhuis ingeslagen werd. 
Het slaan zelf daarentegen kon ik me wel heel goed herinneren, alsof dat een afzonderlijk circusnummer was geweest. 
En het schoppen herinnerde ik me ook goed, vooral het springen op mijn borstkas, alsof ik een noot was die gekraakt moest worden. 
Maar toch: notenkraker gezocht, daar heeft de politie in haar zoektocht naar de schuldigen bitter weinig aan, dat begreep ik best.

Er waren een paar herinneringen die er in slaagden door mijn vergeetachtigheid heen te dringen, als strepen zonlicht door een gesloten luik. 
Ik had een vrij heldere herinnering aan een zo goed als naakte stripper – ze droeg nog tepeldopjes, versierd met kwastjes – die een van de toeschouwers op het piepkleine podiumpje achter in de bar had getrokken, hem op een stoel neergepoot had en zijn armen achter zijn rug met handboeien had vastgemaakt. 
Als een slangenbezweerster was de vrouw, met haar kromme beentjes en gedrongen lijf waarop grote borsten de enige attractie vormden, vervolgens om de man heen gedanst, op een Duitse schlagerversie van Tina Turners hit ‘I am a private dancer’. 
De man, een veertiger met een verwarde uitdrukking op zijn bleke, bezwete gezicht, had de hoekige bewegingen die de vrouw maakte met zijn ogen gevolgd, terwijl zijn hoofd willoos meebewogen had op het stuwende ritme van de muziek. 
Uit het publiek werden schunnige opmerkingen geroepen, vooral één man, in een opzichtig paars jack, had de danseres luidkeels afgekraakt. Tot vermaak van zijn vrienden, die hem op zijn schouders hadden geslagen na elke belediging, had hij haar een koe met hanguiers genoemd, een stinkende hondenkut en nog iets dat ik niet verstond, maar dat niet minder beledigend zal zijn geweest. 
Waarschijnlijk had ik die man iets te lang aangekeken. 
Venijnig had hij een stap in mijn richting gedaan. 
‘Heb ik soms iets van je aan, mokkel?’ 
Zijn gezicht was smal, met een grote snavel als neus en achterdochtige kleine bruine oogjes die alle kanten op schoten. Hij droeg zijn schouderlange, krullende haar strak achterovergekamd met veel gel, wat de indruk van een vogelkop nog versterkt had. 
Toen ik niet op zijn provocatie was ingegaan had hij zijn aandacht weer op de danseres gericht. ‘Hé oma, gaat-ie lekkerrr met je uitgelubberde doos?’ had hij tegen haar geschreeuwd, ondertussen obscene bewegingen makend met zijn heupen. 
Niemand van het personeel had ingegrepen en de vrouw zelf had ook onverstoorbaar doorgedanst, blijkbaar was ze de vernederingen die haar werden toegeschreeuwd gewoon. 
Om haar act af te sluiten, dat dacht ik tenminste, had de vrouw een nogal knullig schootdansje gedaan waarbij ze op de schoot van de geboeide man plaatsgenomen had, met haar gezicht naar het publiek toegewend, en zijn kruis met haar billen begon te masseren alsof ze brooddeeg aan het kneden was. 
Ze had haar gezicht vertrokken in een reeks aapachtige grimassen waarbij ze haar bovenlip zover optrok dat haar zachtroze tandvlees bloot kwam te liggen. 
Haar vlezige gegrijns moest het publiek vermoedelijk van haar toenemende opwinding zien te overtuigen. 
Smakelijk was anders, maar intrigerend vond ik het wel. 
Ik had gedacht dat de vrouw na haar gefingeerde hoogtepunt de man van zijn handboeien zou bevrijden en hem naar zijn tafeltje zou terug begeleiden, maar toen de act afgelopen leek te zijn gebeurde er nog iets anders. 
Wat in mijn ogen het ongeïnspireerde hoogtepunt was, bleek bij nader inzien niet meer dan een beetje voorspel te zijn geweest. Maar ik was natuurlijk ook geen kenner van deze materie. 
Aan het einde van het nummer van Tina Turner meandert de muziek nog even dromerig verder terwijl Tina, of in dit geval haar Duitse stand-in, al uitgezongen is. Iemand had dit kleine stukje droommuziek gesampeld en de samples vervolgens achter elkaar geplakt zodat de muziek zich eindeloos herhaalde. Het was als een bezwerende mantra, die de kracht leek te bezitten om de tijd stil te zetten. Of, beter gezegd, om de tijd steeds als de sample herbegon, met een klein, haast elektrisch schokje terug te zetten. 
In dat tijdelijke levensvacuüm had de danseres met een handig gebaar dat jarenlange ervaring verried, de broekriem van de man op het podiumpje losgemaakt en zijn broek en onderbroek afgestroopt. 
Daarna was de vrouw wijdbeens, met haar kut bovenop de forse erectie van de man gaan zitten, met haar gezicht niet naar hem, maar naar het publiek toegewend. 
Langzaam, verstrooid bijna, had ze op het ritme van de muziek op en neer bewogen langs de schacht van de pik van de man, die met elke beweging meer was gaan glanzen van haar vocht dat als kleine, glazige pareltjes in zijn schaamhaar bleef hangen. Het was een betoverend schouwspel geweest. 
Op en neer had ze bewogen, alsmaar op en neer, in één lange, kalme, vloeiende beweging, terwijl het trage muziekje steeds opnieuw verleidelijk weerklonk. 
Niet langer zagen we een oudere, onderbetaalde vrouw met een apensmoeltje voor ons, die haar afgetobde lichaam verkocht aan een stelletje dronken voyeurs. 
Vergeten was de smeerlapperij die ons als een verdorven dampkring omringde. 
Dit was iets heel anders dan een verveeld voorspel. 
Wat we zagen was een perfect geacteerde uitvoering met in de hoofdrol de kut van de vrouw, die het opgefokte publiek met haar trefzekere optreden eindelijk stil kreeg. Gehypnotiseerd staarden alle mannen in de bar naar de kut. 
Ze vergaten te drinken. Ze vergaten te roken. Ze vergaten zelfs de vrouw te minachten. Verlost van zichzelf staarden ze vol ontzag tussen de dijen van de vrouw op het podiumpje. 
Het was dan ook een geweldig soepele, dikbehaarde natte spleet die we daar vlak voor onze ogen op en neer zagen bewegen, de oorsprong van de wereld, die haar rol in de voorstelling subliem vervulde. 
En ik kon niet anders. Ik moest en zou. 
Pakte zonder te twijfelen mijn fototoestel uit mijn jaszak en begon de scène toen te fotograferen.

Het volgende dat ik me herinner is dat ik bovenop de bar sta en omringd word door boze mannen die ik in een woeste flamencodans in hun gezichten probeer te trappen. 
Hun handen graaien naar me om me van de bar af te trekken. Al rondschoppend houd ik mijn armen boven mijn hoofd geheven, met mijn camera stevig in mijn handen geklemd, en druk af, druk af, druk af. 
Ik maak in triomf foto na foto van de kolkende massa waarin de koppen van de kerels als rode boeien op de golven van hun woede heen en weer schommelen, en Tony Montana komt me te hulp, als een maniak trapt hij om zich heen en onze woede is een geladen geweer in onze borst en samen brullen we ‘kom maar op, we lusten jullie rauw, smeerlappen we kluiven jullie ballen af,’ en zelfs dan blijf ik foto’s maken, wat de woede van de kerels nog meer aanwakkert, en ik geniet, maar dan verlies ik mijn evenwicht. 
Een van de mannen, met een lelijke, rode, verbeten kop, heeft zijn vuist in een ijzeren greep om mijn enkel gesloten en schreeuwt me toe ‘ik heb je, nou heb ik je, kutwijf’ en verdomd ja, hij heeft me, en ik val ruggelings op de bar, glazen brekend in mijn val, een glasscherf dringt in mijn onderrug, ik registreer alles maar voel geen pijn, nee pijn heb ik niet, de adrenaline raast door me heen en verdringt alle pijn. 
Liggend op mijn rug blijf ik me verdedigen, aan alle kanten zijn handen die me krabben en slaan en knijpen en stompen en ik krab en sla en schop terug en bijt een man tot bloedens toe in zijn hand en scheld een ander hartstochtelijk uit voor hoerenzoon, hijo de la puta, eenmaal, tweemaal, driemaal hijo, hijo, hijo de la puta, tot de hoerenzoon me een kopstoot geeft die me sterretjes doet zien, en dan weet ik weer: beledig nooit, nee nóóit, de moeder van een Spanjaard.

Ik word wakker op de stoep voor de bar, met een bijenvolk zoemend in mijn hoofd. 
Mijn shirt zit onder het bloed, zie ik en ik zie ook dat de wereld om me heen weer terug is. 
De mist is opgelost en het regent nu zachtjes. 
De spettertjes op mijn gezicht ontnuchteren me enigszins en ik wil weg, krabbel overeind, tast dan in mijn zakken naar mijn camera maar kan hem nergens vinden, en het gemis van mijn camera maakt me furieus en ik strompel terug, de bar in, schreeuw tegen de aanwezigen die me aanstaren alsof ik een geestverschijning ben dat ik mijn camera terug wil, en wel meteen! 
Eén van hen, de paarsjackvogelkopman die de danseres uitschold voor ouwe uier komt op me af, hij is langer dan ik en buigt zich dreigend naar me over, houdt zijn roofvogelsnavel vlak bij mijn gezicht en sist in mijn oor. 
‘Of ik soms dood wil?’ 
Ik schud voorzichtig mijn hoofd, maar de bijen schudden toch bozig mee. 
‘Maak dan snel dat je wegkomt, domme kut,’ zegt hij, en draait zich al weer triomfantelijk om naar zijn vrienden. 
Maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Ik tik hem op zijn schouder. 
Enigszins verrast wel draait hij zich om. 
‘Eerst mijn camera terug,’ zeg ik. 
De man loopt rood aan. Het kleurt niet bij het paars van zijn jack. 
‘Oprotten jij!’ 
‘Mijn camera,’ herhaal ik. 
‘Ben je soms gek geworden, chica?’ 
Zijn vraag maakt me een beetje verdrietig. 
‘Ik wil alleen maar mijn camera terug,’ zeg ik. 
Zonder waarschuwing geeft de man me een harde klap in mijn gezicht. Dat is het teken waar de anderen op wachten en ze pakken me vast en gooien me opnieuw de bar uit. 
Op straat schoppen ze me waar ze me maar raken kunnen. Een van de mannen springt op mijn borst op en neer en ik voel mijn ribben kraken, breken, versplinteren, maar als ze me na een poosje met rust laten raap ik mijn losse onderdelen gewoon weer één voor één bij elkaar en kruip daarna op handen en voeten weer terug de bar in en vraag opnieuw mijn camera terug. 
Als antwoord klinkt er een hatelijk gelach op en ze duwen me met de punten van hun laarzen omver en dan lig ik op de vloer te hijgen en ‘camera, camera’ te herhalen, wat weinig indruk op de mannen lijkt te maken. 
Ik probeer overeind te krabbelen om mijn eis wat meer kracht bij te zetten, maar ze houden me tegen, duwen me met hun laarspunten terug op de vloer en dan voel ik opeens een warme straal op mijn gezicht, over mijn borst. 
De man in het paarse jack heeft zijn geslacht tevoorschijn gehaald. Zijn lange slappe lul bungelt boven me en hij pist bruisend over me heen. 
De man lacht terwijl hij zijn blaas ledigt en de anderen lachen mee, rollend als een donderbui is hun lachen. 
Door het lachen rusten ze een beetje uit van de inspanning van het schoppen en het slaan en ik lach lekker met ze mee en vervolgens zeg ik ‘wat een kleintje heb jij’ tegen de man, en zijn lelijke gezicht vertrekt tot een nog lelijker gezicht. 
Hij brult iets tegen de anderen en vervolgens slaan en schoppen ze me nog langer en harder en beulachtiger dan voorheen en dan schieten er opeens allemaal lichtflitsen door mijn beeld en heldere kleurvlekjes volgen elkaar in een gekmakende werveling steeds sneller op tot twee harde droge knallen vlak na elkaar weerklinken en mijn ontvangst 
helemaal 
wegvalt.

Het eerste dat ik zag toen ik weer bijkwam, was de nachtblauwe hemel boven me. Ik hield mijn adem in van ontroering. 
Het was een bijzonder heldere nacht en miljoenen sterren schitterden aan het firmament, het was als de optocht van een reusachtig kosmisch leger. 
Plat op mijn rug keek ik alsmaar omhoog naar de sterren en kwam toen geleidelijk aan tot het inzicht dat ik nog steeds op aarde was. 
Maar waar op aarde? 
Mijn hersenen werkten te traag om die vraag te kunnen beantwoorden en na een poosje gaf ik het denken dus maar op. 
Terwijl ik dus ergens op aarde op mijn rug naar de sterren lag te staren, had ik het gevoel dat mijn geest zich van me losmaakte en op eigen kracht door het universum zweefde. 
Mijn lichaam daarentegen voelde loodzwaar aan, zwaar als een rots. En ik was te moe om ook maar één vinger te bewegen. Het verontruste me overigens niet dat mijn geest zich van me verwijderde. Zolang ik bleef stilliggen en omhoog bleef kijken had ik hem zelf totaal niet nodig. De sterren vulden mijn hoofd geheel op met hun stralende schoonheid. 
Maar hoe mooi de sterren ook mochten zijn, op den duur kreeg ik toch genoeg van hun schoonheid en deed ik een poging om overeind te komen, maar slaagde daar niet in. 
Mijn lichaam weigerde om mee te werken, ik kreeg er geen beweging in. Ik besloot even uit te rusten en het daarna nog eens te proberen. Maar ook toen lukte het me niet om op te staan. De poging kostte me enorm veel moeite. 
Het zweet liep over mijn rug en ik voelde me duizelig. Zo dronken ben ik nog nooit geweest, dacht ik. 
Mijn maag leek wel tot de rand gevuld met bedorven yoghurt. Zure oprispingen brandden tot in mijn keel. 
Voorlopig zou ik geen alcohol meer te drinken, nam ik me voor. Of misschien alleen een klein scheutje rum door de cola, dat kon toch geen kwaad? 
Na weer even uitgerust te hebben probeerde ik of ik me op mijn zij zou kunnen rollen, maar ook daar slaagde ik niet in. 
Wat ik ook probeerde, het was allemaal tevergeefs. 
Behalve de rillingen die willekeurig door me heen trokken viel er geen beweging in mijn lichaam te krijgen. 
Hoe dronken kon een mens zijn? Dat was wel een goede vraag, vond ik. Hijgend van inspanning deed ik tenslotte nog een allerlaatste poging om op te staan, maar toen ook die mislukte gaf ik het op. 
Met gesloten ogen bleef ik op mijn rug liggen. 
Langzaam drong er iets tot me door. 
Dit was erger dan dronkenschap, veel erger. 
Af en toe deed ik mijn ogen even open en keek omhoog en dan was de nachtblauwe hemel vol sterren nog net zo mooi als eerst. De wereld draaide gewoon door. 
Misschien was er wel iets ergs gebeurd, maar het was alleen met mij gebeurd. 
Ik was niet alleen dronken. Ik was ook verlamd. 
Ik kon mijn armen niet bewegen en mijn benen ook niet en mijn rug was compleet gevoelloos. 
Behalve mijn hoofd kon ik eigenlijk niets bewegen. 
De reden dat ik midden in de nacht plat op mijn rug naar de sterren had liggen staren was dat ik verlamd was tot aan mijn nek. 
Ik probeerde de paniek die op dat moment bovenkwam meteen weer weg te duwen. Alles is al eens eerder gebeurd Lara, hield ik mezelf voor. Dit is echt niets nieuws. 
Auto-ongelukken, botbreuken, longkanker, brandstichting, fietsendiefstal, dwarslaesies, zulke dingen overkomen andere mensen elke dag. 
Dus kunnen ze jou ook elke dag overkomen, niet waar? 
Wees maar blij dat ze je niet elke dag overkomen. 
En ik moest opeens weer denken aan de man die ik in de cocktailbar van het Okurahotel had ontmoet, een paar maanden nadat ik uit Barcelona weggevlucht was en bij mijn vader aan de Prinsengracht was gaan wonen. 
Soms werd mijn vaders bezorgdheid me teveel en kneep ik er tussenuit, sloop de nacht in op zoek naar een man. 
Het was een grote, robuuste man geweest, met kastanjerood haar, groene ogen en een kin als een stootkussen. 
Een Ier, had ik eerst gedacht.

De coctailbar van het Okura bevindt zich op de bovenste verdieping van een hoog flatgebouw. 
Reusachtige ramen bieden uitzicht over Amsterdam en omstreken. 
Vanwege het uitzicht kwam ik er graag, en ook om een paar van de uitstekende coctails te drinken die de barkeeper toebereidde, en waarvan de Larchmont, een mix van rum, Grand Marnier, limoen en ijs een tijdlang mijn favoriet was. 
Vanaf mijn barkruk had ik die bewuste avond de andere bezoekers gadegeslagen. 
Er hadden een paar Nederlandse zakenmannen in krijtstreeppak aan een tafeltje gezeten. Aan een paar andere tafeltje zaten groepjes Japanners, met grote glazen bier voor zich. Weer een ander tafeltje werd in beslag genomen door een dikkige man in een strategisch gescheurde spijkerbroek en een felgekleurd overhemd, die vergezeld werd door een veel jongere, ook opzichtig geklede vrouw, die met haar ontevreden vissenmondje slurpgeluiden maakte wanneer ze van haar rosé dronk. Aan het tafeltje naast hen had nog een man gezeten. 
Hij had naar buiten gekeken. Toen het paar naast hem was opgestapt, had ik mijn glas opgepakt en was aan hun tafeltje gaan zitten. Ik had naar de man geglimlacht. 
Maar hij had me niet gezien, had strak naar het panorama van de stad gekeken. 
‘Mooi uitzicht hè?’ had ik toen maar het gesprek geopend, in het Engels. 
‘Yeah dame, ik vind het prachtig.’ 
De man was geen Ier. 
Zijn accent had onmiddellijk verraden dat hij uit Australië kwam. Terwijl hij sprak was hij voor zich uit blijven kijken, naar buiten. 
‘Logeer je hier?’ 
Ik was vastbesloten geweest om zijn aandacht te trekken. 
Met een snelle blik opzij had hij me van top tot teen opgenomen. Zijn blik was een fractie langer bij mijn borsten blijven hangen. Ik had mijn rug gerecht zodat ze beter uitkwamen. Misschien vroeg hij zich wel af of ik een prostituee was die een klant wou scoren, had ik bedacht. 
Maar prostituees droegen vast geen t-shirt van Greenpeace met een huilend zeehondje er op, zoals ik. 
Zij hadden waarschijnlijk genoeg aan hun eigen tranendal. 
‘Yeah dame…’ had de man geantwoord. 
Hij had gezucht, alsof praten hem vermoeide. 
‘Goede cocktails hebben ze hier,’ had ik daarop geprobeerd. 
Hij had zijn glas in de lucht gehouden en ik kon het zelf zien: hij dronk bier. Nieuwe poging dan maar. 
‘En bevalt het hotel?’ 
Een kort knikje. Meer niet. Weer mis dus. 
‘Zelf logeer ik bij mijn vader, hij woont aan een van de grachten.’ Ik probeerde ons huis te vinden tussen de poppenhuizen beneden. 
‘Kijk, daar is het, daar in die bocht, zie je wel?’ wees ik. 
De man knikte weer en trommelde met zijn vingers op het tafeltje. Erg enthousiast leek hij niet te zijn over onze ontmoeting. Maar als mijn uiterlijk niet werkte kon ik altijd mijn werk nog in de strijd gooien. 
‘Eigenlijk woon ik in Barcelona, maar ik ben hier voor mijn werk, ik heb een tentoonstelling in het Stedelijk Museum hier. Een solotentoonstelling,’ merkte ik op en had toen eindelijk beet. 
We praatten over fotografie en ik bestelde zelfs nog een rondje voor ons. 
Tot mijn verrassing wist hij behoorlijk veel van fotografie. 
Het bleek zelfs dat hij op de Biënnale van Sydney werk van me had gezien. Een serie foto’s uit 1995, van voornamelijk zelfportretten. Inmiddels waren ze onbetaalbaar geworden, maar dat vertelde ik maar niet, dat stond zo opschepperig. 
‘Een vorm van dwangarbeid,’ noemde hij ze zomaar in het wilde weg, het klonk plompverloren. Ik fronste mijn wenkbrauwen. 
Dwangarbeid, zelfkwelling, waar haalden ze het toch allemaal vandaan? 
‘Wat doe je zelf voor werk?’ vroeg ik toen maar. 
‘Ik ben oorlogsverslaggever,’ antwoordde de man, en ik dacht echt dat hij een cynisch grapje maakte. Ik lachte uitbundig. 
Hij keek me geërgerd aan. Ik stopte abrupt met lachen. 
‘Dat meen je toch niet, hè?’ 
‘Ja hoor, wel. Het is heus waar,’ zei hij grimmig en haalde een perskaart uit zijn de binnenzak van zijn jasje om het te bewijzen. 
Ik keek naar de foto op de kaart. Op de pasfoto leek de man jonger en was hij ook magerder, maar je kom toch wel meteen zien dat het dezelfde man was. 
‘O shit, sorry hoor,’ zei ik. ‘Ben je verlamd geraakt tijdens je werk?’ 
Hij schudde schamper zijn hoofd. 
‘Ik ben thuis van het keukentrapje gevallen en heb toen mijn nek gebroken.’ 
Weer zei ik ‘shit,’alsof stront het universele antwoord was op iedere vorm van menselijke tegenslag. 
‘Wat een lullig ongelukje, zeg.’ Ik schaamde me voor mijn domme opmerking, maar hij negeerde die. 
‘Ik heb een boek geschreven over mijn reizen,’ zei hij. ‘Op wielen de wereld rond. Irak, Rwanda, je kent het wel.’ 
‘Dat klinkt boeiend. Wat is de titel van je boek? Dan kan ik het kopen.’ 
‘Ik heb toevallig een exemplaar bij me, dat mag je best hebben,’ bood de man aan. 
Met de lift gingen we naar zijn kamer. Ik durfde niet aan te bieden om zijn rolstoel te duwen. De kamer van de man zag er uit alsof een stel pubers er de avond doorgebracht had. 
Overal lagen kleren, etensresten en proppen veelkleurig papier die uit tijdschriften gescheurd waren. De asbak lag vol peuken en het nachtkastje was bedolven onder de lege colablikjes. 
De man zag me kijken. 
‘Let maar niet op de troep’ zei hij laconiek. 
Hij rommelde wat in een Samsonite en vond toen zijn boek. 
Hij gaf het aan me. 
Op de omslag stond de beroemde foto van Robert Capa uit de Spaanse Burgeroorlog, van een soldaat die neergeschoten wordt. 
‘The whole earth is my hospital door James Harrison,’ las ik hardop voor. 
Ik keek op. 
‘Nou, bedankt hoor, James’. 
‘Niets te danken’ antwoordde hij. 
‘Zo, wat wil je drinken? Zeg het maar.’ 
We dronken whisky, uit de minibar. 
Toen de whisky op was dronken we gin en toen de gin op was gingen we over op bier. 
De drank maakte me loom, energieloos. 
‘Kleed je eens uit’ zei James opeens tegen me. 
Ondanks mijn sufheid deed ik wat hij me opdroeg. Daarna ging ik op het bed liggen. Met een starende blik inspecteerde hij mijn lichaam, het was of zijn ogen zich aan mijn huid vastzogen. 
‘Spreid je benen,’ beval hij. 
‘Hé, kleed jij je niet uit?’ vroeg ik. 
Hij schudde zijn hoofd. 
‘Dat heeft geen enkele zin. Ik heb geen gevoel meer in mijn onderlichaam.’ 
‘Maar dan kunnen we toch …’ begon ik. 
James keek me strak aan. 
‘Ik wil niet dat je me aanraakt’. 
‘Waarom zou ik me dan wel door jou laten aanraken?’ 
Hij grinnikte een beetje schamper. 
‘Dat hoef je niet. Ik wil jou ook niet aanraken.’ 
‘Maar wat doe ik dan …’ 
‘Doe nou maar wat ik zeg. Dat is echt het beste’ onderbrak hij me, ‘ga achterover liggen op het bed en spreid je benen’. 
Ik leunde achterover op het bed, trok mijn benen op tot de rand en spreidde ze toen zo ver als ik kon. 
Ik voelde hoe de spieren in mijn liezen zich spanden. 
James rolde zijn stoel vlakbij en leunde met zijn bovenlichaam zo ver voorover dat zijn neus bijna mijn schaamhaar raakte. 
Hij snoof mijn geur op. 
‘Is de vis nog een beetje vers?’ 
‘Je hebt je vandaag nog niet gewassen,’ zei hij, ‘en je drinkt teveel melk. Dat geeft eerder een kaasachtig dan een vissig luchtje’. 
‘Welkom in de Hollandse kaaskut,’ zei ik om grappig te zijn. 
‘Nou, je hoeft je niet te schamen hoor, een goeie kut moet een beetje stinken’ zei hij. 
‘Ik schaam me ook helemaal niet,’ loog ik, terwijl mijn kut ondertussen zowat wegbrandde van gêne. 
Hij grinnikte weer. 
Het klonk stroef als een houtrasp die een stuk eikenhout bewerkte. 
‘Dan is het goed. Spreid je benen nog eens een stukje verder, ik wil echt in je spleet kunnen kijken.’ 
Het wond James kennelijk erg op om vrouwen te commanderen. Je hoefde geen genie te zijn om te begrijpen waarom dat zo was. 
Ik gaf mijn weerstand op en ging achterover liggen. James boog zich weer naar me over. Hoe lang het precies geduurd heeft weet ik niet, misschien tien minuten, of misschien iets langer, maar uiteindelijk kwam ik klaar zonder dat hij me aangeraakt had, louter doordat hij naar mijn kut keek en tegen me praatte. 
Het waren niet alleen obscene opmerkingen die hij maakte, hoewel hij soms heel grof uit de hoek kon komen. 
Maar hij zei ook dingen als ‘schenk de jus over de geprakte aardappelen’ of ‘smeltende sneeuw die door de dakgoot schuift’ en ‘wachten op het geluid van de eerste uil’. 
Het leken beschrijvingen van een idyllisch bestaan waar ik geen deel van uitmaakte. En gezien de droefenis waarmee hij sprak leek hij er zelf ook definitief van buitengesloten te zijn. 
Nog nooit had iemand zoveel belangstelling voor mijn kut getoond. Het was heel vreemd maar toch lekker. 
Mijn kut tintelde helemaal van zijn hees gefluisterde opmerkingen over een sappige, rijpe ananas, en ook over een jonge hoertje in Cambodja dat hij geneukt had. 
Hij beschreef ook hoe mijn schaamlippen van kleur veranderden, van roze naar kersenrood tot pauselijk purper. 
Ik sidderde onder zijn gesproken aanrakingen. 
Nadat ik klaargekomen was rolde James zijn stoel naar het raam en keek naar buiten, naar de lichten van de stad die uit de avondnevel opdoemden. 
Mijn buik en benen waren overdekt met een dun filmpje zweet en de ongemakkelijke houding waar ik in lag veroorzaakte kramp in mijn liezen. Ik kreeg het koud, maar toch bewoog ik me niet. James stak een sigaret op en blies de rook uit. 
‘Trek je kleren maar weer aan,’ zei hij rustig. 
Zijn hoofd ging schuil achter de slierten sigarettenrook. 
Ik gehoorzaamde. 
‘Vergeet het boek niet als je weggaat,’ zei hij toen ik weer aangekleed was. 
In de lift naar beneden stond ik naast twee Japanners die me aanstaarden. De mannen bewogen steeds nerveus hun neusvleugels, alsof ze dachten iets vreemds aan me te ruiken. 
Toen ik ‘The whole earth is my hospital’ las, kwam ik erachter dat James tegen me had gelogen. 
Hij was niet van een keukentrapje gevallen, maar op een berghelling in het grensgebied van Afghanistan en Pakistan neergeschoten door Talibanstrijders die hij had gevolgd voor een reportage. 
Ze hadden hem voor dood in een afgelegen vallei achtergelaten, waarvan de bewoners hem gevonden en een winterlang verzorgd hadden. 
‘Ik had het aan mezelf te danken dat de Taliban me neerschoten. Een vlieg die om je oren zoemt mep je ook dood,’ beschreef hij zijn mislukte executie laconiek. 
Zijn boek was opgedragen aan een vrouw die Amy heette. Achter haar naam stonden twee jaartallen, ik rekende uit dat ze jong gestorven was.

Nog steeds lag ik op mijn rug plat op de aarde. 
Door mijn hoofd steeds een heel klein beetje op te tillen en daarbij van links naar rechts te draaien, probeerde ik er achter te komen waar ik precies was. 
Op die manier kwam ik er na een poosje achter dat ik op een smalle asfaltweg lag, waarschijnlijk ergens op het platteland. Langs de weg groeide metershoge bamboe, die ritselde in de wind. Krekels sjirpten. 
Er zoefde een vleermuis langs en in de berm klonk af en toe het zachte piepen van veldmuizen. 
Behalve de sterren boven me was nergens licht te zien. 
Voor zover ik wist bevonden er zich geen huizen in mijn directe omgeving. Ik rook de kruidige harsgeur van pijnbomen en rozemarijn, de stoffige lucht van uitgedroogde aarde. 
Bij vlagen voerde de wind ook de scherpe, zure geur van dierenuitwerpselen aan en ik moest denken aan hoe de dieren, geiten of schapen, tegen elkaar aan lagen in hun hok, gerustgesteld door het ritme van elkaars ademhaling. 
Ik verdreef die gedachte snel. 
Hij maakte alleen maar dat ik me ellendig ging voelen. 
Achteraf verbaast het me hoe weinig ik onder de indruk was van mijn verlamming terwijl ik daar als een steen op de weg lag. Ik huilde niet. Ik schreeuwde het niet uit en ik bestierf het ook niet van angst en paniek. 
De schok van de gebeurtenis zou pas veel later komen, in het ziekenhuis, met een tijdsvertraging die waarschijnlijk voortvloeide uit zelfbescherming. 
Je hebt weinig aan paniek als je tot aan je nek verlamd op een weggetje ligt te wachten tot het ochtend wordt, terwijl je weet dat een auto die voor die tijd over de weg zal rijden je niet zal kunnen ontwijken, zodat het schijnsel van zijn koplampen het laatste restje licht van de wereld zal zijn dat je in je leven zult zien voordat je als een slak vermorzeld wordt onder zijn banden. 
Wat kun je in zulke omstandigheden doen? In tranen uitbarsten en jezelf gaan liggen beklagen om je stumperige lot? 
Het wanhopig op een krijsen zetten in de hoop dat iemand je zal horen? 
Ik wilde niet huilen en ik wilde niet schreeuwen, het enige dat ik wilde was omhoog kijken naar de sterrenhemel. Natuurlijk besefte ik wel dat de enige kans die ik had om te overleven zou zijn dat er geen auto over het weggetje zou rijden voor zonsopgang, want zolang het nog donker was zou een bestuurder me niet opmerken en dwars over me heen rijden en al mijn botten breken. 
Dan zou ik er geweest zijn. 
Dood. 
Pas met zonsopgang zou het licht de roerloze massa van mijn lichaam zichtbaar maken voor het verkeer. De zonsopgang zou mijn redding vormen. En tot het moment dat de zon zou opkomen was er niets dat ik kon doen, helemaal niets dan afwachten en omhoog kijken naar de sterren. 
Eindelijk. Eindelijk was ik één en al oog geworden. Een menselijke camera. En ik keek omhoog, keek alsmaar omhoog, naar het uitspansel boven me. 
‘Nou stuk, daar lig je dan, hè,’ twinkelden de sterren naar mij. 
‘Yessir, zo klaar als een klontje,’ seinde ik terug. 
‘Maar wáárom lig je daar eigenlijk?’ vroegen de sterren. 
‘Weet ik veel,’ was mijn weinig pientere antwoord. 
De sterren weer: ‘Kunnen wij misschien nog iets voor je betekenen?’ 
‘Draai me om als ik met mijn gezicht naar beneden in de goot lig te sterven,’ antwoordde ik. 
Het was een zin uit een Finse film die ik onthouden had om ooit te kunnen gebruiken en dat moment was nu wel aangebroken vond ik. Het was misschien wel nu of nooit. 
‘Huh?’ antwoordden de sterren, die niet ontvankelijk bleken te zijn voor een portie tweedehandse zelfkantromantiek. 
‘Laat maar jongens, laat me maar,’ seinde ik vermoeid terug. 
Ik voelde me niet erg lekker. Mijn keel was droog en mijn hoofd bonsde als een gek. Ik begon natuurlijk een kater te krijgen. 
Maar ik bleef toch omhoog kijken. Slechts heel af en toe verdwenen de sterren even uit zicht. Dan waren mijn ogen dichtgevallen. En hoewel ik steeds weer in slaap dreigde te vallen bleef ik me er uit alle macht tegen verzetten. 
Ik wilde koste wat kost wakker blijven in wat de laatste uren van mijn leven zouden kunnen zijn. 
Na het gesprek met de sterren gebeurde er niets interessants meer, terwijl ik bewegingloos op de weg lag te wachten op het aanbreken van de dag. 
Ik zag mijn leven niet als een film aan me voorbij trekken, kreeg geen inzichten die insloegen als bliksemschichten en ik zwoor ook geen eed aan God om een kathedraal te bouwen. 
Niets van dat al. Wat mij betreft kon God gerust mijn verlamde rug op. Maar ondanks dat ik me niet kon bewegen verveelde ik me niet. Mijn tijd werd gevuld met wachten. 
Ik wachtte op een bus waarvan ik hoopte dat hij nooit zou komen. En voor het eerst in mijn leven kon wachten me niet lang genoeg duren. Marco kon tevreden zijn; ik hield eindelijk mijn bek dicht. En mijn vader ook, want aan zelfkwelling deed ik niet meer. In één keer was mijn levenslange ongeduld uit me weggevloeid. Niet langer voelde ik me geprikkeld of opgefokt, maar kalm, heel kalm zelfs. 
Wat was wachten toch smaakvol, wellevend, verfijnd, geweldig, bedacht ik ontroerd. Ik had wel eeuwig willen blijven wachten, ik had wel willen wachten tot ik een ons zou wegen. 
Het enige wat ik deed was meteen ook het enige dat ik kon. Omhoog kijken. 
Roerloos als een bevroren vis keek ik omhoog naar de lucht die langzaam van kleur veranderde, eerst nog schuchter verschuivend van toon naar toon, van het diepe, verzadigde indigo van de nacht naar het sombere, pruisische blauw van de vroege ochtend, dat zich naarmate de ochtend dichterbij kwam en de sterren bleker en bleker werden, met steeds meer grijs mengde, een triest, vaal licht verspreidend dat alles om me heen, de weg, het bamboebosje, mijn lichaam, de hemel zelf, leek te bekleden met een dun laagje stof, de laatste resten vermoeidheid van de vorige dag, die tenslotte met zwier afgeworpen werden toen in het Oosten de dageraad gloorde met een adembenemende explosie van tinten oranje, roze, rood en purper die de hemel boven me in vuur en vlam zette. 
En hoewel ik heel goed wist dat er een overtuigende natuurkundige verklaring voor het fenomeen bestond dat ik zo ademloos gadesloeg, kwam het mij voor als grandioze toverkunst.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog