, 22 Juli 2014

Niet

Op het liveblog van NRC Handelsblad staat de dagen na de vliegramp regelmatig een disclaimer: alles wat de krant op die plek meldt is gekleurd en vaak moeilijk te verifiëren. Nu geldt dat op zich wel vaker, maar de impact van de ramp en de inzet van propaganda noopt de krant voorzorgen te nemen. Filmpjes en foto’s waarvan je niet weet op welk moment en waar ze gemaakt zijn, dialogen die met gemak in scène gezet kunnen zijn, het doet denken aan het essay Electronische revolutie van William S. Burroughs. In een vroeg stadium van de ontwikkeling van nieuwe media legde de gran old man van de Beat Generation uit hoe met behulp van samples speeches van politici vielen te doorsnijden door obsceniteiten, net niet hoorbaar en toch van invloed op hoe de toehoorder de stem beleefde. Het medium, om te beginnen de bandrecorder, bleek alles behalve neutraal en onschuldig. Anthony Blokdijk vertaalde de tekst voor het eerst in het Nederlands, hij liet de muzikanten van de Engelse band Coil de kaft ontwerpen en een voorwoord schrijven.

John Balance noemde in het voorwoord Burroughs een oude oom die inmiddels tot de gevestigde orde behoort maar nog altijd een beetje stout is, als hij op je kinderen past kun je er van uit gaan dat ze niet op tijd in bed liggen. Die opmerking, genoteerd in 1987, lijkt van voorspellende waarde nu de Beat Generation steeds meer tot de canon gaat behoren. Ik heb me nooit persoonlijk aangetrokken gevoeld tot hun werk, maar ben van meet af aan omgeven geweest door mensen die dat wel waren, van voornoemde Anthony Blokdijk tot Erik Jan Harmens en Tsead Bruinja en mijn huidige stagiaire bij Terras, zodat het op een gegeven moment mijn Umwelt is gaan vormen. De Electronische revolutie was een begin. Waar je je mee inlaat, etcetera. Al gaat het mij niet direct aan, het behoort tot de omgeving.

Of ik er iets over zou moeten schrijven, dat denk ik niet. Niet, de negatie: eigenlijk is dat hele dichterschap natuurlijk niets anders dan een constante writers block. Ik ken het gevaar het weinig schrijven te koesteren, het wachten op de juiste concentratie, de ideale omgeving. Zoals Herman Melville’s klerk Bartleby het verwoorde: Ik deed het liever niet of Ik had het liever niet gedaan. Vooral als je bijna klaar bent, als een bundel bijna af is, steekt het luchtledige de kop op – alsof je als prop onderin de trechter in het reservoir van de benzinetank weigert te ploppen.

Het nadeel is dat veel notities onbruikbaar zijn voor poëzie. Of mogelijk bruikbaar voor poëzie, maar niet voor de gedichten die ik nu zou willen schrijven. Vanuit een van de ramen in de Jan van Eyck Academie verandert Maastricht in Madurodam, het gebouw maakt van de stad een decor om het duur te zeggen. Dat zijn essayistische noties die in een gedicht gaan wringen. Het zonlicht lijkt het gebouw op te tillen alsof het een ruimteschip is dat de aarde loslaat, de architect zal er ongetwijfeld op geanticipeerd hebben. Hallen en gangen worden opengesneden door het licht, het lijken geen ruimtes meer, de muren lijken wel weggevallen en dat alleen maar doordat de zon schijnt. Zo'n notitie valt hoogstens terug te brengen tot een veel minimalistischer en bijna droge observatie (‘zonlicht trekt een lijn door de gang en plakt een ruit op de muur’).

Nee, niet. Vroeger dichtte ik er vaak over, over dat niets, dat valt me op als ik gedichten selecteer voor de keuze uit mijn werk getiteld Acedia die in november moet verschijnen. ‘Er knelt iets, iets vraagt onophoudelijk om stilte / om aandacht voor dat wat er telkens net niet is,’ staat er in ‘Over de dood van een berg’, een gedicht dat ik niet op zal nemen. Neen. Kill your darlings – als je al een liefje geweest was, gedicht. Ook niet de kledingmaker in Turijn, het zangerige Mimask met zijn lyriek over heuvels en dalen en bloesems. Geen man die een huis op zijn schouders draagt in het titelgedicht van Tong en trede, weg ermee. Kiezen. Delen. Verminderen.

In De consequenties van Niña Weijers gaat het opvallend vaak over verdwijnen, over licht en haast niets meer worden, weggeven, opgeven. Een jonge interviewer die een eindwerkstuk maakt over de hoofdfiguur Minnie Panis noteert in gesprek met haar ‘de wens, bij vlagen, om op te lossen in het niets, wat dat niets ook mocht zijn’. Het is een goed geschreven roman, met verrassend veel kennis van de kunstwereld, en vreemd genoeg is ook de kunstenaar die ze met dit boek in die wereld implanteert geloofwaardig. Is die hang naar de non-existentie dermate sprekend en herkenbaar dat je het als lezer ‘slikt’ en gelooft’? Zegt die non-existentie niet alleen wat over Niña Weijers en haar personage, maar ook over andere  schrijvers?  In een tijd waarin je ‘zichtbaar’ moet zijn als kunstenaar en juist de verdwijning, de onzichtbaarheid, fascineert. Dat laatste heb ik niet helemaal van mezelf, het stamt uit een gesprek met Lex ter Braak, directeur van de voornoemde Jan van Eyck.

Er niet zijn, niet bestaan. Het heeft iets van Herman Gorter, maar die maakte het licht en romantisch: ‘Hé ik wou jij was de lucht / dat ik je ademen kon / en je zien in het hooge licht / en door je gaan kon.’

Je kunt maar beter ontkennen dat je er bent. ‘Bent u het,’ vroegen de militairen rond een put waarin een man met een baard stond, zonder zelfs maar zijn naam te noemen. ‘Ja,’ zei hij met zijn stomme hoofd. Hij had op zijn minst een grapje kunnen maken. ‘Nee, ik ben een kanarie.’ ‘Ik ben Ramses Shaffy en als u niet snel maakt dat u weg bent ga ik nu jodelen.’

Goed, dit gedicht mag wel blijven, ‘Hekel aan woorden’. ‘De traagheid niet verbloemen. / De vluchtigheid te lijf gaan.’ Maar niet te veel uit diezelfde jaren. Als je niet uitkijkt, koester je al je jeugdzondes. Diep in een lade moet het getypte manuscript van ‘Het boek der non-existentie’ liggen.

‘Ik zou zo graag willen dat ik niet bestond,’ zegt de naamloze hoofdpersoon uit Naar Whitebridge. Hij zou geen lichaam willen hebben, geen stem, wil geen honger of kou of lust voelen. Hij wil er ook niet helemaal niet zijn, hij wil het liefst de wind zijn die langs de schapen gaat en hun vacht aanraakt. Wat ik daar doe is in zekere zin vloeken in de kerk. Ik psychologiseer in de literatuur, in de eerste roman van een dichter. Jongen met geesteszieke moeder zou er liever niet zijn, de verantwoording ontlopen, ophoepelen. En toch gaat de roman over er wél zijn, nipt, nauwelijks aanwezig en zo min mogelijk zichtbaar, opgenomen worden in het land. Je moet schrijvers natuurlijk nooit vertrouwen die iets stellen over hun werk.

Doen we nog een nieuw gedicht erbij? Liever niet. Ik zou het zo graag niet doen. Ik wil het niet. Het is wel best zo. Er zijn al zoveel gedichten in de wereld. Als het niet hoeft. Als het ook zonder mag. Ik heb er niet veel aan toe te voegen. Als het u niet uitmaakt, zou ik liever iets anders doen. Tenzij. Overmits. Niettegenstaande. Als.

___________________________________________________________________________________

Erik Lindner schreef in 2013 voor De Revisor een blog over Berlijn. In 2014 start hij een nieuwe reeks over wat teksten literatuur maakt, als lezer en als schrijver. De eerste aflevering heette Kleine gedachtengang over het gelegenheidsgedicht, de tweede Networking poetry, de derde Polemiek, de vierde Vertalen en de vijfde Vogels in de molen.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog