Een anekdote in onnodige beelden - over Thoméses Schaduwkind

Het objectieve subject

Niet waarover je schrijft, maar hoe, dat is de vraag die ik je stel. Het antwoord kun je alleen laten zien, je kunt het niet beschrijven, dan ben je er al van afgedwaald. Niet wie je bent, hoe oud, waar je wortels liggen, maar hoe. Overtuig me.

Dat standpunt, dat onze leidraad is bij het doornemen van de stapel ongevraagde kopij - we zijn voor dit jaar nu bij nummer 121 - verklaart ook mijn ergernis over de engagementsdiscussie. Die versmalt literatuur tot iets óver iets, iets voor of tegen iets. Terwijl het in het beste geval dat maar heel veel meer is. En terwijl het dus veel interessanter is hoe een schrijver zijn betrokkenheid over laat slaan op zijn lezer. Met de kale gegevens of door ze goed op te schrijven. Werkt een boek door de mokerslagen van de werkelijkheid - orgaandonatie, pedofilie, kanker, overspel, genocide, vlucht, verkrachting, moord, verlies - of door hoe geslagen wordt - eerst zacht, dan harder, of liever zoals het echt was, rauw, ongefilterd, verstikkend hard? En werkt het dan nog beter als het heftig is én goed geschreven?

P.F. Thoméses Schaduwkind is in vele opzichten een groots boek, een kleine memoire en een essay over verlies en taal. Groots, ook in de kleinste stukjes, zoals het korte prozagedicht 'Paniek': 'De geur van schone lakens, het slaapkamerraam open. Een nieuwe dag. / Het zonlicht dat binnenvalt en haar nergens terugvindt.' Maar mijn betrokkenheid zakt weg als Thomése de cruciale scène neerzet, als hij beschrijft wat er gebeurt: een pasgeborene in het ziekenhuis, haar radeloze ouders eromheen. Zijn stijl wordt daar zó overvloedig, de anekdote zakt weg in de beelden. Maar misschien moet ik auteur en personage meer identificeren, misschien stuit ik op een genregrens.

Onnodig

Ik sluit niet uit, dat moet je nooit doen bij goede schrijvers, dat Thomése die reactie precies zo bedoeld heeft, zeker bij een hoofdstuk dat de inhoudsloze titel 'Dit is het dus' draagt, maar dit irriteert:

'Het bezoekuur was allang verstreken, wij waren als enige ouders overgebleven tussen de slapende kinderen. De nacht sloop de afdeling binnen, dempte de geluiden, doofde de lichten. Onbewaakte monitoren produceerden plichtmatig getallenreeksen, zoals een zinkend schip luchtbellen.
Ik sta achter het grote raam. Een gestalte die naar buiten staart. Aan de hemel geen maan, er is alleen het neon van straatlantaarns en verlichte kantoorgebouwen. De wolken worden enkel van onderen beschenen. Daarachter duisternis tot aan het einde der tijden. Achter me, weet ik, buig jij je voor de zoveelste keer over haar heen, je verschikt haar luier, verlegt een buis, een kabel, een draad die uit haar komt of in haar moet, je aait een onzichtbare haar uit haar gezicht. Ik druk mijn voorhoofd tegen het koele vensterglas. In de diepte kriebelt het doorgaand verkeer dat als bloed door de stad stroomt, de asfaltwegen en de straten een netwerk van slagaders, aderen en bloedvaten om de stad tot in alle uithoeken van levende mensen te voorzien.
Dit is het dus, werd er in mij gedacht. Dit is het ergste wat mij kon overkomen en het is nu aan het gebeuren. Daar achter me gaat ons kind nu dood. Straks is ze voor altijd weg. Ik wist het, maar ik voelde het niet. Ik voelde helemaal niks meer.'

Het is een irritatie die van een andere orde is dan mijn ergernis over Benali's e-woord (als de EU e-woorden net als e-nummers had kunnen goedkeuren, hadden ze het graag gedaan, maar een wettekst is nog meer dan een opiniestuk een versteende stellingname, daar zit geen beweging meer in) en Dautzenbergs oproep tot dwarsheid, maar er is wel een overeenkomst: de leegte, benadrukt door een overvloed aan woorden. Thomése kondigde hiervoor al aan het anekdotische van zijn verlies te beschrijven, maar er gebeurt niets. Of juist wel: herhaaldelijk gebeurt er iets, zo vaak dat het geen handeling maar een staat is. De zin 'Achter me, weet ik, buig jij je voor de zoveelste keer over haar heen...' is diep- en diepdroevig. Dát gebeurt er: een zinloos druppelen in een steen die dood is.

Kijk, daar doe ik het ook: ik beschrijf, grijp naar beelden, terwijl het er al staat bij Thomése, het heeft geen toelichting nodig. Hoogstens contrast: 'Ik sta achter het grote raam.' En kijk, die vaststelling van mij ontkent de literaire drukte rondom die ene zin. Lijkt de noodzaak ervan althans te ontkennen. Het grammaticaal onderwerp verandert telkens, en daarmee de focus: het bezoekuur, wij, de nacht, onbewaakte monitoren, ik, een gestalte, geen maan, de wolken, duisternis. Thomése passiveert naar inzicht, en benadrukt dat er veel níét is: geen maan, alleen het neon, enkel van onderen. En hij zet veel beeldspraak in: dat zinkend schip, het einde der tijden, de bloedbanen.

Het is onnodig.

De eerste zin samen met die de zoveelste keer-zin en dus 'Ik sta achter het grote raam', die drie zinnen hadden volstaan - dat is de anekdote, niet meer. Zoals het er nu staat is het overdreven, te dramatisch, te veel van alles - vergelijk het met het sobere, directe 'Paniek'. Het doet geen recht aan het drama.

Alles, lijkt het, om je maar op afstand te zetten van die passieve man en zijn overactieve vrouw.

Drie scenario's

Er zijn twee basale reacties op deze analyse: mild, dat het een kwestie van smaak is, streng, dat ik schoolmeestertje speel. Dat moet, heb ik na het driemaal in de afgelopen maanden (eenmaal na mijn Elsschot-stukje, tweemaal na mijn anti-engagementsdiscussie-stuk) over me te hebben gelezen, wel het ergste zijn. Maar het is interessanter om te kijken hoe de 'anekdote' werkt binnen het boek, of tussen de alinea's eromheen. Drie nieuwe vragen.

  1. Ik heb een voorkeur voor het prozaïsche, omdat het actief is, direct. Dit is een bankje om op te zitten, een kuil om in te liggen. Maar is dat niet des te zichtbaarder door de literaire bloemenweelde die Thomése om het functionele bankje, rond het kindergraf geplant heeft? Is dat niet hoe de feiten wit op zwart verschijnen, tot aan het inhoudsloze, wanhopige 'Dit is het dus'? Ga ik voorbij aan het contrast, was dat de bedoeling? Maar rechtvaardigt dat de overvloed? 
  2. Een andere mogelijkheid. Is het niet natuurlijker je te realiseren: hier is de schrijver aan het woord. Hij kan niet anders dan schrijven, beschrijven, verbeelden. Dit is zijn onmacht: niet te kunnen buigen, verschikken, verleggen, aaien. Niet te handelen, maar de wereld in metaforen om te zetten. Is het niet natuurlijker als die onmacht zich ook stilistisch uit?
    Het voelt niet vanzelfsprekender, want ja, die ik is de auteur van deze essayistische memoire, maar kan die ik als schrijver opgevoerd worden middenin het proza? Het is een doorgedreven versie van simpeler, cruciale vragen: wie is de ik in een memoire, wie in het essay? Is hij personage én auteur? En maakt dat het persoonlijker of kunstmatiger?
  3. Een laatste probleem. Verandert er wel iets in deze geïsoleerde anekdote? Dit boekje wemelt van de grote woorden, van waarheid, leven, geheim en betekenis. Dat kan, dat mag, want Thomése essayeert ermee, concretiseert, verbeeldt, hij trekt ze uit hun inhoudsloosheid door er zijn dochter in te leggen. Maar nu het even anekdote wordt, geen bespiegeling, proza, geen essay, zijn er nog steeds grote woorden. Dat past niet, maar het past wel bij het boek. Het is stilistisch consequent, maar het werkt wat mij betreft niet binnen dit uitstapje naar een ander genre. Werkt het vaker zo, kun je die grenzen zo duidelijk terugvinden? 

Ik vraag het, vooral die tweede en die derde vraag, omdat ik de afgelopen maanden veel tegen vermenging aanloop. Een essay midden in een roman, stukjes non-fictie in een plotloos boek, boeken die een mengsel van beide genoemd worden. Hoe kan dat dan? En waarom vind ik dat zo aantrekkelijk? Hoe kan ik mijn betrokkenheid verklaren bij deze fictieve en onderzoekende ikken?

Misschien is dat wel meer dan een blog, misschien is dat een essay waard.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog