, 16 Juli 2015

Archief: De remise

Het afgelopen jaar diepten we vooral werk van vorige redacties uit het archief op, deze zomer beginnen we ook met hernieuwde aandacht ons eigen redactiewerk te bekijken. Een van de hoogtepunten was Merijn de Boers ‘De remise’, uit het eerste nummer van 2012. Met een schijnbaar feitelijke toon weet hij de romantische neergang van een oud-diplomaat in een Noord-Afrikaanse stad te schetsen. Ouderdom, patronen, en een tram.

*

De dagen volgen al jaren hetzelfde patroon. Als de muezzin nog voor zonsopgang oproept tot het gebed, slaapt hij door. De stem die dagelijks over de daken schalt, hoort bij de geluiden die hem niet meer uit zijn slaap houden: het krijsen van de meeuwen boven zijn open dak, het stukslaan van de golven op de rotsen onder de stadsmuur. Om zeven uur wordt hij wakker. In de medina is het leven dan al in volle gang. Oude mannen slepen karren achter zich aan, waarin ze lege flessen gooien die de avond ervoor door bewoners buiten de deur zijn gezet. Als ze door zijn steegje lopen, werpen ze zijn flessen in een nog lege kar — want ze beginnen hun route bij zijn huis. De luidruchtige tikken, plastic tegen hout, zijn voldoende om hem uit zijn droom te halen.

Iedere dag drinkt hij twee flessen water. Rond het middaguur dwingt hij zichzelf de eerste fles leeg te drinken. Voordat hij gaat slapen neemt hij de laatste slok uit de tweede, waarna hij ze allebei op straat zet. Het eerste wat hij doet als hij met een droge keel wakker wordt, is naar de winkel lopen voor twee nieuwe flessen water en brood. Soms heeft hij zijn kleren zo snel aangetrokken dat hij, wanneer de deur achter zijn rug met een klap dichtslaat, aan het einde van de steeg de mannen met de karren nog kan zien. De steeg is zo smal dat je van het ene in het andere huis zou kunnen springen. Her en der ligt urine van mensen en ezels. Van de stank heeft hij na twintig jaar geen last meer.
Na het ontbijt schrijft hij tot aan de lunch brieven. De meeste gaan naar Nederland en Parijs, waar zijn familie woont, andere naar zijn oude standplaatsen: Cotonou, Port-au-Prince, Manila. De vrienden die hij daar nog heeft, gebruiken inmiddels allemaal e-mail. Hij is de enige aan wie ze nog brieven schrijven. Zelf heeft hij de stap nooit gemaakt. Als hij geen post te beantwoorden heeft, leest hij in de ochtend. Hij kan het niet laten om ondertussen te luisteren of er een brief onder de deur wordt geschoven. Een brievenbus heeft zijn huis niet. 
Voordat hij weggaat legt hij acht munten op de keukentafel. Om half twee loopt hij door de slingerende straatjes naar restaurant L’Horloge, waar je onder een grote arganboom op het terras kunt zitten. Het is dan het warmste moment van de dag maar in de straatjes is het altijd koel. De wind blaast overal doorheen, ook door zijn huis, stof verplaatsend naar de vloer van zijn woonkamer. Ieder dag komt, terwijl hij luncht, een vrouw zijn huis schoonmaken. Hij ziet haar soms maanden niet. Een enkele keer komt het voor dat zij naar buiten komt, wanneer hij de sleutel in het slot steekt. 
Het kost hem een halfuur om bij L’Horloge te komen. Een jonger iemand zou er in een kwartier kunnen zijn. Als er een straat was die in een rechte lijn van zijn huis naar het restaurant liep, zou hem dat óók lukken. Een diagonale lijn van de ene uithoek naar de andere. Zijn huis wordt van de zee gescheiden door de stadsmuur. Sinds hij met de boot hier aanmeerde, nog geen maand nadat zijn vrouw was overleden, heeft hij de zee niet meer gezien. 
De wandeling naar het restaurant maakt hij zonder na te denken. Over het gebrek aan logica verbaast hij zich niet meer. Hij accepteert nu, zonder het te willen begrijpen, hoe het kan dat hij drie keer naar links gaat zonder op dezelfde plek te komen. Een onderbreking vormt de rue Bir Inzarane, die als enige straat niet kronkelt en breder is dan de andere. Er zijn winkels en meer dan twintig kappers. Nadat hij ’s middags anderhalf uur geslapen heeft, gaat hij eens in de week naar de hammam en iedere dag naar een barbier om zich te laten scheren. Hij gaat nooit twee dagen achtereen naar dezelfde kapper. Dat is voor hem net zo vanzelfsprekend als dagelijks naar dezelfde gaan. 
Iedere dag om twee uur ziet Mazin, de eigenaar van L’Horloge, het vertrouwde beeld van een oude man die het plein oversteekt met een hand op zijn hoed. Zonder die hand zou de hoed wegwaaien en als'een bal van hem weg rollen met een niet in te halen snelheid — want sneller dan de wind is hij niet meer. Hij eet wat hem wordt voorgeschoteld. Zijn leven lang heeft hij menukaarten moeten lezen en daar heeft hij geen zin meer in. Mazin begroet hem met ‘monsieur l’ambassadeur’. Na het eten komt hij vaak bij hem aan tafel zitten. De meeste andere gasten zijn dan weg. Ze zitten tegenover elkaar, terwijl ze zwijgend koffiedrinken en een sigaret roken. 
‘Het is alsof die straatjes steeds smaller worden,’ zegt hij wanneer hij op een dag onder de arganboom gaat zitten. Terwijl Mazin naar de keuken verdwijnt, begint het te regenen. Aan de overkant rolt een verkoper groene en rode tapijten op, die op de grond liggen en tegen de muur hangen. De regen valt door de bladeren op het tafellaken. Iedere druppel vormt een cirkel. Als er een tajine onder zijn neus geschoven wordt, ziet hij terwijl de walm hem in het gezicht slaat, een bejaard echtpaar het plein oversteken. Ze vluchten voor de regen en klemmen elkaar zo stevig vast dat het lijkt alsof ze denken dat ze daardoor minder nat worden. 
’s Middags, in het schoongemaakte huis, wacht hij met een boek in zijn hand tot het zes uur wordt en hij zich zal laten scheren. Even daarvoor heeft hij kort geslapen. Echt lezen doet hij niet. Zijn ogen volgen nu en dan enkele woorden op het papier maar wat er staat dringt nauwelijks tot hem door. 
Plotseling doemt in het wit tussen twee regels een beeld voor hem op. Voor zich ziet hij een tramhalte op een verkeersplein. Het is een vertrouwde voorstelling en hij ziet zich daar bij wijze van spreken al op een tram springen, zoals hij — en daar is hij van overtuigd — tientallen malen gedaan moet hebben. Zo herkenbaar is het beeld. Tegelijkertijd weet hij zeker dat de plek die hij voor zich ziet, niet bestaat in de steden waar hij bekend mee is. 
Zodra hij probeert het beeld terug te roepen, raakt hij het alweer kwijt. Toch twijfelt hij er niet aan dat het een Nederlandse tram is. Want hoe verklaart hij anders het vluchtige gevoel van heimwee? In Cotonou hadden ze geen tram. Hij grijpt naar de halfvolle fles water naast zijn stoel. Als het beeld niet uit zijn eigen leven komt, is het mogelijk opgeroepen door het boek dat hij leest. Het gaat over Kreta en er is nog geen tram in voorgekomen. Er heeft hooguit een associatie plaatsgevonden die hij niet kan achterhalen. 
Als de barbier het mes tegen zijn met scheerschuim bedekte keel aan zet, bedenkt hij: ik zal het hebben gedroomd. Mogelijk droom ik wel iedere nacht en tussen de middag dat ik op die tram spring — en misschien is het zo dat ik daarmee mijn dromen begin. Zoals ik ook dertig jaar lang in de dienstauto stapte om naar de ambassade te worden gereden. 
Het beeld raakt hij de dagen erna niet meer kwijt. Hij doolt ’s ochtends door de kringelende straatjes als door zijn hersenen, op zoek naar dat beeld. Een moment denkt hij aan Theseus, alsof hij verwacht dat hij, wanneer hij de zoveelste hoek omslaat, de Minotaurus tegen het lijf loopt. Maar als hij zijn blik eindelijk losmaakt van de grond, staat hij gewoon weer voor L’Horloge. 
Mazin zegt dat hij later is dan normaal. Hij kijkt op de klok die binnen aan de muur hangt en ziet tot zijn verbazing dat hij er veertig minuten over heeft gedaan. Als hij is uitgegeten, vraagt hij een potlood en tekent op het papieren tafelkleed een tram. Tien minuten later zegt hij tegen Mazin, die tegenover hem zit: ‘Ken je dat verhaal van die arme café-eigenaar die iedere dag bezoek kreeg van een wereldberoemde schilder? Er lagen van diezelfde papieren lakens op de tafels. Na het eten haalde hij zijn potloden uit zijn zak en begon te tekenen. Hij tekende om de etensresten heen. Soms gebruikte hij ze voor zijn compositie. Hij ging net zolang door tot er geen stukje meer onbedekt was. Daarna ging hij naar huis. De volgende dag herhaalde het zich. De eigenaar heeft nooit geweten wie hij was. Hij is er nooit achter gekomen dat hij dagelijks miljoenen verfrommelde en bij het vuilnis legde.’ 
Hij neemt de laatste slok koffie en pakt zijn portemonnee om te betalen. Het is er een zoals kinderen hebben; met stiksels erop die een olifant afbeelden. Erin zitten zijn huissleutel, geld en een foto van zijn vrouw. 
Het plein overstekend richting zijn huis, voelt hij de ogen van Mazin in zijn rug prikken. Misschien, denkt hij, knipt hij mijn tram wel uit en stopt hij hem in een map. Morgen teken ik er nog een, neemt hij zich voor. Vlak voordat hij bij zijn huis is, ziet hij een kleine kat speels achter een klos garen aan rennen. De energie van dat katje staat in contrast met zijn eigen trage schuifelen. Het lijkt wel alsof het piekeren over die tram zijn lopen vertraagt. 
Na een paar weken doet hij een uur over de wandeling. Hij staart naar de stenen op de grond, alsof die hem iets kunnen vertellen wat hijzelf niet weet. Omdat ook het lopen naar de barbier hem meer tijd kost, moet hij een ander tijdschema maken. Hij heeft nog maar nauwelijks tijd om te slapen tussen de middag. ’s Ochtends schrijft hij bijna geen brieven meer. Als hij weer eens bij L’Horloge zit, vraagt Mazin waarom hij toch telkens op de lakens tekent. Hij antwoordt: ‘Ik probeer een tekening te maken van een beeld in mijn hoofd, van een tram. Dat beeld bestaat, het leeft ergens in mijn bewustzijn en toch krijg ik het niet op papier.’ 
Mazin kijkt hem aan met een blik die lijkt te zeggen dat hij gek aan het worden is. ‘Een tram?’ 
Dat het beeld niet uit zijn herinnering komt, daarvan is hij inmiddels zeker. Zoals hij er ook van overtuigd is geraakt dat het een gedroomd beeld is, dat hem blijkbaar ontelbare keren is toegeworpen. De ironie wil dat hij door zijn werk de hele wereld afreisde maar in zijn dromen schijnbaar altijd op diezelfde tram sprong — in de meeste levens is het andersom. Als hij terug naar huis cirkelt, opnieuw door die smalle straatjes die soms lijken dood te lopen maar altijd weer voortslingeren, bedenkt hij dat hij het beeld beter kan vernietigen dan telkens weer oproepen, zoals hij met het potlood doet. Zijn pogingen om het beeld vorm te geven, putten hem uit. De tram dendert zo hard door zijn hoofd heen dat het is alsof hij erdoor wordt achternagezeten. Naarmate hij vermoeider wordt, denkt hij steeds vaker aan zijn vrouw. 
Aan het einde van een week gaat hij weer naar de hammam. Na een massage die eerder op een worsteling leek, zit hij met zijn rug tegen de muur op de natte vloer. Hij valt in slaap en wordt wakker wanneer een jongen een teil ijskoud water over hem heen gooit. Op het moment dat zijn lichaam verstrakt en hij van schrik een gil slaakt die de jongen achteruit doet deinzen, denkt hij voor het eerst een nauwkeurig beeld te hebben. Het is geen verkeersplein maar een remise. Op de achtergrond van het beeld ziet hij deuren die kunnen openklappen en aan weerszijden daarvan branden rode lampen. Het tramspoor dat naar de deuren leidt, glanst.

Op een dag is hij zo moe dat hij niet wakker wordt wanneer op straat de plastic flessen tegen het hout aan vallen. Niet lang daarna gaat hij voor het eerst in al die jaren niet naar L’Horloge als het lunchtijd is. De schoonmaakster veegt behoedzaam het stof rond zijn voeten weg, terwijl hij zit te slapen in zijn stoel. Om half drie klopt Mazin op zijn deur. ‘Je dacht zeker dat ik dood was,’ vraagt hij aan hem. In zijn handen draagt hij een tas met eten. 
Ze gaan aan de tafel tegenover elkaar zitten zoals ze dat ook op het terras gewend zijn. Mazin is er nog steeds als hij na het eten in zijn stoel in slaap valt. Maar als hij midden in de nacht wakker wordt, is hij verdwenen. De korrels rijst die hij op de tafel had gemorst, zijn door hem weggeveegd. Op het krijsen van een meeuw na is het stil. Boven hem ziet hij de lucht vol sterren. Als het gekrijs een moment ophoudt, hoort hij de zee ruisen. 
Sterker dan eerder ziet hij het beeld dat hem is overvallen als een bedreiging. Een hollende stier die hem dreigt te vertrappen. Hij kijkt op zijn horloge en dan naar hemel. De gedachte komt in hem op dat de ruimte van het uitspansel hem niet kan helpen. Hij moet de straatjes in. Zijn blik moet niet verruimd maar vernauwd worden. Tussen de dicht op elkaar staande muren lukt het misschien. 
Met moeite komt hij uit zijn stoel. Het is alsof het hout aan zijn billen vastgeplakt zit. Hij trekt de deur achter zich dicht en loopt in de richting van L’Horloge — gewoon omdat hij dat gewend is. Als hij anderhalf uur later met het zweet op zijn voorhoofd aankomt op het verlaten plein, is hij nog geen stap dichterbij gekomen. Hij denkt telkens aan de remise, pijnigt zijn hersens af. Niet lang nadat hij zich heeft omgedraaid om weer terug te lopen naar zijn huis, moet hij van vermoeidheid op de grond gaan zitten. De stenen zijn nat en de wind waait zo hard dat hij het koud krijgt. Hij pakt het portemonneetje met de olifant en legt de foto op zijn handpalm. 
Van zijn hand maakt hij een bakje, waardoor de punten van de foto in zijn vel verdwijnen. Met zijn wijsvinger gaat hij langs haar wang. Ondertussen denkt hij aan zijn aankomst in deze stad: hij moest bijna de hele stadsmuur langs lopen, omdat er bij de haven geen ingang naar de medina was. Precies aan de andere kant, vlak bij L’Horloge, was de enige poort. Voor het eerst zag hij Mazin achter een tafeltje zitten. Daarna liep hij door de straatjes naar waar hij ongeveer vandaan kwam. Al snel verdwaalde hij. Op een kruising van twee straten stond hij met zijn tassen op de grond uit te rusten. Niemand kende de naam van de straat waar zijn huis moest zijn. De weg naar de stadspoort zou hij nooit van zijn leven terug kunnen vinden. Op dat moment, verloren in het labyrintisch stratennetwerk, wist hij zeker dat hij de goede plek had uitgekozen. 
Als hij zijn hoofd naar links draait, ziet hij dat de straatkat die hij eerder zag, zijn eigen kleine Minotaurus, op hem af komt lopen. Het diertje heeft op verschillende plekken zijn vacht verloren. Het knabbelt aan een kippenpoot en gaat vervolgens tot zijn verrassing op de grond tegen zijn voeten aan liggen. Niet lang daarna vallen ze allebei in slaap. Tot zeven uur, als de flessenophalers langslopen, is er niemand die ze ziet.

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.

Archief

Omhoog