Dat er wat moet missen in een telefoongesprek

Het objectieve subject

Lees eens literatuur, citeer wat, probeer onder woorden te brengen wat er meer of minder literair was. Dat bepleitte ik vorige maand in mijn stuk over makkelijke journalistiek over makkelijke literatuur. Vorige maand deed ik dat met P.F. Thoméses Het Bamischandaal en De Weldoener, met een telefoonscène: de hoofdpersoon wordt gebeld. Zelfs over zoiets simpels valt belachelijk veel te zeggen. Hoeveel? En wat schiet je ermee op? Een aanzet voor de telefoontest, een soort page 69-test met afvinklijstje, en twee titels die in de discussie over de grenzen van literatuur een rol speelden: Mano Bouzamours De belofte van Pisa (literatuur light, volgens Dieuwertje Mertens) en Franca Treurs De woongroep (wel degelijk zware literatuur, volgens Niña Weijers).

Goed. De telefoon gaat. Wat nu?

Waarom?

Waarom wordt er gebeld in boeken? Er zijn romans, ook hedendaagse romans, waarin de telefoon nooit gaat. Maar er zijn ook romans zonder seksscènes of bevallingsscènes, of, als we toch aan het lukraak categoriseren zijn, zonder café's, verjaardagsfeestjes, alcohol, soldaten, uitverkoop. Maar je kunt wel zeggen dat je bij deze kunstmatige dialoogvorm niet alleen stijl, karaktertekening, realisme, beeldgebruik, maar ook veel achtergrondtekening en plotwendingen tegenkomt. Terwijl er niets gebeurt. Mensen praten, ze doen niets, er is niet fysieks aan een telefoongesprek. Het is een overgangsscène. De voorbeelden van P.F. Thomése laten zien hoe leeg een telefoontje gevoerd kan worden, en hoeveel hij kan zeggen.

Thoméses hoofdpersoon in De weldoener, Sierk Wolffensperger, heette ooit Theo Kiers, en het contrast tussen zijn hoogdravende ambitie als componist en zijn nederige afkomst is evident in de korte verwarring bij het afgaan van de telefoon. Thomése zoekt in Het bamischandaal het contrast tússen de sprekers. Hij voert zichzelf op als personage, pratend in sofismen en in zichzelf verstrikte gemeenplaatsen, en zet aan de andere kant van de lijn boerenkinkel Peerke, in complete verwarring. Hij speelt in kort bestek met stijl en register en zet daarmee een complexe karaktertekening neer, dusdanig complex dat je het gevoel hebt iets te missen. Hoe serieus moeten we dit personage nemen? Zien we wel alles? En hij doet dat op het moment dat een stevige plotwending inzet, kortgezegd: de hoofdpersoon zet moedwillig een (volgende) stap de gore ellende in. Moedwillig, maar we begrijpen niet helemaal waarom.

De complexiteit van de scène, de mate van nuance, zegt iets over hoe literair een scène is. In technische zin, misschien zelfs in kwalitatieve zin. Ik zou die twee opvattingen van literatuur - complexe teksten tegenover goede teksten - willen proberen te scheiden. Ik neem twee boeken waarvan de kwaliteit omstreden is, de graad van literatuur betwist is, en beperk me tot een technische analyse.

Functie, context, motivatie, register, cliché, dialoog, niet-dialoog

‘Ik hoorde pianogeluiden, Mozarts Eine Kleine Nachtmusik. Mijn telefoon ging over. Een van de jongens op de hoek hoorde dat ook.
Grizzlybeer zei: “Pianoringtone? Wat een homo!”
“Ik speel piano. Wat is daar mis mee?”
“Als je dat zelf niet weet, ga ik het je niet uitleggen, pianistje.”
“Je kan het niet uitleggen omdat je een idioot bent. En je moeder is een homo. En als je wilt vechten, ik sta precies hier.”

[Sam overweegt om het gevecht aan te gaan, als generale repetitie voor het pak slaag dat hij de verrader van zijn broer gaat geven. Maar:]

Tazz, ik mat niet met muzikantjes.”
“Dat is maar goed ook, pikkentrekker. Ik had je een toontje lager laten zingen.”
Ik zag dat Ys belde. Ik distantieerde mij van de menigte op de hoek en nam op. Ys vroeg of ik al g-g-g-g-gegeten had.
“Een paar patatjes maar niet echt gegeten.”
Hij vroeg of ik met zijn ouders wilde eten in het Okura Hotel.
“Nee, andere keer.”
Hij zei dat ik dat de vorige keer ook al zei.
“Gaan je ouders geen domme dingen vragen?”
Hij zei van niet.

Een telefoongesprek heeft een functie voor het verhaal: het verbindt personages die fysiek niet bij elkaar kunnen zijn. Een kunstgreep. Maar de Thomésevoorbeelden lieten het al zien: de informatie uit het gesprek kan cruciaal zijn, een wending in het verhaal teweeg brengen. In deze scène: een uitnodiging om de afstand te overbruggen. Maar Bouzamour zet de scène in om ook de figuurlijke afstand tussen De Pijp en het Okura te benadrukken.

Het telefoontje onderbreekt de handeling, in dit geval hangen met 'zeker elfhonderd man op de hoek van de Van Woustraat en de Carillonstraat', onder wie zeker negen Mohammeds. En dus grijpt Bouzamour het telefoontje aan om contrast te creëren tussen de hangjongeren en het intellectuele buitenbeentje dat Sam is, tussen de klassieke ringtone en de vechtlust van Grizzlybeer. Én om te laten vallen dat Sam grote gewelddadige plannen heeft.

Bouzamour past zijn stijl aan op het cultuurverschil: Sam is een nette jongeman die in schrijftaal-ABN communiceert, zodat zelfs 'pikkentrekker' oud-Zuids klinkt en een cliché als 'een toontje lager zingen' bij hem vanzelfsprekend overkomt. Om dat vol te houden, is het telefoongesprek zelf vervolgens niet een echt gesprek. Ys wordt in indirecte rede weergegeven.

Gelaagd of licht?

Er valt meer te zeuren over deze scène. Hij is bijzonder indirect, of zelfs onhandig geschreven. Wie hoort nu eerst muziek en herkent het daarna als zijn ringtone? Hoe kan een van de jongens op de hoek, een anonymus dus, meteen daarna een naam hebben? Waarom moet de ik zich zo kakkineus 'distantiëren van de menigte'? Waarom een spraakgebrek in de indirecte rede? Waarom die herhaling ('Ys vroeg', 'Hij vroeg', 'Hij zei', 'Hij zei')? En zit er niet te veel informatie in zo'n beperkte scène (in totaal net iets meer dan een boekpagina, 170-171 om precies te zijn)?

Maakt die kritiek deze scène minder literair? Doet de afwezigheid van beeldspraak, ironie, literaire verwijzingen dat? (Of is de kakkineuze registerwijziging ironie?) Of volstaat het dat Bouzamour een kunstgreep toepast, speelt met de plot, gelaagdheid zoekt in de stijl? Waar wordt literatuur light? Of slecht? Mertens betoogde in haar NRC-stuk dat die lichte literatuur 'makkelijk, expliciet en autobiografisch' was. Hoe vertaal je dat naar het niveau van een scène? Is dit makkelijk? Nou... Expliciet? Tja. Autobiografisch?

Ruziedialoog en indirecte overeenstemming

Treur gebruikt in haar roman, waarin Eleonore, een 'contentmanager' niet meer weet wat ze met haar leven moet en het zoekt in een woongroep, ook een telefoontje om twee werelden te laten botsen. Die van haar vriend, de burgerlijke Erik, die al jaren een documentaire over de Tweede Wereldoorlog aan het maken is, en die van de idealistische woongroep.

‘We wachten op een telefoontje. Natuurlijk ben ik het vooral die wacht, maar mijn gespannen blikken op mijn telefoon zijn Erik niet ontgaan. Ik heb hem verteld van het gesprek, de blunder die ik beging. Hij had enkel gezucht, omdat hij de nauwelijks bedwongen opwinding in mijn stem had gehoord.
Uiterlijk vrijdag zouden ze bellen. Dat is het nu.
“Denk je dat ik ze zelf kan bellen?” vraag ik.
“Kut,” zegt Erik
“Nou, wat intelligent weer,” zeg ik.
“Iets wat kort uitgedrukt is, kan de vrucht zijn van lang nadenken. En hoe meer ik erover nadenk, hoe slechter ik het plan vind. Kijk dan. Die antifa's zijn compeet gestoord!”
“Het zíjn geen antifá-has,” zeg ik. “Hoe vaak ga je dat eigenlijk nog zeggen? Ze demonstreren met stoepkrijt.”
“Dat zeg jij,” zegt Erik. Hij wil dat ik over zijn blote schouder mee kom kijken, hij heeft iets bijzonders ontdekt, een of andere foto.
Hij kijkt op van het beeldscherm, zodat ik zijn gezicht kan zien, hoe het glimt van ingespannen turen.
Ik zeg dat ik er niet over denk om te komen kijken, zolang hij die mensen antifa's blijft noemen. Daar lig ik dus veel te lekker voor, hij moest eens weten hoe lekker ik hier lig, dan lagen we nu ons zweet te vermengen, in plaats van dat hij daar maar zit, zijn tijd te verdoen met foto's van mensen die hem toch niet interesseren.

[Zo gezegd, zo gedaan. Terwijl ze doorruziën over de woongroep, verleidt Eleonore Erik.]

Langzaam ga ik met mijn lichaam op en neer en kus hem bij iedere keer dat ik neerkom. Op zijn lippen, op zijn neus, op de stoppeltjes op zijn kin.
Dan gaat mijn telefoon. Erik heeft er Robbie Williams in gestopt, If there's somebody calling me on, she is the one. Eerst vond ik het stom, nu vind ik het wel geinig, want het is Annerie uit de woongroep. Ze zegt dat ik van alle hospitanten degene ben naar wie ze het meest nieuwsgierig zijn en dat ze daarom mij graag als huisgenoot willen, wat ik vleierij vind die me natuurlijk toch verschrikkelijk vleit. Ik weet niet zo goed wat ik moet antwoorden, ik ben net van Erik af gerold en ik lig hier in mijn blote reet, maar ik zeg wel iets van zeven keer “fantastisch, fantastisch, fantastisch“!&srquo;

Ook hier: eerst een ruziedialoog ter plaatse, onderbroken door een intermezzo (daar introspectie, hier actie), alvorens het telefoongesprek gevoerd wordt. Er is een onuitgesproken conflict tussen het personage uit de ene en het telefonerende personage uit de andere wereld. De hoofdpersoon zit er tussenin. De spreker aan de andere kant van de lijn wordt ook door Treur niet sprekend opgevoerd. Daar zit een logica in: als je het gesprek in zijn geheel weergeeft, verdwijnt de concentratie op de hoofdpersoon. De situatie wordt gelijkwaardig. En waar Treur dat wel wil tussen Eleonore en Erik (Bouzamour: Sam en Grizzlybeer), wil ze dat in deze fase van de roman niet met Annerie (Bouzamour: Ys).

Ook hier: geen hoog register. Eleonore is niet dom, maar - en daar is enig contrast met Erik ('de vrucht van lang nadenken') - 'stom', 'geinig' en 'blote kont' zijn geen ingewikkelde woorden.

De verschillen met Bouzamour zitten hem in tempo en toon. Treur gebruikt vier pagina's (77-80) voor de discussie- en verleidingsscène met telefoonslot, een tempo dat de hoge temperatuur en huiskamersfeer past. Ze benadrukt geen cultuurverschillen, maar verschillen in opvattingen, en laat zien dat die doorwerken in de elkaar uitsluitende keuzes waar haar hoofdpersoon voor staat. En hoewel Eleonore geen academisch spreker is, is ze weinig direct. Treurs toon ligt in het verlengde van de voorgaande pagina's: zelfbewust, ironisch, betweterig, de fundamentele onzekerheid van haar personage verbloemend. Gedurende de scène blijft de vertelstem zo ('vleierij die me natuurlijk toch verschrikkelijk vleit'), maar het contrast tussen de snedige dialoog vóór het telefoontje en de overgave in de reactie erop is tekenend: hier kíést iemand. En niet voor Erik. Net als Bouzamour laat Treur hier dus bovendien iets zien van de toekomst van de hoofdpersoon, alleen meer door suggestie van het seksloze tijdperk dan door het uit te spellen.

(In de meeste romans zit ook geen telefoonseks.)

Het moet missen

Bij nader inzien is in ieder geval Mertens' van Joost de Vries overgenomen kwalificatie in zoverre zinnig, dat je wel kunt zeggen dat Treurs scène implicieter is, en dus beter/zwaarder. Door de ironie, maar ook doordat er niet al hele scenario's uitgewerkt worden. Bij eerste lezing mis je informatie die paradoxaal genoeg aan belang wint als je het hele boek bekijkt, als je terugleest. Een stap verder zien we Thomése op zinsniveau de gesprekspartners laten spartelen (met een term van Thomése uit Het bamischandaal), en niet alleen in register en perspectief maar ook in karaktertekening effectieve keuzes maken.

Dus dit is de checklist.

  • Kan de scène gemist worden voor het verhaal? (Urgentie voor de plot.)
  • Hoeveel aanhalingstekens missen er? (Verhouding directe-indirecte rede.)
  • Hoeveel achtergrondinformatie over de gesprekspartners ontbreekt er? (Botsende werelden, uitgespeld of niet.)
  • Is er een vertelfilter op de werkelijkheid? (Perspectief, ironie.)
  • Hoe indirect is de vertelstem?
  • Hoe consistent stijl en register?
  • Is er spanning? Verrasing? Verwarring?

Ik sta in voor de onbruikbaarheid van deze lijst. Want naar welke zaken je ook kijkt, een scène kan technisch gezien literair zien, gelaagd zijn, maar niet geslaagd zijn. Het slagen is vooral afhankelijk van de dosering: niet te veel ('distantiëren van de menigte'), niet te weinig. Het verschil is gradueel en genuanceerd. Maar de basis is: er moet iets ontbreken. En voor dat iets lees je door.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten? En hoe?

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog