, 06 Augustus 2015

September

500 à 1000

1

We waren de jongens van september. De zomer brachten we door in de oude Levi's-magazijnen, die al jaren worden gebruikt door twee online speelgoedwinkels. Het augustuslicht viel gefilterd door de matglazen raampjes vlak onder het plafond naar binnen.  We stonden ’s ochtends tussen gele strandemmers en opblaasbare kangoeroes, ’s middags bij de glijbanen compleet met afdak van namaakbladeren. Allemaal van plastic. De hele dag werkten we onze orders af. Dit was onze zomerslaap, made in China. We bestonden even niet.

In de zomer waren we dagloners. Iedere ochtend om zes uur als we rillend van de kou en de ochtendmisselijkheid een nummertje hadden gekregen, bracht de bus ons van de parkeerplaats achter de mall naar het industriepark van Southern Heights, samen met de blanke vrouwen van middelbare leeftijd, de illegale immigranten, de jonge zwarte mannen en enkele gepensioneerden. Als je geluk had kreeg je een nummertje, want er was niet iedere dag evenveel werk voor iedereen. Wij kregen altijd een nummertje, want we waren scholieren, drie jongens van zestien. Jaloerse blikken vielen ons dagelijks ten deel. Niet omdat we elke dag konden werken, maar omdat we als de zomer voorbij was weer zouden verdwijnen. September zou ons bevrijden.
Soms probeerde een lieve vrouw ons te waarschuwen. Dan nam Lynn of Francis ons apart en zei ze met tranen in haar ogen: 'Jongens, leer een vak. Doe je best op school.'

In september begon ons ritme op West Valley High weer. Elke ochtend meldden Aziz, Rico en ik ons bij de conciërge voor een stempel. Daarna gingen we weer naar buiten. Waren we vrij. Tot ergens in mei, als de school weer dichtging en de magazijnen wachtten. Dat deden we al jaren. In september en oktober blowden we ons geld op in de heuvels, op bankjes onder pijnbomen met uitzicht over de stad. In de winter zaten we in een van de laatste wedkantoren van de stad, gevestigd in een oud, bruin gebouw. In maart gingen we weer naar buiten en liepen we rondjes, meestal de vertrouwde driehoek van internetcafé, McDonald's en Cinema Paradiso, doelloos, wachtend op de zomer. De leraren hadden ons al opgegeven. Het laatste oordeel van de eindexamens zou ons voorgoed naar de magazijnen sturen, dachten ze.
We waren op een dag in de eerste week van september toevallig op school, want we hadden gehoord dat de nieuwe wiskundelerares nog maar vierentwintig was en dat ze op haar achttiende in de Sports Illustrated had gestaan. Een halfuur lang kon miss Mitten in onze klas met twintig jongens en vijf meisjes niet boven ons geschreeuw uitkomen. Tot de deur openging en hij binnenkwam.
We waren stil. Hij was onmiskenbaar donker, maar niet zwart. Toch was hij donkerder en ernstiger dan de meeste Latino's hier. Zijn haar was aan beide kanten opgeschoren met op zijn kruin stugge krullen.
Hij droeg een witte hardlooplegging en daarboven glanzende witte shorts. Een wit T-shirt met lange mouwen en daarboven een wit katoenen vest met korte mouwen. Aan zijn voeten Nike Air Force 1's, ook wit. Zijn witte sokken, met op de enkels drie zwarte horizontale strepen, had hij uitdagend over zijn legging getrokken, alsof die drie strepen de oplossing van het raadsel waren. De hele klas staarde hem aan, niemand begreep het. We stamelden zoiets als: 'Dude! Wat heb jij…? '
Verder kwamen we niet. De nieuwe jongen zette een kruisje achter zijn naam op de lijst die op de tafel van miss Mitten lag. Toen ging hij zitten.

2

We hadden hem nodig. Aziz, Rico en ik waren toch al de buitenbeentjes van de school, de moslims, de spijbelaars. We hadden de woestijn gemeen. Aziz is geboren in de woestijn, in Jemen. Rico's vader liep toen hij jong was alleen door de woestijn van Mexico naar New Mexico. Hij raakte de weg kwijt en bad tot God, Jezus en Maria. Maar die waren er even niet. Toen bad hij tot Allah. Een uur later werd hij gevonden. En mijn Russisch-Koreaanse vader is geboren in Oezbekistan, ergens op de steppe, de bijna-woestijn. Zijn vader, mijn grootvader, werd islamitisch als protest tegen de communisten die hem en zijn familie in de jaren vijftig van een Russisch plaatsje bij de Koreaanse grens naar Centraal-Azië deporteerden.
De nieuwe jongen kwam uit Soedan. Hij heette Zahir en sloot zich bij ons aan, uit noodzaak. De blanken vonden hem knap, maar raar, de Latino's vonden hem saai en de zwarten mochten hem gewoon niet. Zahir leefde volgens regels. Hij droeg bijvoorbeeld nooit kleuren, met uitzondering van groen, de kleur van de islam. Vaak droeg hij een wit T-shirt met in het midden een groene cirkel, misschien de vlag van een land.
Wij namen Zahir mee naar Northern Heights, waar de geur van de pijnbomen in je haren gaat zitten, maar hij wilde niet blowen en verveelde zich. Dus trokken we eropuit. We dwaalden door de stad langs de scheve houten elektriciteitspalen, wuivende palmbomen en zonovergoten parkeerplaatsen met rijen campers voor de vele mensen met een hypotheek zonder huis. Als het te warm was zaten we in de grote zaal van Cinema Paradiso en keken naar oude Hollywoodfilms. Maar ook dat verveelde hem. We vroegen wat hij wilde doen. Wat hij later wilde worden. Hij zei: 'Ik wil imker worden'.
Op 11 september is onze school altijd dicht. Dus reden we die dag in de auto van Zahirs vader naar de imkers in de heuvels. Ze hadden de hele zomer in donkere schuurtjes doorgebracht om hun bijen pure distelhoning te laten maken, made in California. Het was oogsttijd. Wij hebben nooit geweten dat er imkers in die heuvels zaten. Of dat honing puur kan zijn. De imkers zijn voornamelijk oude hippies, wist Zahir. Zij moesten hun geheimen prijsgeven. Ze moesten hem zijn eerste baantje geven.
Maar de oude hippies hadden geen banen. Of idealen. 'Sorry jongen. Het is al moeilijk genoeg om zelf te overleven,' zei een man in een groene tuinbroek en met lang grijs haar. Misschien dachten ze: een zwarte jongen uit de stad. Met witte kleding aan. Dit is niets voor hem.
De laatste schuurtjes waren alleen te voet bereikbaar. We stapten ergens uit en liepen het bospad op dat zich langs een canyon omhoog slingert. Uiteindelijk kwamen we bij een klein wit schuurtje dat tegen een helling stond waar zon en wind vrij spel hebben. Op het erf liep een jonge vrouw. Ze droeg boeken naar een kar. Toen we dichterbij kwamen zagen we dat het oude bijbels waren.
Zahir stapte op haar af en vertelde zijn verhaal. De vrouw, die een lange donkerblauwe jurk droeg, vroeg of hij de bijbels wilde vasthouden. Ze liep naar de achterkant van het schuurtje en kwam weer terug met een witte imkersjas en een grote witte kap. We hielpen Zahir in de jas. Daarna deden we de kap over zijn hoofd. De vrouw knikte tevreden. Het pak stond hem goed. Haar vader, die in het schuurtje had gewoond, was vorige week overleden. Een hartaanval. Zij woonde in Nevada. We konden het schuurtje en de kasten huren. De honing mochten we zelf verkopen.
We hielpen Zahir. Terwijl hij elke ochtend naar het schuurtje reed, kochten wij boeken over bijen. We gingen zelfs een keer naar de biologieles op school om wat meer over bloemen en bijen te leren. Na een week wist Zahir hoe hij moest oogsten. We keken naar hem hoe hij vroeg in de ochtend in zijn witte pak voorzichtig een voor een de ramen uit de kasten haalde en met de beroker de vreemde volken rustig hield. Het was zijn eerste en laatste oogst.

Op de laatste dag van september begon het te sneeuwen. We hadden de hele ochtend potjes gevuld met de honing in het aftapvat en zaten rillend van de kou onder het afdak. Na een paar uur was de heuvel een woestijn geworden. El Niño, lazen we op internet.
'En de bijen,' vroeg Aziz, terwijl hij met trillende handen een sigaret opstak.
'Die overwinteren. In maart worden ze weer actief. Dan is het lente.'
'Handig. Maar wat moeten wij dan doen in de winter? Behalve wachten.'
Zahir haalde zijn schouders op: 'Naar school gaan?'
De volgende dag ging hij inderdaad naar school. Wij gingen terug naar ons bankje met uitzicht over de stad. Zahir had het geld van de oogst aan ons gegeven dus we konden dat jaar blowen tot ergens in maart.
Maar in december verdween hij. We hoorden van klasgenoten dat hij naar Somalië was gegaan. Ze lieten ons een filmpje van een jongen op YouTube zien. Hij droeg een zwarte broek. Een zwart T-shirt. En een Palestinasjaal voor zijn gezicht.
Hij kan de jongen in het zwart niet zijn. Wij geloven dat Zahir terugkomt. Daarom blijven we op hem wachten, ook nu de spijbeljaren achter ons liggen en we op een community college les krijgen over bijen en gewassen. Ieder jaar als de lente begint vertrekken we naar de heuvels, naar de schuurtjes, want we hebben er inmiddels twee. We hoeven niet zo veel te doen, behalve wachten. Is geloven niet een vorm van wachten? In september oogsten we zijn honing.

*

Naast poëzie en beschouwend proza brengt de Revisor ook nieuwe fictie exclusief online. Een kort verhaal in 500 à 1000 woorden (of een keertje wat langer), dat vragen we onze schrijvers. Geen column, geen blogpost, geen dagboeknotitie: fictie, op een voor internet geschikte lengte.

Beeld © Chris Goldberg: 'Palm Trees of Venice Beach'

Geen reacties

We willen u nog veel meer vragen, maar er in ieder geval zeker van zijn dat u een mens bent, een lezer, een schrijver, maar in ieder geval geen robot.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Omhoog