Over zoomen

Het objectieve subject

Ik heb telkens vier weken om te bedenken waar ik vandaag over schrijf. Over het oude en het nieuwe? Over de groei van de tomatenplant? Over de liefde? Over aantallen en cijfers? Over nieuws en waardigheid? Over de bakfiets? Over vakantie? Het werd een basale fotografiemetafoor. Inzoomen, zoals Peter Terrin deed in zijn nieuwe roman Monte Carlo, inzoomen, zoals de recensenten deden bij zijn boek. Zoals Arjan Peters deed bij Niña Weijers' romandebuut De consequenties. Uitzoomen, zoals Thomas de Veen deed bij dat boek. Uitzoomen, zoals Peter Terrin deed. Het werd een kritiekkritiek, aangevuld met gedachten over een debuut en een achtste boek, een opmerking over perspectief een reactie op een triomfantelijke lulligheid, speculatie over humor, en de vondst van een zin. Want met zinnen begint het.

In

De nieuwe roman van Peter Terrin heet Monte Carlo, want daar begint het verhaal. Het begint met een zin, 'Het vuur is nog geen vuur', die Terrin nog een paar keer zal herhalen en waarop hij later zal variëren. Het is een boek over potentie, over erkenning, over gezien worden, en die eerste pagina's, korte hoofdstukken waarin telkens een detail wordt uitgelicht, zijn alom geprezen - en een enkele maal gekraakt - om de stijl. Om zinnen als deze.

Maar het interessante aan het boek is Terrins perspectiefkeuze: een alwetende verteller. Die term zegt niet zoveel, vooral dat het geen derde- of eerstepersoonsperspectief is, en dat blijkt: Terrin kan er zowel heel abstract en afstandelijk mee zijn, als intiem en persoonlijk. Hij kan taalkunstjes uithalen met vuur en nacht, vanzelfsprekend uitwijden over de verledens van zijn personages, en momenten minutieus uitwerken:

'Het gaat per ongeluk. De vrouw heeft de camera al een tijd in haar handen, kijkt af en toe door de zoeker en maakt een foto. Maar nu wacht ze, het filmpje is bijna op, ze heeft naar schatting één foto over. Ze wil het juiste ogenblik afwachten, maar ze kan zich later niet herinneren deze foto te hebben genomen. De brandstof is geen vloeistof meer, de ommekeer vindt plaats.'

Een gek fragment. Er gebéúrt iets, maar wat precies, een foto tijdens de explosie ja, maar door wie, en waarom? Terrin preludeert hier al op de willekeur die zijn personages telkens treft. Het lot is iets vaags. Twee hoofdstukjes later is alles juist concreet, als we terugkeren bij de hoofdpersoon, de monteur Jack Preston:

'Nog voor hij de eerste strook plakband met zijn tanden afscheurt, voelt hij de ogen van het publiek in zijn rug. Er is altijd het publiek, en ook zij, de monteurs, worden gezien tijdens het weekeinde van de grand prix. Ze zijn net als de piloten en de auto's bezienswaardig, hoewel niemand speciaal voor hen komt [...]'

Jack Preston is zich bewust van zijn positie. Overbewust. Terrins spel, want een goede schrijver speelt altijd, is niet slechts dát hij inzoomt, maar hoe, dat hij de details en de panorama's kiest. Alwetend betekent niet (meer) dat alles door de schrijver gedeeld wordt, dat de lezer ook alles te zien krijgt. En als één personage iets ziet, iets weet, wil dat niet zeggen dat anderen dat ook zien. Dat vanzelfsprekende onderscheid krijgt een tragische bijklank door Jacks ongeziene heldendom en zijn onverteerbare onzichtbaarheid.

In

Terrin geeft, schreef collega Van Mersbergen vorige maand op zijn blog naar aanleiding een ander aspect van deze roman 'andere schrijvers stof tot analyse, en dat gebeurt niet zo vaak'. Hij kiest, ten nadele van zijn hoofdpersoon en de lezer, die hoop blijft houden tot lang nadat het vuur vuur geworden is. Maar ook zijn critici moesten kiezen. Als je een rijke roman moet samenvatten, analyseren en beoordelen in zeshonderd woorden, dan zijn er altijd elementen die niet aan bod komen. Je hoopt dan altijd op een zin die zo sterk is, dat hij het meesterschap zo duidelijk illustreert dat je meer woorden overhoudt om dat te benadrukken. Of omgekeerd natuurlijk: een zwak boek dat met één representatieve zin is neer te sabelen.

Meestal lukt dat niet. Door-en-door zwakke boeken zijn er weinig (net als briljante, overigens), en als ze er zijn, dan moet je als redactie niet willen dat erover geschreven wordt.

De middelmaat is het lastigst, en misschien moet je je bij Arjan Peters' bespreking van Niña Weijers' De consequenties eerder afvragen waarom het stuk gepubliceerd is, dan waarom hij het zo heeft geschreven. Omdat het nieuwswaardig geworden was door (positieve) besprekingen in andere kranten? Omdat er een tegenwoord mogelijk was, en dus uitgeschreven moest? Ik kan het hem niet verwijten, nu ik me ook zelf in de discussie meng.

Peters schrijft:

'Vroegwijs en apart. Weijers heeft veel woorden nodig om het leven van haar protagoniste van foetus tot moeder te schilderen. Aan schrappen doet ze niet, en haar snurkende redacteur heeft alles laten passeren: evidente onzin (het "grootste deel van de mensheid" sterft aan een stomme ziekte, de eerste druk van Slaughterhouse Five is "een dun boekje"), vreselijke vaagheden ("min of meer van de ene op de andere dag", "Al met al had het een soort logica"), en dooddoeners waar je de broek van afzakt ("Hoe meer je wist, hoe minder je wist, dat was het tragische lot van kennis").'

Hij heeft een punt, maar zijn veroordeling van haar inderdaad weinig originele bronnen - Ader, Abramovic, Lao Tze, de mayakalender - doet geen recht aan Weijers' ironische insteek. Dat wil zeggen: ze geeft de ruimte om te veroordelen ('prietpraat'!) of vergelijken, en maakt het allemaal irrelevant bij de bizarre biografie van haar hoofdpersoon. Ironie: ik had net een minnetje gezet bij 'Het kind is een serie omstandigheden', omdat deze gedachte van hoofdpersoon Minnie's moeder (die je op basis van het eerste deel van de roman niet hoog hebt zitten) zó gedacht zou kunnen zijn door Minnie zelf, een registerfout dus, om zeven pagina's verder dit te lezen: '... voor de zoveelste keer die afgelopen maanden verbaasde ze zich over de gedachten die zich aan haar opdrongen zonder dat ze iets met haar te maken hadden.'

Was dat minnetje een misstap of een bewuste afwijking? En passen die vreselijke vaagheden (zoals ook in Franca Treurs De woongroep, Daniëlle Serdijn, maar dan beter?) niet juist bij een hoofdpersoon van deze onbepaalde generatie? Zoomt Peters niet te ver in? Missen we hier niet wat context?

Uit

Het is een voorrecht die vragen te kunnen stellen, en me niet met lichte nieuwtjes en vage roddels bezig te hoeven houden. Of met cijfers. Toen onze overgang naar De Bezige Bij met cijfers werd toegelicht, wees de literaire nieuwssite Tzum op de veel betere eigen cijfers. Daar moeten we ze mee feliciteren. Maar in welke mate vatten de cijfers de essentie? Het aantal malen dat een verhaal geredigeerd wordt voor het online of op papier komt - doet dat ertoe? Het aantal auteurs dat in De Revisor debuteerde en vervolgens bij een uitgeverij een boek mocht schrijven? Het aantal literaire prijzen na publicatie bij ons? Het aantal vraagtekens op Revisor.nl?

Kan iemand deze context eens belichten?

In

De tegenvoeter van Arjan Peters in het kritische discussie over De consequenties was Thomas de Veen in NRC Handelsblad: 'Krankjorume wendingen of niet, Niña Weijers blijft zinnig en wijs schrijven, op vastberaden, en toch licht ironische toon. En juist die alles-met-alles-verbonden-metafysica zet ze eigenzinnig in: ze gebruikt die niet als verklaring, maar vergroot juist het raadsel.' De Veen, niet geheel onverdacht omdat hij een paar dagen later Weijers een openbaar interview zou afnemen, is zeer enthousiast. Maar citeert niet om iets over de stijl te zeggen. Dat is een keuze.

Uit

Een keuze voor vooral de grote lijnen, en minder de details. Terwijl goede literaire kritiek mijns inziens allebei doet, inzoomen en uitzoomen - Peters' recensie is daarvan een schoolvoorbeeld, al geloof ik dat dit boek wat meer welwillendheid verdient. Want ja, in het begin van de roman vervalt Weijers iets te vaak, een debutantenkwaaltje, in geestigheden ('Het was een rumoerige plek met een voorspelbare en te dure kaart, een onuitgesproken interieur en bedienend personeel dat bestellingen invoerde op apparaten die van oogcontact een relikwie uit het verleden hadden gemaakt.'), en ze schrijft het spel met kunst en werkelijkheid naar mijn zin iets te veel uit.

Net als Terrin, maar met een veel intelligenter hoofdpersoon, op een andere manier overbewust, onderzoekt ze de grenzen van kennis, aanwezigheid en zichtbaarheid. Dat is een onderzoek dat kunstenaars, zoals Weijers' hoofdpersoon is, gedaan hebben, maar moeten we dat allemaal weten? In het eerste deel van dit debuut lijkt een overvloed aan kennis ons zichtveld te beperken.

Maar het wordt dus wel kranjorum. Er komt actie, er duiken groteske personages op, de handeling wordt mysterieus, er is meer dialoog en meer evidente onzin. Er is een ander soort humor, meer slapstick: de wendingen, de uitvergrotingen, de herhaling. De inhoudelijke ambitie maakt plaats voor leesbaar schrijfplezier, de storende vaagheden in de stijl voor aangename vaagheden in het verhaal, onwaarschijnlijkheden, hiaten. Voor de schets van een groot avontuur. Voor vragen. Voor een zin als deze:

‘Hoe kan iets van met boterhammen naar zonder boterhammen, ik bedoel, in één dag worden een bom en dan vier portemonnees en wat zit daartussenin, er moet iets tussen zitten, iets wat iemand ermee heeft gedaan.’

Ja het is vaag, veel ge-iets, ja het stelt vragen, maar vooral ja het kietelt en prikkelt en maakt nieuwsgierig.

Eerst de spelregels, dan het spel - zonder regels. Daar wil ik wel meer van lezen. Dit is vuur in wording. In De Revisor?

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog