Licht

Het objectieve subject

Ik heb het licht gezien. Nee, dat is niet positief. Onze literatuur wordt steeds lichter, en ik lees het in de krant. Meer light, moet ik zeggen volgens NRC, en nogmaals nee: dat heeft niets van doen met Goethes 'mehr Licht'. Al doet Dieuwertje Mertens, voorheen Parool, het even lijken alsof dit wel de laatste woorden van de Nederlandse literatuur zijn in 'Literatuur light rukt verder op' (2 mei 2014, €). Er komen namelijk steeds meer autobiografische, makkelijke, 'expliciete boeken op met weinig gelaagdheid'. Dat vinden en vinden niet twee recensenten (beide niet-NRC), een columniste/aspirerend schrijfster (wel NRC), twee uitgevers, een literair agent en een hoogleraar. Een fulltime schrijver, zeg P.F. Thomése of Herman Brusselmans, ontbreekt in dit voorbeeldige boekenvakberoepenlijstje. En een boekverkoper, mij vragen ze nooit iets, maar ik had waarschijnlijk de samenvatting onderschreven van de elkaar tegensprekende reacties: ach, dat valt wel mee.

Ik weet niet wat me meer tegenstaat: dat ja, er makkelijke boeken zijn, of dat nee we het daar niet over eens zijn, dat de opzet zo simpelweg slordig van een rondje boekenvak is, of dat het gaat om een stelling die ongetwijfeld al in Goethes tijd even hard werd beleden als weersproken? Dit is journalistiek light.

Geheugenverlies, ach en tja

Ja, het beperkte geheugen van de literaire journalistiek zit me denk ik het meeste dwars. Zo lang was het toch niet geleden, dat nietsige stuk in de Volkskrant waarin verschillende critici hun mening mochten geven over de stelling dat tegenstrijdige recensies schadelijk zijn, aangevuld met een gênant stuk waarin de Volkskrantrecensente bekende: 'Ik wilde het boek eigenlijk niet bespreken. Ik vond het niet goed genoeg. Maar door alle publiciteit was Het land 32 een boek geworden waar je niet omheen kom.' 12 april. Een week later (€) had Arjen Fortuin, een van de ondervraagden, het vakkundig weggeschreven in zijn column.

Dat het oude wijn in nieuwe, lekkende zakken was, betoogde Joost Nijsen al op de site van zijn uitgeverij Podium. Nijsen geeft Kluun uit, die met een autobiografisch, makkelijk en expliciet boek debuteerde. Hij schrijft: 'Tja. [...] Geen drama. [...] Altijd zo geweest.'

Maar de leeftijd van het probleem wil niet zeggen dat we het er niet over moeten hebben. Sterker nog, het is een van de interessantste dingen aan het vak van de recensent: bepalen waar de onder- en bovengrens van de kunst liggen. En vaststellen hoe het kan dat die grenzen niet hard en ondoordringbaar zijn. Een van de strenge recensenten uit Mertens' stuk is Joost de Vries. Hij stelde in Das Magazin vast dat zijn eigen, zojuist met de Gouden Uil bekroonde roman De republiek, niet vol zat met verwijzingen naar hoge literatuur, maar naar Lord of the Rings. Ik zeg het u maar even autobiografisch, makkelijk en vooral expliciet: ik vind dat op de grens, en daar moet het over gaan.

Er zijn meerdere antwoorden goed

De Vries nu is ook een recensent die op zoek gaat naar de grenzen om de literatuur en andere cultuurvormen. Het recept daarvoor: ruimhartig citeren, becommentariëren, analyseren, vergelijken, doorlezen, citeren, etcetera. Een goede recensie schrijven. Of, als een boek zoveel vragen oproept dat je daadwerkelijk iets kan zeggen over De Literatuur (light of mehr Licht), een essay.

Ergens daartussenin: een blog. Iets minder: een tweet. Als het maar uitgesproken is, eigen, beargumenteerd. Optie E, waarvoor de krant ditmaal gekozen heeft, is een nietsig meerdere-meningenstuk van 1.387 woorden.

En dat terwijl optie A een uitstekende track record heeft in deze boekenbijlage. 'De recensent is echt een journalist geworden. En meer in het belang van de lezer gaan schrijven,' stelde NRC-criticus en literatuurchef Arjen Fortuin in het Volkskrant-meningenstuk. Maar de beste recensent verenigt academische analytische vaardigheden en essayistische vergezichten met een journalistieke publieksopvatting. Hij kan een alinea ontleden op stijl, een boek in oeuvres, literatuurgeschiedenis en tijd plaatsen - en daar toegankelijk over schrijven.

Alleen toegankelijk schrijven volstaat niet, en het hoeft ook niet, laat Fortuin zelf zien, ook als we ons op dit onderwerp concentreren. Met Brusselmans (literatuurwetenschappers van Mars zouden 'concluderen dat die Herman Brusselmans een manier zoekt om een hedendaagse Leopold Bloom van een stem te voorzien') of Thomése ('Want Thomése mag het boek de vorm gegeven hebben van een lang caféverhaal, het is natuurlijk ook bedoeld als literatuur.'). Brusselmans is interessant omdat hij het autobiografische en het gemak nooit uit de weg gaat, Thomése omdat hij bovendien ook andere registers dan het platte niet uit de weg gaat. En het zijn geen debutanten meer. Je kunt ze niet onbeargumenteerd wegzetten als voorbeelden van een onvolmaakte literatuur.

Grensovergangen bij Thomése

Tussen droom en daad staan praktische bezwaren in de weg en ergernis, schreef nooit een groot Vlaams schrijver, en mijn droom was te schrijven over P.F. Thoméses Schaduwkind en over hoe dat boek aantoont dat essay, memoire en fictie ook op niveau van stijl aan andere wetten gehoorzamen. Om via een omweg de vraag nu wel te beantwoorden die me deze week tweemaal gesteld werd: geloven jullie zelf ook in Revisor-proza?

Maar over die genregrenzen maak ik me nu eens niet druk. Dus we beginnen elders. Bij het begin. Pagina 9.

'Wacht eens even, vriend. Al sta je met je doorleefde kanis wederom op het omslag, het is nog altijd mijn roman. En dan ga je niet uitgebreid liggen onaneren alsof je thuis bent. Op de eerste pagina nog wel, gatverdamme. Dat doe je niet. Zo werkt literatuur niet. Daar zijn we het met zijn allen zo langzamerhand wel over eens.'

P.F. Thomése maakt het al in het 'Voorspel' van Het Bamischandaal moeilijk. Hij was kort daarvoor wel uiterst expliciet - J. Kessels ligt, kort gezegd, verder te rukken op een hotelkamer in Shanghai - en wekt de schijn van autobiografie. Kessels bestaat, en de ik van deze roman heet Frans Thomése. Maar hier wordt de schrijver meteen al metaliterair, hij suggereert dat een personage iets kan doen wat hij niet wil. En dat dat niet kan. Zeker niet in de literatuur, dat vindt iedereen.

Ik laat de grap maar meteen doodslaan als een vers glas Oranjeboombier, maar in twee alinea's slaagt Thomése erin om de logische eenheid makkelijk, expliciet en autobiografisch te laten botsen. De grap is niet dat iemand zich ligt af te trekken, de grap is dat dat blijkbaar is geschreven zonder instemming van de schrijver. Waarmee je meteen moet vaststellen dat dit niet autobiografie pur sang is. Er klopt iets niet. Maar wat? Gelaagd.

We hebben het niet over stijl, dat lijkt Mertens ook niets te interesseren, en de eerste zinnen van hoofdstuk 1 geven genoeg voer voor een opmerking over stijl.

Het hele zaakje kwam aan het rollen door een telefoontje van Peer Sonnemans. Dat deed hij anders nooit, Peerke, mij bellen. Maar nu dus wel.
Ik moest even nadenken wie hij ook alweer was, want zo iemand is het. J. Kessels kende hem van vroeger, en dat was eigenlijk altijd zo gebleven. Verder viel er niet veel over hem te zeggen.

Er is, geachte inzenders van ongevraagde kopij, een manier om een kort verhaal te beginnen die de kansen op doorlezen sterk verkleint: de volle naam van een personage te noemen. En dan vervolgens uit te leggen wie dat personage is. Thomése maakt een schijnbeweging. Hij doet dat niet, hij zegt niets in een handvol gemeenplaatsen ('Dat deed hij anders nooit', 'want zo iemand is het', 'van vroeger', 'dat was eigenlijk altijd zo gebleven', 'niet veel over hem te zeggen') die precies verkeerd aansluiten op het voorgaande. Dat is knap, en consistent.

Is het literair? Het is op de grens.

Gemengde ontvangst

Je mag het vergelijken met een passage in De weldoener, waarin de hoofdpersoon niet Thomése is, en niet bij volle zinnen. Er is een alwetende verteller. Er is een gênante situatie. En het is niet zonder ironie, maar wel met een registerverschil. De gemeenplaatsen zijn niet plat maar al te verheven. Maar eenmaal sprekend opgevoerd neem je de hoofdpersoon even niet meer serieus.

Hij moet eventjes in slaap zijn gevallen, want het is de ringtone van zijn mobiel die hem terugroept. Ghislaine, bromt hij, het is vast Ghislaine. Even is hij alles kwijt. Hoe laat is het in godsnaam? Waar zijn we? Welke dag? Buiten is het nog gewoon nacht, stelt hij vast. Hij bevindt zich nog steeds in het heelal. Koers onveranderd. Coördinaten vooralsnog onbekend.
"Jaaah?" Zijn stem komt al uit hem voordat hij erg in heeft. Hij kan het nummer niet goed lezen, maar Ghislaine is het niet, dat ziet hij meteen.
Beertje!

Ik meen me te herinneren dat Het Bamischandaal een gemengde ontvangst kreeg, iets waarvan het makkelijke meningenstuk in de Volkskrant vorige maand zich afvroeg of we dat wel moeten willen. Dat moeten we. Dit soort boeken roept vragen op. Dat De weldoener minder controverse opriep (Marja Pruis en Arjan Peters waren minder positief, de collega's niet), dat critici daarover minder twijfelden, dat pleit niet voor ze. 'Joost de Vries stelt zich bij ieder boek dat hij bespreekt de vraag: is dit literair,' tekende Mertens op in haar stuk. Die vraag doet ertoe, die wel.

En het antwoord mag variëren: meer donker, meer licht.

Eén reactie

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog