Koubaa vs. Koubaa, bekentenissen van een schrijver II

Ik had mijn studenten gevraagd een achterflaptekst te schrijven voor hun project. Een paar weken ervoor had ik een halve les gewijd aan het schrijven van een goede achterflaptekst en het belang ervan. Ik verwees daarbij naar deondernemer.nl, waar staat dat er weinig tijd is om iemand ervan te overtuigen een boek nader te inspecteren, dat de achterflap dat moet doen. Ik legde mijn studenten ook uit dat een achterflap zo kort mogelijk moet zijn - verwees daarbij naar de tekst op het achterplat van een verhalenbundel van Biesheuvel: Weest allen vrolijk en blij, hup, hup, hup, ook gij! – en gaf hun mee dat de tekst zo duidelijk mogelijk moet zijn, prikkelend en pakkend, waarna ik een aantal voorbeelden voorlas van wat volgens mij goede en minder goede flapteksten zijn. Hoe dat in het echt gaat, wilden de studenten weten.  

Ik nam mijn roman De vogels van Europa als voorbeeld en schetste hoe de achterflap is ontstaan; dat ik op vraag van mijn uitgever een voorstel had gemaild waarin ik suggereerde om, naast een beknopte biografie, enkel de vraag Wat gebeurde er in de zomer van 1980 op Texel? te gebruiken, maar dat de uitgever iets meer wilde, dat de titel, oorspronkelijk Jezus die langs het water liep, in vraag werd gesteld, dat de naam Dutroux viel maar werd geschrapt omdat mijn roman niet over een psychopaat gaat maar over loslaten en onschuld… enzovoort enzovoort. Tevreden over de les en wat de studenten ermee gedaan hadden, stapte ik op de trein naar Gent.

Je was dus tevreden over je les, Koubaa.

Ja, ik denk dat ze nuttig was, dat het daarenboven een goede oefening is om hoofdzaak en bijzaak te leren scheiden, te weten waar je mee bezig bent. En een goede achterflaptekst kan de mogelijke lezer overhalen je boek te lezen en te kopen.

Als ik het goed heb schrijf je dus zelf je achterflappen?

Ja, zoals ik al zei doe ik voorstellen en dan wordt er wat heen en weer geschreven, compromissen gezocht, maar ik geef de eerste voorzet, ja.

Oké, en wat heb je dit jaar met je boeken verdiend? Kom, ik weet dat de royaltyafrekening binnen is. Kom, kom!

Ik vind ze niet, ik moet dringend eens opruimen, ik…

Bullshit, ze staat op je computer. Wat heb je dit jaar met je boeken verdiend?

Moet ik het zeggen? 159,43 euro, voor al je boeken, waarvan jij de achterflappen hebt geschreven. En hoeveel hebben je Vogels tot nu toe opgeleverd? Nul euro. Dat wordt weer geen kroon in je bek, jongen.

De tandarts zegt dat ik nog tanden genoeg heb.

Nét genoeg, Koubaa, en je zult ze nodig hebben.

Het is waar, ik verdien niets aan mijn boeken, niet rechtstreeks althans. Ik geef les aan verschillende academies, begeleid schrijfclubs, regisseer een theaterstukje, maak weer muziek, treed op, geef hier en daar een lezing, vraag een werkbeurs aan en zit in de redactie van Revisor, en iedereen blijft maar mailen en antwoorden verlangen, waardoor ik nauwelijks tijd heb om te doen wat ik echt wil doen: schrijven.

En toch mag je niet klagen, Koubaa, klagen is stilstaan, achteromkijken.

Dat is waar, maar de rest is ook waar.

159,43 euro, het doet pijn het nogmaals in te tikken. Waar komt dat onbehaaglijk bedrag vandaan?Ik ben nochtans gezond ambitieus. En is ambitie niet het laatste kleed waarvan wij ons, pas bij onze dood, ontdoen? Het klinkt melodramatisch: ik sterf na elke roman waar ik een finaal punt achter zet. En dan sterft de roman na een drietal maanden een stille dood tot ik weer opsta en met een kinderlijke ambitie het nieuwe witte blad gretig vol begin te tikken terwijl de gedachte: dit wordt het boek mijn lijf verovert.

Succes! Ik zou eraan beginnen voor het te laat is, je hebt nu tijd om je aan het echte werk te zetten en je zit… ja, wat zit je te doen? Hoofdzaak van bijzaak scheiden, je hebt het zelf aan je studenten geleerd.

Ach, Koubaa, hou toch eens je snavel!

159,43 euro.

Ondanks de soms lovende recensies verkopen mijn boeken, behalve De Leraar, nauwelijks en wordt mijn werk niet vertaald. Ligt dat aan mijn uitgever die zich voor elk manuscript dat ik inlever onvoorwaardelijk inzet? Aan mijn achterflap? Aan de titel? Aan de soms belabberde Vlaams Nationale kritiek? Aan de tijd? Aan mij?

Daar zeg je zoiets, Koubaa, misschien moet je je neiging om tegen de stroom in te willen gaan een keer leren bedwingen; de criticus is verlekkerd op wilde zalm.

Misschien ken ik niet de juiste mensen in jury’s en commissies? Ik ga niet naar literaire feestjes, ik zit niet op Facebook, ik heb geen agent, geen boekhouder, geen ondernemersmentaliteit. Ik denk eerlijk gezegd dat al het bovenstaande er niets mee te maken heeft. Ik ga ervan uit dat maar een kleine groep mijn allicht te onvoorspelbaar werk interessant vindt. ‘Het is je eigen schuld,’ zei een criticus een keer tegen me, ‘je moet maar andere boeken schrijven.’ Hij sprak alsof een schrijver zelf kiest welk verhaal hij gaat schrijven. Stel je voor: Samuel Beckett wordt wakker, drinkt een kop zwarte thee en zegt: ‘Ik ga een verhaal schrijven over een man die een keitje uit zijn linkerzak haalt, het in zijn mond stopt, erop zuigt en het daarna in zijn rechterzak stopt.’ Een auteur kan kiezen, opstaan een kop thee drinken en zeggen: ‘Ik ga een verhaal schrijven dat zich tijdens de Eerste Wereldoorlog afspeelt’, een schrijver heeft geen keuze.

Ik was laatst met mijn gezin een dag of vijf in een zonovergoten Parijs. Tijdens een van onze daguitstapjes passeerden we een boekenwinkel tegenover de Sorbonne. ‘Kijk, papa, allemaal dezelfde!’ riep mijn dochter. De vitrine was inderdaad gevuld met op het eerste gezicht allemaal dezelfde oranje boeken; iets wat uiteraard zou kunnen. Maar toen ik beter keek zag ik dat er op al diezelfde boeken, weliswaar in hetzelfde zwarte lettertype, andere namen en titels stonden. Ik liep de winkel binnen – die geur van Franse boeken! – en nam een boek van de stapel. Op de achterflap geen enkele keer: spannend, meesterwerk, heeft die en die prijs gewonnen, is in vele talen vertaald, woont en werkt in New York en Parijs, niets van dat alles, behalve een korte biografie en inhoud. Terwijl ik mijn vrouw en kinderen de straat zag oversteken, besefte ik met wat voor onzin over het belang van de achterflap ik mijn studenten had opgescheept. In feite had ik ze geleerd te schrijven: koop mij!

159, 43 euro.

Het probleem van de literatuur is haar schrijvers. Ze leiden ons af van de essentie. Niet wat heb ík te vertellen, maar wát heb ik te vertellen, dat moet ik mijn studenten vragen; ze leren om literatuur niet met hun oren te beoordelen. Ik denk aan de zeventiende-eeuwse samoerai en dichter Ransetsu: Als we dan namen nodig hebben, en dingen met namen – zo weinig mogelijk. De dichter speelde een rol in mijn roman Lucht waarin ik haiku verwerkte en citeerde zonder de namen van de dichters te vermelden. De poëzie ligt voor het oprapen, ze is van iedereen, daar ging en ga ik van uit, ze is als een kersenbloesem. Onvolwassen dichters imiteren. Volwassen dichters stelen. Bij ons – ja, bij ons! - noemen ze dat bijna plagiaat. Ik denk aan Carlo Emilio Gada die in zijn razende roman Die gore klerezooi in de Via Merulana tekeergaat tegen alle persoonlijke voornaamwoorden: … ik, ik! Het smerigste van alle voornaamwoorden!… Voornaamwoorden, het zijn de luizen van de gedachte. Als de gedachte luizen heeft, dan krabt zij zich zoals iedereen die luizen heeft… en onder haar nagels… daar vindt zij dan de voornaamwoorden: de persoonlijke voornaamwoorden.

Het gaat inderdaad niet over mij, niet over ik, niet over hem of haar of gij, maar over het verhaal. Zelfs de stijl is niet van de schrijver, maar van het verhaal. De schrijver met één stijl, schrijft één lang boek. Niet wie wat geschreven heeft, maar wat geschreven staat is uiteindelijk waar het om gaat. En wat staat er tegenwoordig zoal geschreven? Ik lees slimme romans, mooi gecomponeerde en uitdagende romans, moderne en historische romans, met veel zorg geschreven en geredigeerd, stuk voor stuk verfilmbaar, maar o zo dikwijls op zeker gespeeld, geglobaliseerd in zekere zin. Waar verschijnen de duizelingwekkende romans; de zonderlinge romans die je ondanks je ze in het vuur wilt keilen niet loslaten, de romans die je in het gezicht spugen, die je op een onmogelijk uur wakker schudden, gek maken, romans die niet verfilmbaar zijn? In een terugkerende droom trek ik mijn bergschoenen aan, neem mijn pikkel en touwen uit de kelder en waag me aan de beklimming van De Toverberg vanwaar alle thema’s waarover vandaag in politiek, onderwijs, filosofie, literatuur, godsdienst en wetenschap gediscussieerd wordt, als kabels naar het dal vertrekken. Soms laat ik me vrolijk langs zo’n kabel naar beneden glijden en stort ik halverwege jodelend neer in de sneeuw. Soms hak ik een paar kabels door, in de wetenschap dat de grote verhalen ten einde zijn, en soms sla ik alles kort en klein omdat ik weer vanaf nul wil beginnen. De weinige tijd die ik vandaag heb om te schrijven helpt me daarbij omdat ik hem beter moet gebruiken; tekort gaat hand in hand met creativiteit. Anderzijds, en dit is een onbetaalbaar geschenk dat ik nooit door een reusachtige royaltyafrekening zou krijgen, is het tot me doorgedrongen dat in deze overvolle ik-heb-je-gisteren-een-mail-gestuurd-en-je-hebt-nog-niet-geantwoord-misschien-heb-je-hem-niet-gezien-tijden, het korte het van het lange gaat winnen.

Je bent stil, Koubaa.

Ik was in slaap gevallen. Beetje overwerkt.

Wat moffel je daar onder je hemd weg?

O, dat… de post, je werkbeurs van het Fonds.

En?

Aan het werk, Koubaa!

(Opdracht voor mijn studenten: mail me vijf metaforen uit je werk.)

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog