We zijn hier niet in Antwerpen

Koubaa vs. Koubaa 3

Soms schenkt het toeval je macht. Een paar dagen geleden, toen ik de kinderen met de fiets naar school bracht, werden we op een helling door een rode auto nogal bruusk de pas afgesneden waardoor ik spontaan en hard tegen de auto schopte. De chauffeur, niet in staat op mijn agressie te reageren  door het hachelijke punt waar hij zich bevond, scheurde er met gierende banden vandoor. Toen de kinderen en ik wat aangeslagen verder fietsten kwam een taxi naast ons gereden. Door een open raam riep de chauffeur dat die rode auto voorrang had. ‘We zijn hier niet in Antwerpen,’ riep ik nog een beetje nazinderend van het bijna-ongeluk. Op de terugweg, toen de kinderen veilig op school waren, vroeg ik me af terwijl ik over het Woodrow Wilsonplein zoefde of die onbenoembare flits vol razende hartkloppingen en zinderende adrenaline voor het bijna-ongeluk is wat Lacan met het reële bedoelde?

Het valt me op dat ik sommige al dan niet ingewikkelde ideeën beter begrijp na een intense angstervaring waarbij mijn kinderen betrokken zijn, alsof de adrenaline en de hevige hartkloppingen op kritieke momenten mij verlichten. Dat plotse inzicht doet zich meestal voor lange tijd nadat ik de ideeën gelezen of gehoord heb. Derrida en Lacan las ik een kwart eeuw geleden in bed met koorts, de enige manier om ze te lezen. Pas na de geboorte van mijn zoon had ik door wat Derrida met deconstructie wilde zeggen. Alles leek erop dat de bevalling een fluitje van een cent ging worden, maar er waren complicaties en er werden mensen geroepen en machines gehaald en met een angstaanjagende snelheid naar de verlostafel geduwd. Zonder het te beseffen maakte ik een foto van mijn vrouw in een onheilspellende stille kamer vol onbekenden, zelfs de gynaecoloog was een vreemde, een vervanger omdat onze vertrouwde gynaecoloog in het buitenland zat. Nog nooit was angst zo zichtbaar voor mij als op dat beeld, achteraf althans, want op het moment zelf wist ik niet wie ik was. Misschien was ik in een toestand van het bijna-ongeluk, alleen duurde de flits veel langer en leken al mijn zintuiglijke waarnemingen in elkaar over te vloeien tot ik de vreemde gynaecoloog een duidelijk zin hoorde uitspreken: ‘De baby moet er nu uit, mevrouw!’ Onze zoon kwam ter wereld, een gezonde kerel van meer dan vier kilogram, 54 centimeter groot. Ik heb het verhaal van de bevalling veel verteld, heel veel, ook hoe ze hem direct erna wegnamen en zuurstof toedienden, hoe wij bevreesd naar hem keken terwijl hij ondersteboven in een hand tussen andere handen boven een tafel bengelde tot we hem hoorden huilen. Het was een van de meest intense momenten in mijn leven, ik was omringd door engelen. Ik vind het nog steeds zeer merkwaardig dat ik niemand die destijds onze zoon heeft helpen verlossen op straat zou herkennen. Gaandeweg werd mijn verhaal over de geboorte korter en viel het me op dat ik me aan een structuur ging houden. Ik bleek een soort samenvatting van de hoofdlijnen gemaakt te hebben en begon het verhaaltje af te ratelen. Wat ik hier heb neergeschreven is een verkorte versie van mijn gedeconstrueerde ratelversie acht jaar geleden omdat de details en de spanning me afschrikken en ik alleen nog de afloop van het verhaal belangrijk vind: mijn zoon.

Anderhalve week na het voorval met de rode auto waren we op een feestje bij vrienden en omdat het wat uit de hand was gelopen besloten we de fietsen te laten staan en de taxi te nemen; die fietsen zouden niet weglopen en met de taxi was de kans op een bijna-ongeluk, dus het begrijpen van een Franse denker, minder groot. Iets na middernacht werd aangebeld. Ik had het eerst niet goed gezien omdat de chauffeur die voor de deur stond een blauw en wit T-shirt aanhad van de Buffalo’s, dat is het Gentse voetbalteam, maar toen hij het portier voor me openhield nadat hij eerst mijn vrouw en de kinderen achteraan had laten instappen, herkende ik hem. Het was dezelfde chauffeur die ik We zijn hier niet in Antwerpen door zijn open raam in zijn gezicht had geslingerd na het voorval met de rode auto. In tegenstelling tot veel taxichauffeurs klaagde hij niet over de vele uren, de crisis en de concurrentie, maar begon hij erg enthousiast te vertellen over het kampioenschap van AA Gent, waardoor ik sympathie voor hem voelde. Ik was in de wind oké, maar ik trapte niet in zijn fooienval en wierp een vruchtbaar visje terwijl we ons naar de ring begaven en voorbij werden gestoken door een peloton uitgelaten feestvierders. ‘Ja ja, Gent is Amsterdam, niet.’ ‘U bedoelt, meneer?’ ‘Die fietsers, zo zelfverzekerd nonchalant.’ ‘Ach meneer…’ en hij beet in de aas die ik had geworpen en begon licht geanimeerd over het voorval op de helling met de rode auto en een vader met zijn kinderen op de fiets te vertellen. Ik moet toegeven dat hij zijn verhaal niet opblies. Ook geen woord over Antwerpen uiteraard; een supporter van de Buffalo’s, gaat zichzelf niet belachelijk maken door eerlijk te zijn over een lastig verwijt aan zijn adres. Een verwijt bestaande uit zes woorden die ik voor het eerst combineerde op de fiets op weg naar de school van mijn kinderen. Waarom ik We zijn hier niet in Antwerpen had gezegd, weet ik niet. Laten we het op toeval houden; ik heb het niet op psychoanalyse begrepen. De dingen spreken, zei Goethe, niet de betekenis erachter. Denk ik. Terug naar de taxirit na het feestje en het verhaal van de chauffeur waarin mijn kinderen en ik een hoofdrol speelden. Mij beschreef hij als een schopper, mijn kinderen als mogelijke slachtoffers van mijn onbezonnen handeling. Na zijn verhaal zei ik: ‘Dat was ik met mijn zoon en dochter, tegen wie u zei dat die rode auto voorrang had.’ ‘Nee,’ zei hij vol ongeloof veinzend zonder me aan te kijken en hij sloeg beide handen tegelijkertijd op het stuur. ‘Toch wel,’ zei ik en toen werd het grimmig stil in de taxi. Ik dacht: hij gaat ons eruit gooien. Hij gaat naar een godvergeten plek rijden en ons eruit gooien. Maar nee, hij nam de kortste weg over het Woodrow Wilsonplein naar ons huis en ik werd door een pervers en onbekend gevoel overmeesterd. Ik genoot er zelfs van. Door de chauffeur een royale fooi te geven, vergrootte ik de kick. Thuis dronk ik nog een halve whisky met een machiavelliaanse glimlach op m’n gezicht. Wat was me dat allemaal, zeg!

Een week later krijg ik een mail uit mijn geboortestad; laten we het op dyslexie houden (al vermoedde een raar iets in mij dat het een zet was van de taxichauffeur die mijn naam op mijn trainingsvest had gelezen).

Onderwerp: Bart Kabou for Nepal?

Dag Bart Kabou,

Op zaterdag 13 juni aanstaande organiseren we in Eeklo een muzikale benefietavond voor Nepal.
We doen dit in samenwerking met P. Van C. die Nepal onlangs bezocht en die directe contacten heeft met de hulpactie in het dorp Fukharaka.

We zij nu volop bezig met het contacteren van artiesten die belangeloos aan die avond zouden willen meewerken.

Zou jij het zien zitten om iets te doen op die avond ?

Dan kan muzikaal zijn (solo met gitaar bijvoorbeeld) of dat kan ook in de vorm van een "literaire" bijdrage; ludiek of ernstig.

Wat denk je ? 

Laat maar iets weten...

P.

Nog geen uur later:

Onderwerp: Fwd: Bart Kabou for Nepal ?

 Dag Brat

De datum voor de benefiet is op de valreep verlegd naar zondag 14 juni.

Kan dat voor jou ?

Vriendelijke groeten,

P.

Beste P. Ik denk na over een “literaire” bijdrage, met gitaar. Is onderstaande, mits uitbreiding, bruikbaar? Het zou in B majeur zijn. In een licht carnavalsritme.

Mijn naam is Brat Kabou
Hoe ik heet doet er niet toe
In feite is het Bart Koubaa
Ach ja, ach ja, ach ja
Wie ‘t kleine zo niet eert
Die ziet het goed verkeerd
We doen toch niet aan dwergwerpen
We zijn hier niet in Antwerpen
Ooooooooh! Boem Boem! (x2)

(Refrein:)
De aarde heeft gebeefd
We willen dat u geeft… een, twee, drie, vier…

Mijn naam is Bart De Wever
Ik ben een echte bever
Ik knaag en klaag en knaag
Mijn god ik doe het graag
Maar kan voorwaar niet mikken
Niet voorzien, vooruitblikken
Waar peer- en appelbomen
Tere-echt zullen komen
Ooooooooh! Boem Boem! (x2)

(Refrein + gitaarsolo)

Ik zou voor je antwoordt eerst Fukharaka opzoeken, Kabou.

Ah, wie we hier hebben; opgestaan uit de doden, Koubaa?

Ik lag te pitten, jongen, die Franse denkers kunnen me gestolen worden. Bla bla bla, comme ci, bla bla bla comme ça…

Dan zijn we met twee.

Nee, Koubaa, we zijn één, je loopt in de cartesiaanse val…

Jij dus ook.

Uw zoekbewerking - Fukharaka - heeft geen overeenkomstige documenten opgeleverd.

Suggesties:
Zorg ervoor dat alle woorden goed gespeld zijn.
Probeer andere zoektermen.
Maak de zoektermen algemener.

De volgende dag ben ik getuige van een aandoenlijk tafereeltje op school van mijn kinderen. Mijn zoon staat bij twee vriendjes voetbalkaartjes te wisselen. Een van hen haalt een pakje koekjes uit zijn boekentas. Er zitten twee chocoladekoekjes in; de jongens zijn met drie. Het jongentje geeft mijn zoon en de andere jongen een koekje. Het is het soort genereuze vrijgevigheid die ik van mijn Tunesische familie ken. Een onvoorwaardelijke gastvrijheid waarvan ze in Vlaanderen, zeker in Antwerpen, iets kunnen leren. ‘U mag zeggen wat u wil,’ zei een Marokkaanse student op de Academie tegen me voor we aan de bespreking van zijn fotowerk begonnen, ‘maar u moet me respecteren.’ En toen confronteerde hij me met de vraag of ik een Charlie was. Het was mijn meest intense ontmoeting met een student. Omdat ik niet direct antwoordde begon hij rustig maar met vuur te spreken. ‘Ik ben geen Charlie, en weet u waarom?’ Ik nodigde hem met de dwaze autoriteit van een docent uit zich te verduidelijken. ‘De Verlichting gaat niet alleen over vrijheid, meneer. In het Westen wordt dikwijls vergeten dat het ook om gelijkheid en broederschap gaat. Die aanslagen in Parijs deze winter hebben niets met vrije meningsuiting te maken, dat is de zoveelste arrogante interpretatie van het koloniale en democratische westen. Willen ze echt dat we ons aan hun waarden aanpassen? Ik noem dat cynisme. Zolang het Westen de Arabieren en nu ook de Russen blijft vernederen zal er bloed vloeien. En ik ben tegen elke vorm van geweld. Voor mij mogen ze alle geld dat ze inzetten voor het bestrijden van de drugshandel gebruiken om de wapenhandel mee aan te pakken, maar je ne suis pas Charlie.’ Ik bekeek zijn foto’s van jonge naakte vrouwen in bouwvallige omgevingen alsof ik naar zwerfkeien keek. Na de bespreking kocht ik een stokbrood en fietste naar huis over het Woodrow Wilsonplein. Wij Gentenaars zeggen tegen het plein ’t Zuid waardoor we de president vergeten die ooit beweerde: ‘Twintig jaar lang preekte ik tegen de studenten van Princeton dat het referendum en het volksinitiatief nonsens waren. Sindsdien heb ik mij erin verdiept en nu wil ik mijn excuses aanbieden aan deze studenten. Directe democratie is de waakhond van de democratie. Het neemt macht uit de handen van de bazen en geeft het in de handen van de burgers.’ We zijn hier niet in Antwerpen, maar ook niet in Princeton natuurlijk.

Soms schenkt het toeval je macht of een filosofisch inzicht, soms een leuze. De uitspraak We zijn hier niet in Antwerpen was spontaan uit mijn mond gerold toen de taxichauffeur mijn schop tegen de rode auto bekritiseerde. Waarschijnlijk wil ik er het nationalisme van De Wever mee bekritiseren, niet de Antwerpenaar natuurlijk. Misschien bedoel ik met de uitspraak dat het Vlaams nationalisme een hakbijl is in handen van een bende kleine kinderen, of dat je een land niet kunt regeren op basis van nationale identiteit, dat je vanaf de straat moet opbouwen, dat het erom gaat wie op zijn terrein de lakens mag uitdelen, niet of je een Marokkaan, Bulgaar of een Vlaming bent. Ja, dat wil ik zeggen: ‘Waar je woont, daar is het om te doen, niet welke taal je spreekt of voor welke god je op de knieën gaat, dat geldt voor Vlaanderen en Duitsland en voor heel Europa en de rest van de wereld.’ Misschien wil ik ook zeggen: ‘Gent is een gast- en zuurvrije stad.’ Maar god zeg, wat was me dat allemaal daar op de Academie!

Je moet in de politiek, jongen: met Bert Kabou, lacht het geluk je toe!

Hou toch es je waffel, man. Je werkt op mijn zenuwen.

Jouw zenuwen zijn mijn zenuwen.

Een paar dagen geleden stond mijn vrouw met een vriendin uitbundig te praten naast de ingang van een supermarkt; de vriendin met haar tweeling in de buggy. Ze is pas verhuisd en wij hebben sinds zaterdag een jong schattig katje in huis; veel te vertellen dus. Ik geloof mijn vrouw als ze zegt dat iedereen gemakkelijk in en uit de supermarkt kon ondanks de tweeling kinderwagen. ‘Dat is nu toch geen plaats om te staan kletsen,’ morde een vrouw die naar binnen liep. Mijn vrouw: ‘We zijn hier niet in Antwerpen.’

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog