Meen ik me te herinneren

Auteur versus schrijver V

Het onderscheid tussen schrijver en auteur is niet alleen voor schrijvers een item (voor auteurs is het geen item, behalve als ze moeten gaan schrijven of vragen krijgen over het schrijven zelf). Ook recensenten verwarren soms schrijvers met auteurs. Een prachtig voorbeeld werd me laatst toe gemaild door De Titaan, een literair tijdschrift uit het Zuiden dat alleen op papier verschijnt. Ik kreeg de pdf toegestuurd, kort na het verzoek of ik een stukje voor ze wilde schrijven. Om kennis te maken. Toevallig stond er een stukje over me in. De redactrice schreef in de mail: ‘Ik hoop dat je het leuk vindt.’

De Titaan doet niet aan recensies. Wel hebben ze Chrétien Breukers aangesteld om in elk nummer over een boek geen recensie te schrijven: een niet-recensie. Breukers schreef een niet-recensie over mijn roman De laatste ontsnapping. Het stukje begint met: ‘Jan van Mersbergen is een schrijver. Een man.’

In de tweede zin al gaat het niet meer over schrijven of over de roman, het gaat over mijn geslacht. Ik ben een man. Of het relevant is weet ik niet, maar dit heeft Breukers goed gezien. Hij gaat verder met een derde zin: ‘En zoals mannen zijn: hij loopt niet zo met zijn emoties te koop. Die verstopt hij liever in die wat bonkige taal van hem, in die zinnen die als een klompendans door zijn romans hobbelen.’

In een stuk dat begon over de schrijver Jan van Mersbergen wordt al in de derde zin een algemeenheid neergelegd die de helft van de wereldbevolking betreft: hoe mannen met hun emoties om gaan. Ik voel me niet geroepen deze aanname te bevestigen of te ontkrachten, het gaat me erom dat ze in een artikeltje over mij en over mijn boek worden geplaatst. Met welk doel? Is het ironie? Vermakelijk? Is het een statement? In ieder geval wordt de kwalificatie van mijn taal nergens verder geduid of toegelicht, sterker nog, verderop in het stuk zegt Breukers dat hij mijn laatste romans niet gelezen heeft. Hij baseert zijn oordeel op een herinnering aan een van mijn romans die hij las, maar daar kom ik straks aan toe. Voor nu is duidelijk: in deze niet-recensie gaat nog heel wat gezegd worden, maar over schrijven zal het niet gaan.

Breukers gaat verder: ‘Jan heeft onlangs een nieuw boek gepubliceerd: De laatste ontsnapping. Voor zover ik kan zien, is dat boek zeer goed ontvangen. Vier of vijf sterren hier, vier of vijf ballen elders. Alleen Arie Storm las ik er nog niet over. Ik ben benieuwd wat hij gaat vinden. Spaart hij de roede, of niet – dat is de vraag.’

De niet-recensent wrijft zijn handen warm bij de mogelijkheid dat Arie Storm in Het Parool deze roman zal afbranden. Het is bekend dat Storm daar niet voor terug deinst. Inmiddels heeft ook Storm een recensie over mijn roman geschreven. In die recensie legt hij uit welke perspectiefkeuze ik maak, hij noemt die keuze vernuftig. Een mooie constatering, ook voor mij als schrijver, omdat ik flink heb geworsteld met het vertelperspetief. Ook zegt Storm: ‘Knap schakelt Van Mersbergen tussen heden en verleden, zoals bijvoorbeeld in deze sfeervolle passage.’ Daarna laat Storm die passage zien en concludeert hij dat ‘deze roman met zorg en liefde is geschreven. Dat merk je aan alles.’ Arie Storm heeft in ieder geval de roman gelezen en de moeite genomen mijn schrijfkeuzes te duiden. Geen woord in zijn recensie over mijn geslacht, hobbys, over hoe het boek ontvangen is.

Voor de volledigheid: Storm gaf vier sterren.

Breukers leest ook de recensies over mijn romans niet meer, zo blijkt: ‘De recensies van Van Mersbergens werk zijn invuloefeningen. Men neme het woord ‘mannelijk’ en voege daar enige delen ‘kale stijl’ aan toe. Kruid het geheel met ‘ontroering’ en knijp een paar keer in de fles met ‘carnaval’ erop. Goed roeren. Drie dagen in een hooibaal bewaren en vervolgens op een zacht vuur laten garen.’

Eigenlijk is het ideaal, een niet-recensie. De roman hoeft niet gelezen te worden, recensies van anderen ook niet, alleen het beeld van de schrijver kan gevolgd te worden.

‘Waarom zou iemand daar nog een eigen recensie aan willen toevoegen?’ schrijft Breukers. ‘In de storm van positiviteit kun je bijna geen eigen positie meer innemen. Van Mersbergen heeft inmiddels een merkwaardige status bereikt: positieve recensies zijn de norm, negatieve recensies kunnen onmiddellijk worden weggezet als ‘rancuneus’. Zijn ster blinkt aan de literaire hemel, het wachten is op de sprong naar de literaire sterren (en bijbehorende verkoopcijfers). Knap is het allemaal wel, je op zo’n jonge leeftijd al los weten te zingen van pers en kritiek.’

Legt Breukers zich neer bij mijn vergaarde status die aan de hand van sterren en kreten gevormd wordt. In het vervolg van de niet-recensie maakt Breukers een zijsprong. We zijn nog niet ver genoeg afgedwaald. Wat volgt is de voorspelbare link met carnaval. Ook daarin geen inhoudelijk woord over mijn roman Naar de overkant van de nacht. Wel veel aannames:

‘Jan van Mersbergen houdt van carnaval. Dat is… fijn voor hem. Jaarlijks gaat hij, met een vriendengroep uit Amsterdam, naar Venlo (al bijna geen Limburg meer, maar dit terzijde (aanname 1)), om daar op te gaan in de feestende massa. Die feestende massa moet weinig hebben van al die ‘Hollanders’ die mee komen doen (aanname 2), maar ijzeren volharding en een zekere bonkigheid in het gedrag verschaften Jan een ereplekje tussen de zaate hermenie en de dansmariekes. Venlo en heel Limburg zijn als een blok voor gevallen voor Van Mersbergen, die zichzelf bijna belangrijker acht dan het carnaval zelf (aanname 3), wat helaas indruist tegen de geest ván carnaval. Nou ja, wie let daar op? Ik. Jan is inmiddels Limburgser dan de Limburgers. Die overigens lang niet allemaal carnaval vieren. Je hebt ook Limburgers die abstineren. Mensen zoals ik. Mensen die in het universum van Jan van Mersbergen al gauw tegen de muur oplopen van ellende.’

Vanzelfsprekend verdedig ik me niet tegen die aannames. Ik weet alleen niet goed wat ik er als schrijver mee moet. Zeker nu er een verzoek van het tijdschrift lag of ik een bijdrage wilde leveren, iets schrijven dus. Moest ik dat doen? Of moest ik het opgeroepen beeld bevestigen, een bonkig stuk schrijven over mijn carnavalsheld?

In het slot komt Breukers met: ‘Ik heb zelf ooit één boek van Jan van Mersbergen gelezen. Iets met een dolle hond, meen ik me te herinneren. De zo geroemde ‘kale stijl’ gaat op den duur wel behoorlijk op je zenuwen werken. Dat monotone geroezemoes van bewust niet zo mooie zinnen – gek word je ervan. Maar het was zeker niet slecht. Wat het dan wel was? Ik weet het niet. En ik ga ook niet uitvinden of ik het wel te weten kan komen. Jan van Mersbergen is er gewoon, en ik vermoed dat hij voorlopig nog wel even zal blijven’

Een dolle hond, dat is Breukers’ vage beeld. Opzoeken of het klopt is te veel moeite, een ‘meen ik me te herinneren’ volstaat. Wat belangrijker is: hij gaat mijn romans niet meer lezen, hij weet genoeg.

Toch verliest deze schrijver er geen lezer aan. Serieuze schrijvers willen geen lezers die een boek oppakken omdat de schrijver een man is, omdat de schrijver van Carnaval houdt, omdat de schrijver zichzelf belangrijker acht dan Carnaval, zo gaat het gerucht. Romans hebben lezers nodig die de moeite nemen het boek tot zich te nemen én af te maken, want zonder de beelden en verbanden en emoties die bij de lezer opkomen is de roman niks. Zonder die lezers is ook een schrijver niks dan een kartonnen poppetje met een imago. Dat poppetje noem ik: de auteur.

negen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog