, 18 Juni 2014

Vogels in de molen

Jij hebt je beurt gehad, gedicht!

'Ik zie mezelf en mijn gedichten niet meer als synoniem. Ik weet niet eens of ik het altijd met ze eens ben. We zijn vrienden, ja, zolang ze me maar niet proberen te bekeren. Er is een marge van verschil tussen een auteur en zijn gedicht. In die marge ligt de magie van de poëzie besloten.'

Aan het woord is de Zuid-Afrikaan Charl-Pierre Naudé. Het is helemaal niet zo’n vreemde gedachte, dichter en gedicht vallen zelden samen, maar hij verwoordt het mooi. Naudé schrijft dat de autonomie van de poëzie besloten is in het verschil tussen dichter en gedicht. ‘Dichtkunst is een organisme dat met ons vergroeid is, maar dat zich onafhankelijk beweegt en voor zichzelf denkt.’

Het is gevaarlijk op al te esoterische verklaringen aan te sturen, maar daar is Naudé volgens mij niet op uit. Als de gedichten eenmaal af zijn, dan staan ze daar maar een beetje. Je kunt schuldbewust naar ze kijken, o ja dat is die en die waar ik het een en ander mee te stellen heb gehad. Het mooie is dat de dichter niet door ze bekeerd wil worden: jij hebt je beurt gehad, gedicht, laat mij nu maar los om aan iets anders te werken.

Gedichten kunnen soms terugkeren door klankherhalingen. ‘Niets sterft vrijwillig in Port Bou’ uit mijn eerste bundel was de opmaat van ‘Niemand zwijgt langdurig in Bar Ernst’ uit de tweede. Verwijst de eerste naar de ‘onvrijwillige zelfmoord’ van Walter Benjamin in Port Bou, die er verzwakt en strandde nadat hij werd tegengehouden door de Carabinieri. In het lieflijke slaperige badplaatsje dat het nu is, lijkt zelfmoord bijna onmogelijk. De echo ervan in de tweede bundel lijkt aan The Importance of Being Earnest van Oscar Wilde te refereren. Het is belangrijk om ernstig te zijn en ook nog eens Ernst te heten. Het was een onbedoelde referentie. Bar Ernst is een café in de nieuwbouw van de Hobbemastraat, in het huizenblok op de hoek van de Vaillantlaan om precies te zijn, de hoofdweg naar de Haagse markt die dwars door de Schilderswijk gaat. Er plakt glitter op de spiegel en er draaien lichten via een discobol langs – en de vriendin van de uitbater die in het midden van de nieuwe zaak aan het dansen is geslagen heeft een grote zilveren gesp aan de riem rond haar smalle taille. Daar reflecteert opnieuw dat het licht in. Er hangt een onhandig opgehangen diascherm in het raam voor voetbalwedstrijden en songfestival, waarachter omwoners schichtig voorbij lopen. Dat het er niet pluis is hoor je mij niet zeggen, wel dat de bezoekers zelden lang stil op een kruk zitten.

Of ik nu nog vlak achter het gedicht sta, dat doet er helemaal niet toe. Het gaat om het sjabloon van het ene gedicht voor het andere. Iemand is een verhaal aan het vertellen over een reis of een dag aan het strand en zegt plotseling: niets sterft vrijwillig in Port Bou. Het is een opmerking tussen de strofes door en die opmerking krijgt een nadruk, hij moet op zichzelf staan, als een dichtregel die wit opeist. Dat zorgt met name voor een klankelement, een bepaald patroon. De opmerking over het niet langdurig zwijgen in de nieuwe kroeg geeft even rust in het gedicht en hup daarna kun je door met de beschrijving van de plek. Regel a past op regel b, het is leentjebuur uit eigen werk.

In nieuwe gedichten waar ik aan werk gebeurt hetzelfde, maar daar gaat het om twee regels. ‘Trompet in de branding / zeewier op de oever’ is een distichon, twee korte regeltjes  die met elkaar verband houden. Wie heeft er nou een trompet in zee laten vallen of gegooid, waarom spoelt die aan op het smalle strand van Vlissingen, pal voor de kantine van het Verenigd Vlaamse Loodswezen, waar vanuit de scheepjes de Schelde op gaan? Aan de ronde repen zeewier zie je hoe ver de golven bij vloed kunnen komen, hoe hoog de kade op. Dat heeft een Haiku-element waar ik helemaal niet van houd – ‘het enige dat mij echt zorgen baart is de grote interesse in de Haiku in de Verenigde Staten en Canada,’ zei ooit een Poolse dichter op Poetry International droogkomisch. Misschien komt die haiku door het schijnverband tussen het wier en die trompet. Een verband dat er helemaal niet is en toch wordt gesuggereerd.

‘Klap van de molen. / Vogels in de wieken.’ Nog zo een. Geheel en al ontstaan omdat ik de dreun van die trompet in de branding niet uit mijn hoofd kreeg. Ik had nog geen afscheid genomen van het vorige gedicht voor ik aan het nieuwe begon. Nog niet beseft dat ik dat gedicht met rust moest laten. En vooral dat gedicht mij.

Als de molenaar tijdelijk de molen sluit staan de wieken in een andere stand dan als hij die dag niet meer terug komt. Is er een begrafenis aan de hand dan staan de wieken anders dan bij een bruiloft. En als ze stilstaan komen er vogeltjes op en die landen in de wieken. Waar ze getweeën zitten. Even logisch als onlogisch als de samenhang van die twee regels. Wie een klap van de molen krijgt is van lotje getikt of moet gewoon naar het ziekenhuis, als het niet al het sterfhuis is.

Is best gevaarlijk hoor, als Nederlandse dichter op reis gaan en dan ook nog over molens dichten. Gelukkig ben ik het gedicht niet. Poëzie is een ‘spreken in talen’, zegt Naudé. Hij wil op het verschil tussen dichter en gedicht aankoersen. Dat is wat hij nastreeft.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog