500 à 1000: Het moest maar eens gaan sneeuwen

Ann Decan heeft de zalmhaasjes, ze heeft de truffelolie voor het voorgerecht en de Gramona voor bij het dessert. Voor Christophe heeft ze het volgende deel in zijn Pleiade-reeks, Jeanne krijgt het roségouden kettinkje; voor Edith wordt gelukkig iets bezorgd. Dan mist ze nog enkel haar schoonzoon. Het is koud, ze moet plassen en ze voelt dat de hak van haar pump de verkeerde kant op begint te prikken. Zelfs op het effen plaveisel van de Dansaertstraat is elke stap een dreun van onder. Hij krijgt gewoon een sjaal, besluit ze, en duwt de zware glazen deur van een herenboetiek open. De zwartgelakte paspop in de etalage gaat schuil onder een immens boeket van dieprode bloemen en hulst, piramidevormig geschikt. Het is spijtig dat de oude hoedenzaak is opgedoekt, maar hier lijkt men haar kundig. De verkoopster heeft ook een fatsoenlijke leeftijd.

Ze noemt haar wens en omschrijft haar schoonzoon als een ‘wintertype’ – en hoe toepasselijk, gezien de sfeer die hij verspreidt.
‘Een wintertype?’ vraagt de verkoopster, en verlaagt haar stem, alsof Ann iets bijzonder dieps gezegd heeft.
‘Qua kleurpalet. Dus aubergine, petroleum, koningsblauw…’
Ze zou hiervoor betaald kunnen krijgen, denkt ze wanneer de donkerpaarse sjaal in vloeipapier wordt ingepakt. Weten wat anderen willen. ‘Voltooid,’ zegt de pinautomaat, en geeft twee piepjes. Haar vingers hebben de code al gevormd, de pas weer weggeborgen, ritsen geopend en gesloten. Nu misschien nog even langs de winkel in de Karthuizerstraat, voor theïnevrije thee. Ze duwt met haar rug tegen het glas en stapt met deur en al naar buiten, de wind in, haar handen vol stijve tassen.
Als ze ter hoogte van de Oude Graanmarkt de hoek om slaat, komt ze de zon tegen, zeldzame gast in deze stad, die ’s winters alleen de breedste straten bereikt en dan opzien baart, als een felgekleurde touringcar vol luide Spanjaarden. Ze recht haar rug, houdt de pas in.
Dan gaat diep in de handtas haar telefoon. Ann pauzeert, zet haar aankopen voorzichtig neer, tast tussen haar damesgereedschap naar het warme tegeltje en bekijkt de naam op het scherm. Waarvoor zou Edith bellen? Toch niet opnieuw een allergie ontdekt, of is er weer iemand vegetariër geworden? Of zou het over die vermaledijde tafelschikking gaan? Ze neemt niet op.
Nee, Ann neemt niet op.
De telefoon verstomt, de naam Edith verdwijnt in een flits als het scherm het zonlicht vangt. Ann heft haar gezicht naar de zon. De bakstenen muur naast haar strekt zijn luwte naar haar uit, en als ze haar ogen sluit maakt de betonkleur van de stad plaats voor vlammend oranjerood.
Theïnevrije thee. Ja, straks.
Als ze voetstappen hoort aankomen op de smalle stoep, opent ze haar ogen, verzamelt haar tassen en gaat dichter tegen de muur staan. Op de stompe neus van het grijze busje dat voor haar geparkeerd staat, zwieren lichtjes als schaatsenrijders over de lak. Ze ziet ze nu pas. Ann kijkt omhoog. Tussen de gevels hangen staalkabels als zuinig geregen parelsnoeren. Hier en daar cirkelt traag een discobal. Het zonlicht spettert eraf. Op het plaveisel van grauwe Vilvoordse steen deinen de lichtdruppels. Ze dwarrelen over de muur, witter dan het stucwerk, verzonnen sneeuw waar de wind geen vat op heeft.
Toch zit er orde in, denk ze. Een ballet dat onverstoorbaar doorzet en door de haren en de bontkraag van voorbijgangers stuift. Misschien nestelt er zich af en toe een lichtje in hun capuchon, reist in de metro mee naar huis, en smelt daar weg in de plooien van een mantel.
Als het nu eens ging sneeuwen. Als zij nu nog eens door de sneeuw kon lopen, en kristallen vangen op de mouw van haar jas.
Haar telefoon schelt opnieuw. Ze schrikt ervan. Plotseling, als op bevel, graait Ann haar tassen bijeen en beent zo vlug als haar hakken het toestaan in omgekeerde richting weg, de straat uit, het zebrapad over. De zon duwt haar in de rug. Bij de pinautomaat op de Dansaertstraat zit een bebaarde zwerver met een kerstmuts op, en ze zet haar papieren tassen voor hem neer, zonder uitleg. Snel weg, ze moet verder, de metro in, de trein. Haar armen voelen ijler dan ze in jaren waren. Haar ribbenkast deint smedig om haar longen. Vanbinnen bruist een lach.
Ze kan de nachttrein nemen naar Bolzano. In veertien uur kan ze er zijn. Hoe laat is het? Waar gaat die trein? Is vliegen beter? Ze kijkt omhoog naar de klokkentoren op het Katelijneplein.
Half drie al.
De daken om haar heen kleuren loodgrijs; nog even en de avond kruipt de hemel in.
Mevrouw Decan komt tot stilstand. Haar naaldhakken prikken haar vast aan het plein. Ze loopt nooit deze route, en haar lichaam, uit het lood door de ontbrekende tas, slaat met felle harteklop alarm.
Ze draait zich half om. Verderop heeft de clochard het eerste cadeau al uitgepakt. Zonde, denkt ze, van al dat geld.
Hij heeft de sjaal net omgeslagen als ze haar tassen weer komt halen. De purperen kasjmier bedekt zijn nicotinebaard. ‘Ach, daar bent u weer,’ zegt hij. ‘Het leek wel kerstmis.’
‘Het leek wel of ik even sliep,’ zegt ze, terwijl ze haar tassen samenraapt. ‘Houdt u de sjaal maar. Wel met de hand wassen.’
De lach van de zwerver struikelt zijn keel uit. Hij hoest ervan, duwt de foulard tegen zijn mond en kijkt haar aan van onder zijn pillende rood-met-witte voddenmuts.
‘Fijne dagen, mevrouw,’ roept hij haar na. ‘Slaap wel.’

*

Naast poëzie en beschouwend proza brengt de Revisor ook nieuwe fictie exclusief online. Een kort verhaal in 500 à 1000 woorden, dat vragen we onze schrijvers. Geen column, geen blogpost, geen dagboeknotitie: fictie, op een voor internet geschikte lengte.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog