Collegialiteit

Auteur versus schrijver VII

Op zaterdag 14 juni vond het Das Magazin-ufestival plaats, een groot leesclubfestival waar ruim 25 schrijvers op verschillende lokaties in Amsterdam een groepje lezers ontvangen. Voordat het festival begon aten alle schrijvers en gespreksleiders samen op een buitenlokatie tussen loodsen ergens verstopt op de Oostelijke eilanden. Schrijvers die samen eten zijn auteurs; collega’s onder elkaar.

Waar praten zij over?

Liever niet over schrijven.

Alex Boogers was er ook. Jeroen Vullings bracht onlangs in Vrij Nederland Alex Boogers in verband met mijn naam, in een lang stuk over de selectie van de tien beste jonge schrijvers van dit moment, ook door Das Magazin. Ook was zijn inleiding een reactie op het vorige stuk in deze reeks.

‘We hebben het bij Van Mersbergen en zijn merry bunch over gezellige collega’s van min of meer dezelfde leeftijd die min of meer tezelfdertijd debuteerden. De schrijversgeneratie als gezelligheidsvereniging, de drank vloeit en diepdoorvoelde collegialiteit wasemt uit, iedereen is lief voor elkaar, daar moeten we in het geval van Van Mersbergen, Carolina Trujillo, Alex Boogers, Henk van Straten en volgens mij ook Ivo Victoria aan denken.’

Drie dagen na het Das Magazin-festival las ik over een gezelligheidsvereniging en dacht ik terug aan Alex Boogers, die jarig was die zaterdag van het festival. Tijdens het eten werd er een taart met daarop sterretjes het terrein opgedragen en op zijn tafel gezet. Alex Boogers is een schrijver die thuis op zijn best is, die zich vastbijt in verhaallijnen, in de sfeer die een boek moet ademen, in karakters. Hij is een schrijver die zich eenzelfde soort tempo van publiceren heeft opgelegd dan ik; hij werkt aan zijn achtste roman. Die verjaardagstaart en het daaropvolgende Lang zal-ie leven liet hij gelaten over zich heenkomen.

Daarvoor zei hij wel tegen me: Volgend jaar een nieuwe.
Ik zei: Die van mij komt het jaar erop.
Hij vloekte. Je moet schrijven, zei hij.
Dat doe ik, antwoordde ik.

Nu kennen schrijvers elkaar voornamelijk als auteurs, want schrijven doen ze op zichzelf en je ziet elkaar op presentaties of op zo’n festival, en dat schrijf je niet, dan zijn schrijvers allemaal auteurs. In de gezelligheidsvereniging die Vullings oproept zal geen van de schrijvers die hij noemt zich herkennen. Met Alex spreek ik soms af, dan kletsen we wat bij. Zonder drank, Alex drinkt niet. Hetzelfde geldt voor Henk van Straten, soms reageren we op elkaars twitterberichten. Ivo Victoria geeft net als ik les bij Artez in Arnhem, allebei verzorgen we een blok 'Tekst en stijl' voor de eerstejaars Creative Writing, en we spreken elkaar soms over het festival waar Ivo voor werkt of bij de show die hij presenteert. Met Carolina Trujillo heb ik geen contact.

‘Hoe weet ik dit,’ vraagt Jeroen Vullings zich af, van die gezelligheid. ‘Van internet, vooral van de sociale media, waarin je makkelijker vriendschap oploopt dan schurft. Allemaal buitenliteraire kennis waar je niks aan hebt bij het lezen van hun boeken.’ Dat klopt. Twitter en Facebook kunnen een contact en intimiteit doen vermoeden dat in werkelijkheid minimaal is. Voor gezelligheid zoek ik mijn vrienden op of ga ik naar mijn voetbalclub. Bovendien praten schijvers onderling zelden over schrijven omwille van de gezelligheid, maar omdat schrijvers soms niet wijs willen doen over hun vak, omdat ze elkaar niet openlijk willen bekritsieren, of de schijn willen wekken dat te doen. Oncollegiaal is dat.

Tijdens het eten zat ik naast de Spaanse schrijver. Jesús Carrasco. Ik las de vertaling van zijn boek met de geit voorop, en zei hem aan de picknicktafel tussen de loodsen dat ik het zo bijzonder vond dat de hoofdpersoon van zijn boek op de eerste twintig pagina’s heel vaak gaat slapen en ook steeds weer wakker wordt, soms wel een paar keer op een dag, waardoor Carrasco het boek direct een vervreemdende tijdspanne geeft. Er verstrijken geen tien dagen, de jongen wordt binnen vier dagen tien keer wakker, en al die keren worden benoemd. De plaats is bekend: een olijfboomgaard. En de verteller is op afstand, dat geeft de schrijver de mogelijkheid met die tijd te spelen, als enige variabele. Interessant, zei ik hem.

Carrasco knikte vriendelijk. Het was een technisch punt waarin geen kritiek school, ik bracht het vriendelijk en we aten kip en salade met aardappel en ansjovis — Carrasco liet de ansjovis liggen aan de rand van zijn bord. We dronken een biertje. We waren collega’s en we hoopten die avond nog meer over tijd en plaats en perspectief te praten, met lezers.

Mijn leesclub vond plaats in de bibliotheek van Artis en werd geleid door Lucky Fonz III, oftewel Otto Wichers. Hij liet vooral de lezers spreken. Tegen mij zei hij: Jij hoeft alleen maar mooi te zijn. Vervolgens maakte hij een rondje langs alle aanwezige lezers. Ze stelden zich voor en mochten vertellen wat ze van mijn boek vonden, wat hen opgevallen was, wat ze goed of minder goed vonden. Er was een man bij die meteen zei: Ik schrijf zelf ook. Hij vertelde dat hij ‘zelfs al een contract had bij een uitgeverij’, en dat er één ding irritant was aan mijn boek, iets over de verteller, die was vervelend of soms niet helder of hij keek te veel op tegen die andere man in het boek... Ik weet het niet meer precies. Ik zat daar en hoorde alleen dat er iets met mijn boek mis was.

Ik wilde hem vragen hoe laat zijn leesclub begon. En waar die was. Maar dat deed ik niet. Ik zei niks. Was dit een lezer die mijn boek hier af ging zeiken, in een groepje? Was dit een schrijver die zelf ook zoiets wilde? Een publiek, aandacht, erkenning?

Ik deed of ik er geen moeite mee had, met die kritiek. Toch was het niet alleen kritiek. Het was in een groep, besefte ik later. Dan spelen ook andere dingen. In een groep is het gebruikelijk dat je een plek verovert, dat je laat zien wie je bent of juist niet, dat je soms anderen imponeert en soms juist niet, dat je blijft geeft de stof goed te beheersen en iets toe kunt voegen, tegenover de anderen wil je slim zijn, en de juiste woorden kiezen. In een groep spelen karakters. Ik was hier de schrijver, mijn boek lag hier op tafel, mijn boek werd besproken. Wat moest ik met een andere schrijver die lezer was maar niet alleen lezer wilde zijn. Hij had kritiek en wilde zijn woorden kracht bij zetten door eraan toe te voegen dat hij zelf ook schrijft. Denk ik.

Het was erg raar. De sfeer was wel goed en die man was erg aardig, toch klopte het moment van kritiek niet. Het boek is al af. Gefundeerde en oprechte en heldere kritiek in een redactionele fase is zeer welkom. Dat doet mijn redacteur en verder niemand. Lezers zullen ook van alles van mijn romans vinden en soms komt dat tot me, maar slechte verhalen hoor ik liever niet. Recensies heten niet voor niets kritieken, maar ze zijn geschreven door professionals op afstand. Deze kritiek tijdens het leesclubfestival bereikte alleen de besloten groep en ik zat er bij. Ergens was het heel veilig en anoniem, anders dan een recensie in de krant waar de naam van de recensent altijd bij staat. Ergens was het confronterend, maar dan vooral voor mij. Ik moest in ieder geval moeite doen het gezellig te houden. Het idee van Otto om de vrijwilliger die onze avond begeleidde een extra fles jenever te laten halen vond ik zeer geslaagd. Ik gaf haar twee tientjes mee en even later dronken we allemaal een borreltje.

Een schrijver samenbrengen met een groep lezers om vervolgens over het boek te praten is een goed idee, dan is het helder: de schrijver levert iets af, de lezers delen hun ervaringen. Een schrijver bij een groep critici zetten die hun mening spuien over de keuzes die de schrijver gemaakt heeft, de mogelijkheden die gemist zijn of onbenut zijn gelaten, of de personages die misschien beter dit of dat hadden kunnen zeggen, dat is vreselijk. Nu was de opzet van iedere leesclub anders en zijn de meeste lezers bescheiden, maar die ene schrijver die als lezer deel mocht nemen aan het festival en die rol af en toe met zijn ambitie verwarde, maakte de avond bijzonder vreemd.

Het leesclubfestival ziet er op het eerste oog gezellig uit maar met gezelligheid had het niet veel te maken. Gezelligheid onder schrijvers houdt in dat je met elkaar niet over elkaars werk spreekt, zeker niet als er anderen bij zijn.

Natuurlijk bespreek ik met andere schrijvers hun teksten, heel soms zelfs achteraf, als een boek me echt verbaast of boos maakt of als ik het boek juist heel erg goed vindt. Dan mail ik, of neem de ander even apart in de kroeg. Bij het Das Magazin-festival waren ook critici aanwezig. Persis Bekkering, die voor de Volkskrant schrijft, zat aan mijn tafel en Joost de Vries van De Groene had een eigen leesclub, hij is ook romanschrijver. Ik denk niemand hen over recensies heeft gesproken. Dat is ook collegialiteit, de recensent onbevangen over een boek laten schrijven, ook al ken je ze allemaal en kom je ook af en toe recensenten tegen; Arie Storm woont bij mij in de buurt en loopt soms gewoon over straat, Arjan Peters zit soms op het terras bij Bakker Bart en Arjen Fortuin komt naar presentaties van de uitgeverij waar zijn biografie zal verschijnen.

Volgens jaar zal ik geen leesclub hebben tijdens de derde editie van het Das Magazin-festival, als die er komt. Ik heb namelijk dan nog geen nieuwe roman, in tegenstelling tot Alex Boogers. Misschien ga ik naar een leesclub toe, als lezer. Dan kijk ik naar tijd en plaats en perspectief, en dan zal ik daar misschien iets over zeggen. Of ik zeg helemaal niks en wacht tot de andere lezers er iets over zeggen. Een echte collega houdt ook die optie in het oog.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog