Sax

500 à 1000

De jongen was bleek van het soort dat niet kleurt in de zon, misschien had hij Engelse roots. Zijn haar was kinderlijk blond en zijn lippen waren meisjesachtig vol en van het roze dat lippen krijgen wanneer ze in koud weer iets warms gedronken hebben. Ze probeerde te denken aan andere dingen die ze mooi vond: zwarte vogels op de wieken van een windmolen en koeien die wolkjes ademen in de vroege ochtend als ze langs het land van de buurman fietste, op weg naar haar werk in de stad die altijd onverwacht hard en vol was na het groen. Nu was ze met de auto gekomen, de saxofoon moest in de achterbak.
De jongen woonde in de stad, dat had hij haar verteld; hij was er opgegroeid. Opvallend schoon, leek hij, voor iemand die leeft tussen de uitlaatgassen en roetpluimen, hij miste die grijze waas die bij veel stadsbewoners altijd aanwezig leek en die zij al lang van zich afgewassen had in de jaren dat ze er niet meer woonde. Tegenover al die teerheid en dat zachte bleke stonden zijn handen die grof waren. Ze lagen vlak bij de hare. Hij verkruimelde een bierviltje.

Ze spraken met hun koppen dicht bij elkaar omdat de jazz van het cafépodium hard de ruimte in schelde. Zijn adem rook zoet van iets wat hij gegeten of gedronken had en was warm tegen haar wang. Zijn woorden tintelden tegen haar oor. Ze praatte terug, ze vertelde over dingen die zij meegemaakt had die leken op de dingen waar hij over verteld had. Over een tent in de buurt van dit café waar ze ‘met iemand’ (niet: 'met mijn verloofde, die links op het podium, met de saxofoon') voortreffelijk gegeten had. Over een verschrikkelijk hotel in Amerika waar zij (niet 'mijn geliefde en ik') ooit geslapen had. Zijn ogen, het bruin diep en het wit wit, gingen steeds van haar ogen naar haar mond. Hij luisterde goed. Het viltje was verkruimeld en hij pakte een tweede, nu voelde ze soms zijn vingers als hij een stuk afscheurde. De warmte van zijn vingers, niet de huid zelf.
'We gaan gewoon een keer naar Amerika,' zei hij, 'en dan eten we pancakes als ontbijt.'
Hij meende het, omdat hij alles kon omdat hij dat wilde omdat hij de tijd had en hij lachte gulzig. Zwarte vogels, probeerde ze, warme koeien, dat weiland, die stad. En: voor een ontbijt moet je eerst geslapen hebben. Lijf aan lijf geslapen hebben, dat jonge lijf, dat lijf met warme huid en licht haar in een streepje van de navel naar beneden, dat lijf met een nek die zoet zou zijn en met billen die rond zouden zijn. Jongensknieën. Er hing geen klok in het café maar iedereen was haastig, haastig werd er gedronken en snel werden er grappen geschreeuwd, de sax van haar lief gierde jachtig. Ze poogde tussen de wiegende mensen door naar haar saxofonist te kijken terwijl ze de vingers van de jongen voelde, echt voelde nu, de huid, grof, heet, heter dan de vingers die ze kende en die haar kenden en die ze vergat, even vergeten wilde.
De jongen was zomaar bij haar komen zitten omdat hij haar mooi vond. Hij had het leuk gevonden dat ze werkte aan de universiteit waar hij studeerde, wat ongelooflijk gek (hij zei: 'bizar') dat ze elkaar nooit gezien hadden. Als ze elkaar hadden gezien had hij haar echt wel onthouden. Zeker wel. Ze zag dat uit zijn rechteroor een stukje miste.
'Een haai,' zei hij, en ze mocht eraan voelen maar deed het niet.
'We gaan roken,' zei zij, ze had het pakje in zijn broekzak zien zitten.
In de vroege winterkou rookten ze met hun jassen aan en terwijl hij kringetjes blies voelde zij aan dat blozende oor.
'Een haai,' zei ze.
Er reden rammelende fietsen over de grachtenklinkers, zwart glimmende taxi's, zacht snorrende brommers, in het donkere water klokte een koet en boven hen waren geen sterren omdat de stad een pisgele vlek in de nacht was en hij zoende haar met zijn roze lippen, zacht, heel even. Zij deed het terug, hard, nu was het toch al gebeurd, zij was niet begonnen. Zijn huid was glad en rook naar anijs en citroen en leven en die sigaret, zijn handen hield hij stil maar zij legde de hare op zijn kruis. Hard.
Tegen de muur stonden ze nu, zij tegen hem aan, ze ritste zijn broek los. Hij droeg geen riem, terwijl ze daar uit gewoonte naar zocht. Een onderbroek met een gulp.
'Stop even,' zei hij, 'rustig aan even,' maar ze stopte niet.
'Niet doen nou.' De jongen probeerde haar hand weg te duwen. Hij had zacht gekreund bij het woord 'doen'. Hij vond het lekker. Ze voelde een ader onder haar vingers, ze wist niet wiens hartslag het was in haar hand.
'Laat me los' – alsof ze hem helemaal vast had, ook zijn armen en handen en benen, die benen die sterk voelden en zijn buik die ze af wilde likken. Dat zachte gezicht. Zoveel tijd had ze niet meer. Ze liet los en zakte op haar knieën, haar opwinding was pijnlijk en lekker en ze haalde eerst luid haar neus op, waarop hij voorover boog en vroeg of het wel goed met haar ging. Of ze nou aan het huilen was. Maar zij had haar mond al open, ze proefde zout en rook zweet, douchegel, wasmiddel. De anijsgeur was sterker.
'Shit,' zei hij, 'laat nou,' en hij deed een stap opzij, waardoor zij haast omviel, haar mond nog open.
Ze stond op terwijl hij zijn broek dichtritste. De jongen keek naar haar en zweeg, ook toen ze hem recht in de ogen keek bleef hij stil.
'Dat was echt niet cool,' zei hij ten slotte.
Hij veegde met de mouw van zijn jas over zijn wang en keek naar haar of ze een vies beest was, van het soort dat onaangekondigd uit afvoerputjes en bestekladen kruipt. Daarna keek hij of iemand hen gezien had en maakte hij zijn fiets los. De jongen reed zonder licht weg. Zij draaide zich om en ging 't café weer binnen. Met de rug van haar hand veegde ze haar mond af en daarna veegde ze met diezelfde hand de snippers van de haaienjongen van tafel. Er werd geapplaudisseerd voor het laatste nummer.
Haar saxofonist schoof aan, hij dronk cola en hij rook naar schors, zoals alles aan hem haar aan een herfstbos deed denken. Hij kuste haar met smalle droge lippen op haar wang. Ze sloot haar ogen, heel even, en dacht aan zwarte vogels, koeien in de kou, dieproze lippen en anijs.
'Je hebt staan roken' zei hij, 'je stinkt.'
'Ja,' zei ze, 'ik kwam iemand tegen.'

*

9 december las Roos van Rijswijk dit verhaal voor tijdens de Recensiewebavond rond 'De beste literaire seksscène van 2013' in Spui25.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog