, 13 Augustus 2014

Legitimaties

Gedicht, toon me uw papieren!

Heb ik ooit mijn weinig typische afkomst als uitgangspunt genomen voor een gesprek over literatuur, vraagt Charl-Pierre Naudé per mail. Zijn vraag frappeert me. Het zou onlogisch zijn om me als allochtoon te presenteren, een beetje aanstellerig ook in mijn geval. En toch raakt hij iets waarvan ik weet dat het er terdege zit en dat ik maar niet benoemd krijg.

Poëzie is gebonden aan de taal waarin die geschreven is. Waarom voel ik me dan op reis met poëzie zoveel vrijer, zoveel meer op mijn gemak dan in Nederland? Doordat er een andere receptie heerst, een ander kritisch klimaat? Toch is een reis beperkt, op het eind moet je weer terug en pas daar vindt het uiteindelijke werk plaats, het uitschrijven van de op reis gemaakte indrukken.

In Naar Whitebridge komt de hoofdfiguur thuis van school in Den Haag terwijl zijn grootmoeder op de eerste verdieping, op een verhoging vanwege de warmte, naar een transistorradio luistert die Engelse hoorspelen uitzendt. Over haar knieën ligt een sprei en naast haar ligt een klein zwartbruin hondje op de knopen van die sprei of de resten van haar breiwerk te kauwen. Die grootmoeder is geboren in Wales, ze zou nooit en te nimmer de Nederlandse radio aanzetten. Ze leest de jongen voor, niet bepaald kinderboeken maar gewoon het boek dat ze toch zelf aan het lezen was, ze gaat hardop verder waar ze gebleven is.

Als je zegt dat een boek autobiografisch is, creëer je een probleem. Andere elementen in dat boek moeten dan ook met die autobiografie kloppen, en dat doen ze maar ten dele. Ik heb een grootmoeder die uit Wales komt, al is ze hier geboren en reisde haar moeder de Welsh paardenkoper die haar kind verwekt had achterna. In haar testament, een brief die de notaris tien jaar na haar dood vrijgaf, beschrijft ze haar jeugd in Wales, en ook de vervreemding van de familie daar. Bij een schoolvriendinnetje is er een wereld van verschil ‘omdat haar moe geen vreemde is’. Mijn grootmoeder was een lezer, ze was geen verzamelaar, ze las gewoon hele bibliotheken leeg en liet die boeken netjes door ons terugbrengen. In die brief noemt ze het Chinese spreekwoord dat een boek ontelbaar veel schotels rijst zou bevatten en verwees ze naar Camus, die als een van de weinige zou weten wat het betekent een vreemde te zijn.

Een gemengde afkomst is zoiets als een bouwpakket, of een macramé-patroon, je kunt er alle kanten mee op. Lindner komt oorspronkelijk uit het Oostenrijkse dorp Lindesheim en is via Lindesheimer en Lindener verbasterd. Dan heb je het over een eeuw of drie geleden. Als ik naar school liep riepen de jongens uit de Schiefbaanstraat altijd ‘Duitse kop’ naar me. Mogelijk was dat alleen maar om mijn achternaam. Je zou je kunnen afvragen of er behalve de nationaliteit van een dichter ook een nationaliteit is van het gedicht. Of dat gedicht een identiteit toegedicht kan worden, of het gebaat is bij legitimatie.

*

Mustafa Stitou is geboren in Tetouan. Hij debuteerde vroeg in de jaren negentig, in 1993 las hij voor op een avond over Pier Paolo Pasolini in het Paard van Troje in Den Haag. Later, in 1999, vertelde hij in een programma in het Institut Néerlandais dat hij dacht dat hij vanwege zijn afkomst extra aandacht had gekregen toen hij debuteerde. Die literaire avond in Parijs leek een beetje op een televisieprogramma. Opvallend is dat de Nederlandse auteurs met een Marokkaanse achtergrond, Stitou en Abdelkader Benali, wel kwamen opdagen en de Franse auteurs met een Algerijnse achtergrond niet. Naar verluidt was het in Frankrijk minder een thema, de Maghreb heeft in de Franse literatuur een oneindig veel langere traditie. Opvallend is ook dat juist Amerikaanse krantenredacties in Parijs geïnteresseerd waren in de avond.  

Mustafa Stitou mag in Tetouan geboren zijn, binnen een paar maanden verhuisde hij naar Lelystad. En ook al is het geloof van zijn vader een thema in zijn gedichten, Stitou staat in een Nederlandse traditie. Toen hij debuteerde noemde hij als invloeden Pasolini en Remco Campert, later verklaarde hij zijn werk verwant aan dat van Erik Menkveld en Tonnus Oosterhoff.

Mowaffk Al-Sawad is geboren in Basra en in Nederland aangekomen als vluchteling van de Golfoorlog in Irak. Als hij voorleest, herkent het publiek Nederlandse componenten. Toch staat hij in een andere traditie, hij schrijft in het Arabisch, zijn gedichten hebben een vorm die aansluit bij de Arabische traditie. Dichter en schilder Michael Tedja gebruikt in zijn werk Surinaamse symbolen. Hij is een expressief schilder die onlangs een grote overzichtstentoonstelling had in het Cobra Museum. Tot zijn invloeden vallen evenzeer Hans Faverey en de Vijftigers te rekenen. Alfred Schaffer is geboren in Leidschendam, had een Nederlandse vader en een Antilliaanse moeder. Hij verbleef lange tijd in Zuid-Afrika waar hij opnieuw woont. Sterker dan bij veel andere Nederlandse dichters ontwaar ik in zijn werk internationale invloeden.

*

Je kunt natuurlijk zeggen: wat doe je moeilijk. Een gedicht blijft een gedicht.  Als ik in Algerije Rimbaud lees, is Rimbaud voor dat moment Algerijns, zo reageerde Habib Tengour tijdens het afgelopen Poetry International. Nu moeten critici en essayisten wel moeilijk doen, dat is nu eenmaal hun praktijk. Daarbij denk ik dat Charl-Pierre Naudé's vraag hout snijdt. De dichter is niet zijn gedicht, zoals Naudé eerder onderstreepte, de poëzie zit hem juist in de ruimte waar dichter en gedicht niet samenvallen.

Als je het uitschrijft, klinkt het als onzin: gedicht, toon mij uw documenten, uw papieren! In L’avenir de l’écriture (‘Tussen talen ontstaan’) koppelt Hélène Cixous haar Algerijnse afkomst en vrouwzijn aan het niet mogen schrijven, zij overschrijft ermee haar angsten en de opgelegde restricties die ze verwerpt.

Als ik op reis ben in Harare, zie ik andere beelden dan in andere landen. Ik zie een man slapen tegen een bumper. Ik zie een groep joggers in witte gewaden zingend rondjes rennen over een veld. Mensen lopen het centrum uit met bijbels in hun handen, uit de stadions en kerken (‘spoken word ministries’) in de buitenwijken klinken gospels. Op een boom zijn tientallen briefjes met telefoonnummers geplakt van mensen die huisreparaties aanbieden. Het zijn beelden die mij niet gewoon zijn. Maar ik moet een taal vinden waar ze in passen. Een vermogen ze te integreren. Ook als het vuur langs de autoweg brandt en ik er geen verklaring voor kan vinden.

Ik weet het, het is zo Nederlands als maar kan, je geen Nederlander te voelen. Op reis zijn met poëzie betekent netwerken opheffen, torpederen, telkens andere verbanden aanbrengen. Bereid zijn iets op te geven.

*

Terwijl ik dit aan het typen ben, bereikt me het nieuws dat Martin Mooij is overleden. Hij is de grondlegger van een van de mooiste festivals ter wereld. Hij wist dichters om zich te verzamelen die nog totaal onbekend waren, maar wel goed. En dat is lastig in te schatten op internationaal niveau. Door wat hij voor elkaar heeft gekregen, kent Nederland een zekere vertrouwdheid met het vreemde. Hij creëerde een plek, een week lang in Rotterdam, waar dichters zichzelf mogen zijn, in hun eigen taal kunnen voorlezen, waar ze ook vandaan komen. Het is zeldzaam om niet in de valkuil van het verschil in verwachtingen en navenante vertaalproblemen te vallen.

*

Erik Lindner schreef in 2013 voor De Revisor een blog over Berlijn. In 2014 start hij een nieuwe reeks over wat teksten literatuur maakt, als lezer en als schrijver. De eerste aflevering heette Kleine gedachtengang over het gelegenheidsgedicht, de tweede Networking poetry, de derde Polemiek, de vierde Vertalen, de vijfde Vogels in de molen en de zesde Niet.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog