, 10 November 2014

Lyriek

Francis Ponge keerde zich tegen de lyriek van voor zijn tijd, die hij omschreef als lyrisch-romantische kanker. Nu is niet alle lyriek romantisch, lyriek kan ook allesbehalve zoetgevooisd zijn. Daarbij kun je je afvragen of Ponge zijn beschrijving van de dingen uiteindelijk wel zo droog en ongekleurd was. Woedend raakte hij als de wind zich bemoeide met de dingen, een concurrent werd van de beschouwer die hij was. Ook zijn beschrijving van de tafel is niet zonder lyriek. De tafel is een vaste troosteres, maar je moet er wel naar toe gaan, ze verplaatst zich niet uit zichzelf, schreef Ponge. Op het eind van zijn leven omhelsde hij bij een voordracht in Brussel een klein tafeltje dat op het podium stond. Een lyrisch moment.

Tegenover lyriek staat een zekere ogenschijnlijke droogte in de taal. Maar ook karigheid, rust en verstilling is niet per definitie anti-lyrisch. Mogelijk is de lyriek het meest ingetogen als die het meest aangrijpend is. Denk aan de stille gedichten van Miriam Van hee. De lyriek van het ongenoemde, het weglaten, de impact van het understatement. Er zijn uiteindelijk heel veel vormen van lyriek, denk aan woede, pijn en ook aan geluk, verlangen en die zijn altijd afhankelijk van hoe die wordt geuit. Lyriek raakt vervelend als ze constant op hoog volume staat, ongeacht de inhoud en de impact van een regel.

Is het zo dat als iets je daadwerkelijk aangrijpt, je er juist in bedekte termen over praat? Natuurlijk hangt het er allemaal van af aan wie je deze vraag stelt, de dichterstoon. In mijn meest dramatische gedichten zit een sterke onderkoeling. Als het werkelijk gaat schrijnen, heb je weinig woorden nodig.

Mijn meest lyrische gedicht, is tegelijk ook het meest hermetische. Het stond in Tong en trede, het is van een tijd geleden. Ik herinner me de wens het te schrijven, het enthousiasme voor een regel. Tegelijk was er een opdracht waar het niet bij paste. Toen ik daarna opnieuw begon, had ik nog wel de intentie maar niet meer de vaart. Het gedicht begon daardoor te lijken op een knotwilg, of een afgetopte boomstam. Ik heb wel eens bedacht dat dat zo’n gedicht is dat iets voorspelt waar je op het moment dat je het schrijft nog niet van weet wat het behelst.

Als ik niet meer uit mijn woorden kom

of zijn stem, die ze ontkracht, klinkt, is
het kind geknipt

voor de spreiding van haar lokken

weet dan
dat zelden

een hand duwt en ophoudt.

Als ik terugdenk aan wiens stem ik bedoelde, wiens haarlok en wie een hand ophield alsof ze een rij boeken voor zich uit duwde, is het gedicht niet bijster interessant, dan lijkt het eerder iets te willen verbergen, begraven zelfs. Het lyrisch moment is het meest geprononceerd in de wending ‘weet dan / dat zelden’, twee regels die ik uit een eerder gedicht heb genomen dat sneuvelde voor mijn debuut. Daarbij kreeg het woordje ik in de eerste regel een nadruk: ik wilde na mijn debuut geen ‘ik’ meer schrijven. Aan het eind van de bundel waarin de spreker verdwijnt achter zijn beelden, komt hij nog een keer aan het woord. Hij heeft niets meer te zeggen, komt niet meer uit zijn woorden, die woorden produceren geen ik meer. Het is een opzet die als iedere vooropgestelde opzet voor een bundel mislukt, wat mij betreft althans, die gedichten laten zich niet dresseren. Het gedicht staat niet als laatste in Tong en trede, maar vrij voorin, aan het einde van de tweede reeks. En er zitten meer verdwaalde ikken in de bundel, letterlijke ikken ook, de onuitgesproken niet meegerekend.

De ik die niet uit zijn woorden komt, wordt wel op zijn woorden bekritiseerd, die woorden worden ontkracht door een stem die klinkt. Daarmee herinner ik me de wens dit gedicht te schrijven, de wens om de kritiek al in de tweede regel mee te nemen. Het gaat bijna over niet meer schrijven. De anekdotiek, een kind met dezelfde lange bakkenbaarden als zijn vader, de moeder die ik me voorstel pal tegenover het kind, de moeder met haarlokken die vooruitwijzen onder beide wangen. En dan de hand die het einde van een arm is, de plek waar de arm ophoudt. De hand die duwt, de lucht voor zich uitduwt, maar ook stopt voor hij slaat en in de lucht hangt als een groet. Het gebeurt zelden.

Wat zit ik hier nu een gedicht te ontrafelen, alsof die een gecodeerde boodschap zou bevatten die er helemaal niet in zit? Ik denk dat bij mij de lyriek in het weerhouden zit, het inhouden, niet dat iedereen dat gelijk ziet en verstaat natuurlijk, maar het zit er wel degelijk.

Eind deze maand verschijnt Acedia, een bundel met 43 gedichten en daarna een keuze uit de eerdere  bundels, een soort best of. De chronologie is omgedraaid, het debuut staat achterin, alleen de volgorde van de gedichten binnen de bundels is aangehouden. Natuurlijk denk ik dat de nieuwste gedichten rijmen met de oudste, we zijn geneigd in cirkels te denken, en dat de lyriek weer open is en klinkt. Maar wat de auteur over zijn werk denkt – dat valt altijd na verschijnen nog altijd te bezien.

*

Erik Lindner schreef in 2013 voor De Revisor een blog over Berlijn. In 2014 start hij een nieuwe reeks over wat teksten literatuur maakt, als lezer en als schrijver. De eerste aflevering heette Kleine gedachtengang over het gelegenheidsgedicht, de tweede Networking poetry, de derde Polemiek, de vierde Vertalen, de vijfde Vogels in de molen, de zesde Niet, de zeven Legitimaties en de achtste Tattoo.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog