, 26 Maart 2014

Polemiek

Toen de Britse schrijver David Dabydeen (foto) op 13-jarige leeftijd op de boeg van het schip stond dat hem uit Brits-Guyana weghaalde, verheugde hij zich. Hij verheugde zich op het weerzien met zijn vader, die al jaren eerder naar Groot-Brittannië emigreerde. En hij verheugde zich om daar in dat verre Engeland gediscrimineerd te worden, op de straten van London verwijten naar zijn oren geslingerd te krijgen. Hij oefende zich in een weerwoord, had passages van Shakespeare en Dickens uit zijn hoofd geleerd, het zou een linguistic battle worden. Hij zou zijn mannetje weten te staan. Gediscrimineerd worden is praktisch, bedacht de jongeman, het is een gemakkelijke en effectieve manier om snel in contact te komen met de lokale bevolking. Aangekomen in Engeland was de teleurstelling groot. Gediscrimineerd werd hij, dat zeker, maar de skinheads kwamen niet verder dan het roepen van nigga of moddafakka. Dabydeens deceptie was van literaire aard, dit was geen schelden op hoog niveau, dit was nauwelijks meer dan het geblaat van een kudde schapen. Dabydeen debuteerde met de bundel Slave song in 1982. Hij publiceerde tien jaar later een fraaie roman, Disappearance, over een gekleurde ingenieur die de kliffen van Dover onderzoekt en een hond aanschaft om in contact te komen met de bevolking in het dorpje waar hij verblijft. Hij schreef het geweldig gedicht Turner, bij de woeste schilderijen van zeestormen van de meester. Nog later zou hij meer romans schrijven, professor worden van de Carribische studies aan de universiteit van Warwick en nog later de ambassadeur van Brits-Guyana in China.

Hoogwaardige scheldkanonnades of het geloei van een stelletje bierpunks – ik weet het niet met het woord polemiek. Het doet me denken aan de middelbare school of die tijd althans. Zeg polemiek en je denkt aan de opstellen van Jeroen Brouwers die zijn mok koffie tijdens zijn ontbijt met post op bed laat omvallen als hij de redacteuren van De Revisor op de kaft van HP/De tijd ziet staan. Grappig, hilarisch en geweldig gedateerd en vooral Much Ado About Nothing. Polemieken gelden alleen maar voor het moment dat ze geschreven zijn, verklaarde Brouwers in een marathon-interview met de VPRO. Een dag later zou hij er de energie niet voor op kunnen brengen. En dat lijkt me eigenlijk wel zo juist. Ik kan me over literatuur van tijd tot tijd vreselijk boos maken, vraag mijn vriendin maar, maar ik geloof niet dat dat ooit langer dan een dag of hooguit twee duurt. Anger is holy zong Mark Stewart en ook dat is waar, maar voor je het weet blijf je steken in allerlei temporele temperamenten en moet je je daar weer later voor verantwoorden, raak je verstrikt in reacties en tegenreacties terwijl de vaart allang uit je polemische eruptie verdwenen is. Inmiddels kun je je terecht afvragen of andere en vruchtbaarder ideeën en gedachten niet overstemd beginnen raken en het gewoon zonde van de tijd is.

Zorgelijk vind ik dat een gedeelte van de Nederlandse literatuur – en daarmee bedoel ik de poëzie, en in dat gedeelte de jonge en nieuwe poëzie – en daarmee bedoel ik die op het internet, overspoelt raakt door het naspelen en nakauwen van allerlei achterhaalde polemieken uit de jaren zeventig. Dat maakt dat de ruimte voor vernieuwing tamelijk krap en geeft weinig kans op werkelijk debat. Dat mag je niet zeggen en natuurlijk al helemaal niet opschrijven, want dan krijg je allerlei griezels op bezoek. Ik heb geen polemische natuur – en het nadeel van internet-debatten is dat je genoodzaakt ben de chatboxstijl van je tegenspeler over te nemen om in discussie te gaan. Het creëren van nieuwe platforms waar wel ruimte is voor een andere dialectiek is tot op heden weinig fleurrijk. Positiever ben ik over het proza wat internet en literaire kritiek aangaat. Waar in de kranten de ruimte stelselmatig afneemt, zijn er jonge, intelligente lezers te vinden die met een zekere onbevangenheid en tekstgerichtheid een boek te lijf gaan. Ze schrijven verspreid over verschillende fora, er lijkt vooralsnog geen constante te zijn in de plek op internet.

Literaire kritiek zou zich bij mijn weten bewust moeten zijn van internationale context en ontwikkelingen. Het schrikbeeld is de criticus als neerlandicus die drie Amerikaanse bestsellers heeft gelezen en op basis daarvan een literaire opinie vormt. Ik ben bang dat Nederland in hoog tempo de Europese traditie van Beckett en Kafka loslaat en op een gestileerd niveau van storytelling blijft steken (om me daarmee aan te sluiten bij het opstel van Pieter De Voecht voor Nynade). Kritiek moet over stijl kunnen gaan, over de materialiteit van literatuur, over de woorden waarmee het gemaakt is en die het verhaal zelf zijn. Als je lang genoeg naar een foto van Jeff Wall kijkt, zie je een ontwikkeling die ook de literatuur aangaat: een geënsceneerde werkelijkheid die als remake van de waargenomen werkelijkheid fungeert en spanning veroorzaakt, vragen oproept, een scène op scherp zet. Of het nu mensen zijn die ’s ochtends uit een nachtclub komen, mensen die in een buitenwijk naar een voortuin rennen waar iemand door de politie wordt aangehouden of een uitgedroogd stuk zeep op de rand van een wasbak, er gebeurt iets op de foto en het is daarmee geen weggenomen plaatje. Ik zou een literatuur willen die een vergelijkbare spanning veroorzaakt. Waarbij men geen angst heeft voor beelden die voor zich spreken. Jeff Wall zet in scène wat hij eerder gezien heeft, terloops, tijdens een wandeling, om die pas de tweede keer te fotograferen. Daardoor wordt zijn uiteindelijke foto adembenemend, zoals de ontknoping van een film.

Op reis met literatuur is leven met een paradox. Je schrijft in een taal die in een bepaald gebied wordt gesproken en gelezen en met die literatuur ga je naar elders. Dat kan leiden tot een waterval aan spraakverwarringen en verkeerde verwachtingen, het kan ook voeden en tegelijk relativeren. Ik denk dat jonge dichters sneller in aanraking komen met fragmenten uit werk van dichters in andere talen, al voor ze gecanoniseerd raken en hun oeuvre vertaald wordt. Dat komt door internet, facebook zelfs, door een toename van uitwisselingen en vertaalworkshops, kleinere festivals, internationaal gerichte tijdschriften en weblogs. Het vraagt van een criticus het een en ander om daar de zin en de onzin van te zien, om zich bewust te zijn van internationale stromingen en invloeden en navolgingen. Niet alles is even origineel in internationaal verband. En dan nog blijft de vraag wat werkt in de eigen taal.

Invloeden die niet tot de eigen literatuur horen, zijn voor critici moeilijk te plaatsen. Toch zijn het juist die invloeden die van oudsher de ontwikkeling van de literatuur vooruit helpen – neem nu de belangstelling voor Perzische dichtkunst die J.H. Leopold tot pionier maakte. Ruimte voor het nieuwe vraagt om nieuwsgierigheid, onbevangenheid en een gezond gebrek aan huiver voor het vreemde. Het geldt ook in kritische zin: bewustheid van internationale ontwikkelingen kan juist maken dat de criticus kritischer tegenover het werk staat. Een criticus zou vriend en vijand even kritisch tegemoet moeten treden: het verslag van de lezing verraadt iedere mogelijke partijdigheid. Wat dat betreft hoeven critici niet verkramp te zijn over wat en wie ze bespreken. Als er andere sentimenten meespelen, worden die door de tekst gelogenstraft.

Op reis zijn met literatuur betekent ook: opnieuw durven beginnen. Anoniem zijn, een onderduiker, en daarvan profiteren. Scherp opletten zoals iemand die erop moet nazien niet opgepakt te worden. In een ander land ben je aanvankelijk ook als schrijver niemand. Dat is niet verkeerd, dat is leerzaam. Als je ergens nieuw bent, kijk je goed om je heen.

En daar staat hij, op de voorplecht van de ferry van het ene land naar het andere, omringt door hoge golven die beurtelings over het dek slaan. De nacht is vol sterren en de wind trekt zijn haren uiteen. Er zit zout in de lucht en soms ook iets zoets en iets van teer. En van lieverlee begint hij tijdens het opdreunen van zijn monologen te gesticuleren, met wilde armbewegingen slaat hij terug naar de wind en de sterren en de spetters van het water. En het lijkt alsof de oceaan hem klein maakt, minuscuul en overbodig. Niemand kan horen wat hij roept. En toch komt het altijd ergens aan.

___________________________________________________________________________________

Erik Lindner schreef in 2013 voor De Revisor een blog over Berlijn. In 2014 start hij een nieuwe reeks over wat teksten literatuur maakt, als lezer en als schrijver. De eerste aflevering heette Kleine gedachtengang over het gelegenheidsgedicht, de tweede Networking poetry.

Deze polemiek is geschreven op verzoek van Harry Vaandrager voor het tijdschrift Nynade, als antwoord op een stelling van Peter De Voecht.

zeven reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog